Er gaat niets boven Für Elise

In mijn kringen is er weleens wat minachting voor de lievelingen van het grote publiek.

Ik speel al veertig jaar piano, maar nog nooit had ik Für Elise gespeeld. Pas begin 2009 heb ik dit Albumblatt, zoals het werkje heet, dat Ludwig van Beethoven in 1810 componeerde voor een weigerachtige geliefde, gekocht en ingestudeerd.

Nooit heeft mijn pianolerares vroeger Für Elise op de piano gezet. In mijn studententijd had ik fanatiek klassieke muziek luisterende en Concertgebouw frequenterende vrienden, die het leuk vonden dat ik Mozart-sonates kon spelen, want Gaspard de la nuit van Ravel en Kreisleriana van Schumann, hun hemel en aarde, waren natuurlijk te moeilijk voor me. Maar Für Elise, daar vroegen ze niet om.

Ik denk dat er in mijn kringen wel eens enige minachting is voor de lievelingen van het grote publiek: wat de massa mooi vindt, dat kan nooit wat zijn.

Kopietje
Op de basisschool waar ik muziekles geef, vroegen kinderen zo vaak of ik Für Elise kende, dat ik het heb ingestudeerd en nu met groot succes ten gehore breng, en opnieuw, en nog een keer. De kleuters vragen erom, de achtstegroepers en ook nog een leerling van de buurschool, die met zijn klas bij ons in het tussenlokaal bivakkeert, omdat idioten in de nieuwjaarsnacht brand in zijn school hebben gesticht. Maar dit terzijde. Die jongen smeekte of ik een kopietje van Für Elise wilde maken, voor zijn zus, die een keyboard had.

De massa heeft gelijk, het thema van Für Elise is prachtig in al zijn zoete eenvoud, en de twee tussenstukjes waarin de kinderen Beethovens hart horen breken, maken die zoete troost nog lieflijker. Dank je wel kinderen, dat jullie mijn oren hebben geopend voor Für Elise.

The rest is noise
De bovenbouwers zetten deze week op hun beurt hun oren open voor Schönberg, Varèse en Ligeti. Ik vertel ze hoe in de 20ste eeuw de leidende componisten muziek maakten die het publiek niet waardeerde, en ook nooit is gaan waarderen. In The rest is noise van Alex Ross, een boek uit 2008 over de geschiedenis van de 20ste eeuwse muziek, dat elke liefhebber zou moeten lezen, wordt die kloof tussen de kunstenaars en het publiek prachtig beschreven. Schönberg zei: ‘Echte kunst is niet voor de massa, en als de massa het mooi vindt, is het geen echte kunst’, lees ik in Alex Ross.

De kinderen luisteren desalniettemin met belangstelling naar Schönberg en Ligeti. De prelude uit Schönbergs suite voor piano doet een leerling denken aan een kleuter die vrolijk op de piano timmert. Atmosphères van Ligeti komt ook wel over: Darcy beschrijft waarderend hoe de verschillende instrumenten samen een klank breien, niets meer en niets minder.

Alleen bij een fragment uit Octandre, een orkestwerk van Edgar Varèse, doen veel kinderen hun handen voor de oren. ‘Dit doet pijn aan mijn hoofd!’ ‘Aan mijn oren! Dat zou ik nooit thuis opzetten!’

Mozart
Zo zien we weer dat Mozart een afgezant was van God. Zei hij immers niet dat muziek het publiek nooit akelig of onaangenaam aan de oren mocht klinken? Van zijn Dissonantenkwartet dachten tijdgenoten dat er schrijffouten in stonden, zo vreemd klonk het. Vreemd, ja, maar niet akelig. De kinderen vonden dit stukje Mozart het mooiste wat ze in mijn lessen hebben gehoord, maar misschien heb ik ze wel een beetje mijn smaak opgedrongen.

Meer over