ER KAN WAT FOUT GAAN

De Nederlandse defensietop bedong een voorbehoud voor de militairen die naar Irak zouden gaan. Het verhoren van arrestanten behoort niet tot hun bevoegdheden....

‘In een beetje serieuze democratie zou een minister van Defensie al lang weg zijn, bij wantoestanden zoals in de Abu Ghraib-gevangenis. Hier zouden koppen rollen.’ VVD-Kamerlid Hans van Baalen benoemt in de zomer van 2006 een cruciaal verschil tussen de Nederlandse en de Amerikaanse politiek.

Een dag na het gesprek met Van Baalen krijgt minister Bot van Buitenlandse Zaken de stelling van de liberaal voorgelegd. Zou het in Nederland bestaanbaar zijn als een bewindspersoon aanbleef? Ben Bot hoeft niet na te denken: ‘Als zich zoiets zou openbaren, kunnen wij als ministers niet blijven zitten.’

Later die dag reageert minister van Defensie Henk Kamp, partijgenoot van Van Baalen, op het theoretische citaat. Hij zegt zorgvuldig formulerend, haast als een diplomaat: ‘De kans dat er iets misgaat is klein, want ik heb mijn best gedaan de organisatie goed neer te zetten. Er zitten de juiste mensen en de controle is in orde. Er gaan een heleboel dingen goed, al kan er een keer wat fout gaan.’

‘Ik kan zoiets overleven, als ik adequaat reageer, het openbaar maak en het wordt opgelost. Een tweede of derde keer lukt het misschien ook nog, maar op een gegeven moment ga je over de grens. Dan is het afgelopen.’

Kamp lijkt er de man niet naar om zich te verschuilen. Hij zegt het zelf: bij een adequate reactie hoort het publiek maken. Het is de lijn die Defensie zegt te volgen nu er Nederlandse militairen in Afghanistan zijn gestationeerd. In het communicatieplan wordt openheid gepropageerd om het draagvlak te behouden.

In al zijn uitlatingen tegen de Tweede Kamer is Kamp ervan overtuigd dat Nederlandse militairen zich niet misdragen in den vreemde. ‘Dat doen wij niet’, zegt hij keer op keer bezwerend tegen het Kamerlid Farah Karimi van GroenLinks; zelf ooit politiek gevangene.

Het is in de laatste week van maart 2003, als de Britse minister van Defensie Geoffrey Hoon zijn Nederlandse collega Kamp polst. De oorlog in Irak is op dat moment nog volop gaande. De Britten willen graag met Nederland samenwerken om in een deel van Irak het gezag te handhaven. Hoon heeft niet veel trek in samenwerking met eigenzinnige ‘olijfolielanden’, zoals Italië en Spanje. Met de Nederlanders zijn de betrekkingen van oudsher goed, vanwege de vele gezamenlijke oefeningen.

Tien dagen na de val van het Iraakse regime beginnen de eerste besprekingen tussen Britse en Nederlandse militairen. Ze stellen een agenda op voor de gezamenlijke conferentie in Londen, die eind april plaatsvindt.

Belangrijk is de juridische basis waarop de mariniers van de missie SFIR 1 hun werk doen. De Britten en de Nederlanders spreken een Memory of Understanding af voor South East, het gebied waarin de Nederlanders onder Britse supervisie in de provincie Al Muthanna opereren.

Nederland zal geen deel uitmaken van de bezettingmacht, maar is opdrachtnemer van de Coalition Provisional Authority (CPA) in Irak. Het is duidelijk dat de mariniers zullen gaan. In de loop van de zomer ontbrandt een strijd tussen de krijgsmachtdelen over wie de eerste lichting mariniers mag aflossen na vier of zes maanden. De mariniers winnen dat gevecht, zo blijkt later in de zomer.

Op 19 juni 2003 besluiten het ministerie van Defensie, de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen met Luc Kroon, de Chef Defensiestaf, dat de gedragsregels voor de Nederlandse mariniers anders zullen zijn als die van de Amerikanen en de Britten.

De top van de Nederlandse krijgmacht wil dat er een Nederlands voorbehoud wordt gemaakt. In het jargon heet dat een nationaal caveat. De portee is dat de Nederlandse mariniers niet dezelfde bevoegdheden hebben als de bezettingsmacht van Amerikanen en Britten.

Er worden met de Britten beperkingen afgesproken. Daaruit blijkt dat de Irakezen, die door mariniers worden aangehouden, zo snel mogelijk moeten worden overgedragen aan andere autoriteiten. Als het om burgers gaat die verdacht worden van criminaliteit, moet de Iraakse politie ze met spoed in handen krijgen. Verdachten van oorlogsmisdrijven en mensen die SFIR bedreigen, moeten snel worden overgedragen aan de Britten.

Een intern document van de Dienst Juridische Zaken van het ministerie van Defensie, gedateerd 26 november 2003, beschrijft bovendien: ‘Het optreden van de Nederlandse eenheden dient te voldoen aan de eisen van het humanitair oorlogsrecht’ (*) En ‘dat het afnemen van verhoren niet tot de bevoegdheden van de Nederlandse eenheden behoort, evenmin als het horen van getuigen.’

Toch is dat precies wat er wél gebeurt. De papieren werkelijkheid van het Haagse Plein is anders dan wat de mariniers onder bevel van luitenant-kolonel Swijgman in het zuiden van Irak doen. De Britten verhoren Irakezen vanaf het begin van de oorlog. Als de Nederlanders in augustus aan hun missie beginnen, verlangen de Britten dat ook van de mariniers. ‘Ze werden geacht inlichtingen te verzamelen, dat moest gewoon doorgaan’, zo zegt een hoge militair.

Dat er zaken anders gaan dan was afgesproken, wordt bespeurd in het gevolg van minister Kamp. De bewindsman begint op 23 september 2003 een driedaags bezoek aan Irak met vice-admiraal Ruurt Klaver, bevelhebber van de Zeestrijdkrachten en generaal-majoor Cees Neisingh, de bevelhebber van de marechaussee.

Eind oktober wordt pijnlijk duidelijk dat de Haagse regels en de Nederlandse praktijk soms niets met elkaar van doen hebben. In het CPA-huis tussen het stadje As Samawah en het Nederlandse kamp, worden Iraakse gevangenen verhoord door officieren van de Nederlandse Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD). Ze zijn opgepakt door Nederlandse mariniers en worden gevangen gehouden en bewaakt.

De spanningen in het gebied zijn opgelopen door aanslagen op coalitietroepen in heel Irak. De mariniers voelen zich daardoor ook in hun veiligheid bedreigd. Camouflagenetten onttrekken het oude gebouwtje aan het zicht, maar het CPA-huis, waar gevangenen worden verhoord, ligt aan een drukke weg bij een rotonde. Vanwege de toegenomen dreiging wordt er een muurtje voor het CPA-huis gebouwd. Zo kunnen mogelijke bomauto’s niet in de deuropening worden geparkeerd.

Er ontstaat in het Nederlandse kamp commotie over de manier waarop de eigen mensen met de gevangenen omgaan. Die consternatie bereikt de Chef Defensiestaf Luc Kroon. De hoogste Nederlandse militair wordt gemeld dat er in Irak niet alleen onderlinge meningsverschillen zijn tussen de Nederlanders over de vraag of ze Iraakse gevangen mogen opsluiten in het CPA-huis. Er is ook ophef over het feit dat MIVD-officieren tientallen gevangenen hebben natgespoten. Militairen zeggen anoniem dat de brandslang is gebruikt om te voorkomen dat de verdachten in slaap zouden vallen. Directeur voorlichting Joop Veen houdt het erop dat de gevangen ‘een glaasje water’ over zich heen hebben gekregen. De gevangenen krijgen stofbrillen op tijdens de verhoren, waardoor ze niets kunnen zien. Ook worden de gevangen, als de brillen zijn afgedaan, met felle lampen beschenen. Daardoor en door het lawaai uit de luidsprekers raken ze gedesoriënteerd. Op die manier wordt ook verhinderd dat ze met elkaar informatie kunnen uitwisselen.

Kroon, zelf marineman, heeft voldoende politiek gevoel om zich te realiseren dat openbaring van de feiten tot grote politieke en maatschappelijke opwinding zal leiden. Het krijgsmachtdeel waaruit hij zelf voortkomt, zal als het bekend wordt aan de schandpaal worden genageld.

Kroon wordt ‘de stille schaker’ genoemd. Hij is een tacticus en een diplomaat. Heel anders dan minister Kamp, die de faam heeft rechtdoorzee te zijn. ‘Kroon had buikpijn van de zaak’, zegt een ingewijde.

Op 3 november 2003 confrontreert Kroon generaal-majoor Cees Neisingh van de marechaussee met zijn ongemakkelijke nieuws. Kroon vertelt Neisingh dat de officieren van de Nederlandse MIVD, tegen alle afspraken in, gevangenen verhoren voordat ze worden overgedragen aan de Britten. Hij vertelt erbij wat voor verhoormethoden worden gebruikt om de Iraakse gevangenen aan het praten te krijgen.

Neisingh zegt Kroon dat elke suggestie van ‘een doofpot’ moet worden vermeden. Hij stelt voor aangifte te doen, zodat na onderzoek van het Openbaar Ministerie een gerechtelijke uitspraak kan volgen, die voor iedereen duidelijkheid schept.

Neisingh stuurt een aantal nota’s aan Kroon, na het telefoongesprek dat ze over de delicate kwestie hebben gevoerd. Daarin betrekt de bevelhebber van de marechaussee het bezoek dat hij heeft gebracht met minister Kamp en bevelhebber Klaver van de mariniers. Ter plekke heeft Neisingh in alle lagen van de bevelsstructuur gesprekken gevoerd met mariniers over de omgang met gevangenen.

‘Mij ontbreekt inzicht in de rechtsgrond voor het vier dagen vasthouden en ondervragen van op eigen gezag door Nederlandse militairen aangehouden burgers’, noteert Neisingh op 18 november 2003 in een nota die wordt gestuurd naar Kroon, directeur Juridische Zaken Ybema en bevelhebber Klaver van de Zeestrijdkrachten.

Normaal gesproken wordt er aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie als Nederlandse militairen, waar ook ter wereld, verdacht worden van strafbare feiten. Maar Neisingh schrijft: ‘Ik heb me niet aan de indruk kunnen onttrekken dat de sterke sociale controle in de weg staat van het doen van op zichzelf terechte aangiften.’

Deze twee nota’s leiden tot grote commotie onder de bevelhebbers en de politieke leiding van het departement. Want Neisingh heeft zijn stukken geschreven een paar weken nadat Kroon hem had verteld over de MIVD-martelingen. Hij kritiseert de rechtsgrond van het vier dagen detineren van verdachten en suggereert dat uit angst allerlei aangiftes niet worden gedaan. Kroon krijgt er in ieder geval een vervelend gevoel over, zo bevestigt een departamentale bron.

Willy Weerkamp is de officier van Justitie die tot voor kort de militaire strafzaken vanuit het parket Arnhem behandelde. Op de vraag wat het over een organisatie zegt als er geen aangifte wordt gedaan van mogelijk strafbare feiten zoals marteling, zegt Weerkamp: ‘Als je het positief formuleert, zegt dat iets over de trots en gedrevenheid van een organisatie.’

Over de procedure die in dat geval wordt gevolgd, zegt hij dat het altijd bij hem begint. ‘Het gaat van beneden naar boven. Van de hoofdofficier naar de procureur-generaal. Zelfs de minister kan worden ingeschakeld. De marechaussee moet dit soort zaken melden, maar ook de commandant van het bataljon.’

Schendingen van de mensenrechten van Iraakse en Afghaanse gevangenen door Nederlanders, zoals begaan door Amerikaanse, Britse, Deense en Duitse militairen, lijken Weerkamp onmogelijk. ‘Wij hebben zoiets nooit voorgelegd gekregen. Ik geloof ook niet dat wij Abu Ghraib-achtige toestanden hebben. Er is wel een dark number, maar het kunnen er nooit veel zijn.’

Voor de huidige Nederlanse missie in Afghanistan dreigen dezelfde problemen: wat zijn de Rules Of Engagement voor de militairen, en hoe wordt omgegaan met gevangenen? Dat er na Irak nog niet veel was veranderd, merkten de voorzitters van de militaire vakbonden, Wim van den Burg (AFMP/FNV) en Han Busker (Marechaussee Vereniging).

Zij spraken met de top van het departement, een paar dagen voordat de Nederlandse militairen afreisden naar Afghanistan. Onderwerp van gesprek was de juridische status van de Nederlandse militairen.

Van den Burg en Busker hielden de politiek en de militaire leiding voor dat artikel 71 van het Wetboek Militair Strafrecht strafuitsluitingsgronden kent voor een militair die anderen doodt. Aangezien Nederland participeerde in Operation Enduring Freedom, konden voor de duur van de operatie de militairen toch wel gedekt worden door dit artikel? Als dat niet zo was, ontstonden er vreemde toestanden. Zo houden ze hun gesprekspartners voor: een commando ligt ongezien op de grond voor een Talibanstrijder. Moet hij dan eerst een waarschuwingsschot afvuren, voordat hij zijn tegenstander uitschakelt?

‘Tja, dat vonden ze ook wel raar’, zegt Busker. ‘Ze vonden dat we intrigerende vragen stelden. Daar moest de Directie Juridische Zaken ook maar eens naar kijken. Wij gingen die vrijdagmiddag eind juli weg met het idee van: ze weten niet waarover ze het hebben. Maar die maandag erop gingen onze jongens weg! Daar werden wij onrustig van.’

Van den Burg: ‘Zo maken wij ons nu zorgen over die door Nederland gevangen genomen Talibancommandanten. We passen rechtsregels toe die Den Haag internationaal goed uitkomen, maar die voor soldaten ter plekke tot vervolging kunnen leiden.

‘Er zijn daar inmiddels honderden Taliban gedood, maar het is niet duidelijk of het wel strijders zijn. De internationale regelgeving inzake de omgang met krijgsgevangenen, zoals geregeld in de Geneefse Conventie, is zwaar achterhaald. Het wordt hoog tijd om na de kabinetsformatie een Defensiewet te maken, waarin de moderne militaire oorlogsvoering juridisch wordt onderbouwd.’

Het verschil tussen wat er in Den Haag wordt afgesproken en wat er in landen als Irak en Afghanistan is gebeurd, is groot. Neem het verhaal van staatssecretaris Cees van der Knaap.

Hij hield vorige week een toespraak op een conferentie over de moderne oorlogsvoering. Van der Knaap: ‘De manier waarop militairen met morele dilemma’s in operaties omgaan, is bepalend voor het succes van die operatie. Van een militair wordt juist verwacht dat hij extra integer is, omdat hij in een machtspositie verkeert. (*) Je kunt als organisatie je militair personeel geen persoonlijke moraal voorschrijven, maar het gaat hier eigenlijk om de bewustwording van waar het eigenlijk om gaat, de universele rechten van de mens.’

Meer over