En toch leerde je wat in die overvolle klas

DE SCHOOL VAN TOEN
Zonder twijfel hebben onderwijsgevenden reden tot onvrede. Toch kan het geen kwaad de school van nu eens naast die van 1953 te leggen.

DOOR KEES DE RUITER

Veel ouderen van nu zullen de al jaren durende discussies over te grote klassen met een glimlach volgen. Bijgaande foto geeft een indruk hoe groot schoolklassen in het voorjaar van 1953 waren. De foto toont - wat toen zo werd genoemd - klas 1 van de Oosterparkschool aan het 's Gravensandeplein in Amsterdam-Oost. We zijn hier met 48 kinderen; er zijn er vier afwezig want onze klas telde 52 leerlingen. Parallel aan onze eerste klas was er nog een eerste klas op deze school.

Achteraan links op deze foto staat de heer De Zeeuw, hij was het hoofd der school, zoals dat toen heette. Rechtsachter staat juffrouw Van Apeldoorn, de onderwijzeres van onze klas. Het was haar laatste jaar op school, want haar pensioen lonkte. Ik zit vooraan, tweede van links.

Het fraaie schoolgebouw uit 1903 doet nu dienst als welzijnscentrum. Destijds vulde het gebouw zich dagelijks met zo'n 500 kinderen. Juffrouw Van Apeldoorn had de wind eronder. Dat moest ook wel met zo'n grote groep. Onaangepast gedrag werd rechtgezet met een half uur vooraan in de klas in de hoek staan, met je gezicht naar de muur.

De tijd, inclusief de zaterdagochtend, werd vooral gevuld met kennisoverdracht in één richting. Ik kan me niet herinneren ooit getuige te zijn geweest van een discussie tussen de onderwijzer en een leerling. Niettemin leerden wij goed rekenen, vooral ook breuken, staartdelingen en eindeloos vermenigvuldigingstafels opdreunen. Veel lezen, dictee en taalkundig en redekundig ontleden en in de laatste drie jaren ook Frans. Vaderlandse en bijbelse geschiedenis (de school had een gereformeerde grondslag), met veel jaartallen en nationale symboliek. De topografie van Nederland werd uit het hoofd geleerd aan de hand van plaatsen langs de verschillende spoorlijnen, inclusief de typische industrie of andere werkgelegenheid in die plaatsen. Wekelijks een uurtje tekenen, zingen, verkeersles, sport en schoolzwemmen en jaarlijks een schoolreisje.

Op je rapport kreeg je een cijfer voor netheid in schrijven en vlijt. Maatschappij-oriëntatie kreeg je voornamelijk thuis en van de straat: de school was daar niet voor bedoeld. Amsterdam was in die tijd nog van de fietsers. Als kind had je een min of meer veilige speelruimte van Zeeburg tot Nieuw-West en van de scheepswerven in Noord tot Amstelveen; veel gelegenheid om van alles op te steken wat voor het leven van waarde zou worden of juist niet.

Speciale aandacht voor leerlingen die niet goed konden meekomen of langdurig ziek waren geweest, was er nauwelijks. Te veel onvoldoendes resulteerden onherroepelijk in zitten blijven. Dat was vervelend voor de betrokkene maar werd bepaald niet gestigmatiseerd. De 'oudere' leerling kreeg in het tweede jaar in de zelfde klas allerlei leuke klusjes te doen, waarmee deze zijn of haar bijzondere status positief bevestigde.

Onderscheid tussen de capaciteiten van de leerlingen werd pas gemaakt in het laatste schooljaar. Dan werden de twee klassen die de eerste vijf jaar parallel aan elkaar liepen opnieuw ingedeeld: een klas voor leerlingen met de capaciteiten voor middelbaar onderwijs (hbs en gymnasium) en een klas voor uitgebreid lager onderwijs (mulo, huishoud- en ambachtsschool). In plaats van een Citotoets moesten de leerlingen die voorbestemd leken voor het middelbaar onderwijs op de school van hun keuze een toelatingsexamen maken in de vier basisvakken rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Aan de poort werd toen nog streng gecontroleerd.

Veel leerlingen gingen binnen dezelfde gereformeerde scholenvereniging over naar het voortgezet onderwijs. De rector van het gereformeerd gymnasium was voorzitter in het bestuur van de Oosterparkschool, en zo waren er meer kruisverbanden binnen die schoolvereniging aangebracht om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen.

Het schoolhoofd was vrijgesteld van lesgeven om de schooladministratie, inkoop van leermiddelen en onderhoud van het gebouw te regelen. Er liep geen staf rond. Hij verving zo nodig zieke onderwijzers, maar die waren zelden ziek. Ik herinner mij het enkele geval dat in het derde leerjaar onze onderwijzer de school verliet omdat hij depressief was geworden. Hij had in Nederlands-Indië in een krijgsgevangenkamp gezeten en had tot de bevrijding aan de beruchte spoorlijn in Birma gewerkt.

De tijden van toen komen gelukkig niet meer terug, maar het kan verfrissend zijn om de onderwijsdoelen en de uitvoeringsnormen van vandaag eens te vergelijken met de toenmalige. Al was het maar om met een glimlach naar de onderwijsstakingen van vandaag te kunnen kijken.

undefined

Meer over