En hopelijk zag Potter dat het goed was, of niet

Een èchte Potter leek me Karaoke. Zondagavond maakte de BBC een begin met deze nieuwe serie, die genoemd is naar een Japanse variant van het ons bekende playback....

WILLEM KUIPERS

Overeenkomstig de laatste wens van de schrijver worden beide televisie-drama's de komende weken niet alleen door de BBC maar ook door het commerciële station Channel Four vertoond. Potter stond op deze dubbele uitzending, omdat hij er absoluut van overtuigd was dat een massaal publiek de dingen die hij te zeggen had kon begrijpen en zou waarderen, als ze de kwaliteit hadden van The Singing Detective of Pennies From Heaven.

Ik weet niet of de Britse commerciëlen voor dàt argument zijn gezwicht - het kan ook uit piëteit met de stervende zijn geweest -, het is in elk geval een feit dat niet eerder een zo groot publiek de kans krijgt om kennis te nemen van drama dat de gemelijke soaps verre te boven gaat.

Van gene zijde zal Potter hopelijk met voldoening het kijkgedrag in Engeland en elders volgen, want als er iemand geloofde in de mogelijkheid om via de beeldbuis dingen te tonen, die gemeenlijk aan de literatuur, het theater en de (betere) film zijn voorbehouden (en dus aan een beperkt publiek), dan was hij het wel. Die houding maakt je nieuwsgierig, niet alleen naar de man zelf, maar ook naar zijn drijfveren, die ongetwijfeld te maken hebben met zijn eigen 'volkse' achtergrond.

Als zoon van een mijnwerker, die journalist werd en bij wie al in 1961 de eerste symptomen van de ziekte die hem ten slotte sloopte werden geconstateerd, moet hij gedacht hebben dat wat voor hem telde ook voor anderen - die niet in Oxford of Cambridge hadden gestudeerd - interessant kon zijn. Televisie was voor hem, net als de literatuur, het theater en de film in de tijd dat schrijvers en regisseurs juist de ongeschoolden wilden bereiken, een vorm van sociaal-democratische 'volksverheffing', voor iedereen, en zo bezien was televisie voor hem een zegen.

Ik schrijf dat zo op omdat ik in The Times Literary Supplement twee biografieën over hem besproken zag, die de recensent verleidden tot de openingszin: 'Dennis Potter had de verbeeldingskracht van een Oud-Testamentische profeet.' Daar zit wel iets in. In elk geval maakt het je nòg nieuwsgieriger naar deze man. Jammer is het dan om met Peter Kemp, de schrijver van deze recensie, te moeten constateren dat noch het levensverhaal van W. Stephen Gilbert (Fight and Kick and Bite. The Life and Work of Dennis Potter, Hodder and Stoughton, £ 18,99), noch het levensverhaal van John R. Cook (Dennis Potter. A Life on Screen, Manchester University Press, £ 14,99) erg geslaagd te noemen is.

De beste is, volgens Kemp, nog de biografie van Cook, maar die heeft zoveel trekken van een soort doctoraalscriptie dat je struikelt over de ongelukkige formuleringen. Dat moet dus overgedaan worden, misschien wel door Kemp zelf, die een boek schreef over H. G. Wells en er blijk van geeft Potter en zijn gefrustreerd-christelijke intenties te begrijpen. Maar zo ver is het voorlopig nog niet. Wie op grond van Kemps bespreking beide biografieën laat voor wat ze zijn, maar wil weten hoe deze twee stukken van Potter in elkaar steken, kan ze vinden in een bundel van Faber and Faber (¿ 32,95).

De nieuwste Updike, In the Beauty of the Lilies (Hamish Hamilton, £ 16,-) heb ik nog steeds niet kunnen inzien, maar ik kon me tevreden stellen met een zeer uitgebreide en buitengewoon vileinige bespreking door Updike's aartsvijand Gore Vidal in de TLS van 26 april. Het gevaar is groot dat zulke essays, van uiterst capabele stilisten over wereldwijd gelauwerde collega's, je de lust benemen de boeken waar ze over gaan, nog te lezen. Ik had tenminste na deze kritiek van Vidal sterk het gevoel dat ik In the Beauty of the Lilies wel over kon slaan en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Er wordt zoveel, en zeker in sommige buitenlandse bladen, vaak zo goed over boeken geschreven, dat je aan het lezen van dergelijke opstellen alleen al een dagtaak kunt hebben. Maar het is nog erger: je komt door die stukken in een andere, meta-literaire wereld terecht, die soms boeiender is dan die van de, zoals dat heet, primaire literatuur. Zou het een afwijking van een beroepslezer zijn? Of ben ik, geestelijk gezien, al zozeer een televisiekijker geworden, dat ik de literatuur alleen nog maar zappend tot me neem?

Moeilijke vragen, die veel zeggen over ons zogenoemde postmoderne tijdsgewricht, waaraan de poëzie - momenten van stilte, ogenblikken van concentratie - dreigt te ontvallen. De Tsjechische schrijver Michal Viewegh moet weten waar ik op doel en dat maakt hem voor mij extra de moeite waard. Hij debuteerde enkele jaren geleden met de roman Te gekke jaren, waarin hij de draak stak met het communisme in zijn land. Dat is nu weg. Tsjechië heeft een flinke sprong voorwaarts gemaakt, de speeltuin van het westerse liberalisme in.

In De opvoeding van Boheemse meisjes laat Viewegh zien dat hij wat zijn land betreft de vinger aan de pols blijft houden. Hij voert een jonge leraar op - gehuwd, één dochter -, die van een puissant rijkgeworden landgenoot de opdracht krijgt zijn dochter Beáta met schrijven te helpen. Vader denkt dat zijn door en door verwende oogappel dat wil, schrijven, en de leraar doet zijn best. Die worsteling wordt door Viewegh met veel gevoel voor humor beschreven, wat hem niet verhindert ook nog de gang van zaken in het modern-geworden Tsjechische onderwijs - met een schoolhoofd als een manager in een Amerikaanse Jeep - indringend te verbeelden.

Er gebeuren kortom in Tsjechië tegenwoordig dingen, waaraan wij allang gewend zijn, maar die dáár nog, althans door Viewegh, als nieuw worden ervaren. Bijvoorbeeld dat de hele literatuur een farce geworden is, waarin niemand meer gelooft. Viewegh heeft zijn vormgeving bij deze treurige gedachte aangepast door zijn ik-figuur, die behalve leraar ook schrijver is, een postmoderne roman te laten schrijven, waarin het ook over het schrijven gaat. Het is een 'kunstgreep', die Viewegh in staat stelt meta-literatuur en het genieten van een goed verhaal met elkaar te vermengen. Een wankel evenwicht, waaraan de lezer nog nèt het gevoel overhoudt, dat het kàn, literatuur in dit zappende tijdsgewricht (vertaald door Edgar de Bruin, Wereldbibliotheek, ¿ 34,50).

Ook bij een heel ander boek, de roman Meisje niemand van de Poolse auteur Tomek Tryzna, kwam ik oog in oog te staan met de huiveringwekkende vraag of het niet gewoon afgelopen is met de literatuur, nu iedereen televisie kijkt of op het internet verwijlt. Niet Tryzna bracht me op die gedachte, maar de Poolse Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz, die een beschouwing over Meisje niemand begint met de opmerking dat hij het boek bij toeval in een winkel tussen de kinderboeken vond. Hij schrijft: 'Tomek Tryzna's roman Meisje niemand heeft als ondertitel ''een geheimzinnige roman over het volwassen worden'', en nadat ik het boek had gekocht en (in één adem) had uitgelezen, kwam ik tot de conclusie dat deze ondertitel eigenlijk zou moeten worden uitgebreid met de vermaning: ''alleen voor volwassenen'', ja zelfs ''alleen voor lezers van boven de veertig'', oftewel de leeftijd waarop het ooit vrome joden was toegestaan de boeken van de Kabbala te lezen.'

En vervolgens gaat Milosz uitvoerig in op dit in zijn ogen prachtige boek over 'de liefde' (van een drietal vijftienjarige meisjes) en wat hij zegt is niet alleen helder en overtuigend, maar ook een huldebetoon aan dit werk van Tryzna, een vorm van literatuur die bewijst dat een verhaal ook op het hoogste intellectuele niveau nog steeds zijn waarde bewijst, zonder dat er voortdurend òp de literatuur gereflecteerd wordt, of óver het schrijven geschreven wordt. Milosz ziet Meisje niemand desondanks als een waarachtige postmoderne roman, maar dan een op zijn Pools, dat wil zeggen, 'met een flinke dosis historisch-maatschappelijke bezorgdheid', terwijl de schrijver er niet voor terugdeinst een loopje met de lezer te nemen.

Ik was zo gegrepen door het waardige, rustige pleidooi van Milosz, die zelf een groot dichter is, dat ik op het moment dat Meisje niemand in de winkel ligt - na 9 mei - er uren de tijd voor ga nemen, ditmaal niet zoals in het geval van Updike - die ik trouwens helemaal niet zo'n geweldige schrijver vind - ontmoedigd door het niveau van de kritiek. U ziet hoe ingewikkeld die dingen zijn. Meisje niemand verschijnt bij De Geus (vertaald door Karol Lesman, ¿ 49,90).

Jeroen Brouwers schreef over W. F. Hermans in Brussel, een documentaire over de banden die de vorig jaar overleden schrijver al vroeg met de Belgische hoofdstad had: Het aardigste volk ter wereld (Atlas, ¿ 29,90). Aan Jan Wolkers werd een Schrijversprentenboek gewijd: Tijd bestaat niet, waarin opgenomen een gesprek van Hella S. Haasse met dit 'dubbeltalent' (De Bezige Bij, ¿ 49,50). Marten Toonder gaat verder over zichzelf in het derde en laatste deel van zijn autobiografie: Onder het kollende meer Doo (De Bezige Bij, ¿ 39,90; ¿ 49,90 gebonden). Van M. Nijhoff werden Brieven aan mijn vrouw gepubliceerd, bezorgd door Andreas Oosthoek (Bert Bakker, ¿ 39,90). En Mariëtte Haveman, hoofdredacteur van Kunstschrift, breekt in Het feest achter de gordijnen een lans voor negentiende-eeuwse schilders als Jean-Léon Gérome, James Tissot, Jules Bastien-Lepage en Lourens Alma Tadema (De Bezige Bij, ¿ 49,90).

Van Abel Herzberg verscheen het derde deel van zijn Verzameld Werk (Querido, ¿ 65,-). Jan Versteeg vertaalde 'Julie', 'Madame Edwarda', 'Het onmogelijke', 'Charlotte d'Ingerville' en 'Sainte' van Georges Bataille, de grote Franse schrijver die als geen ander 'dood' en 'liefde', eros en thanatos met elkaar heeft verbonden in zijn soms gruwelijke en schokkende, zeer filosofisch getinte verhalen (Het onmogelijke, Arena, ¿ 44,90). En toen had ik nog drie boeken over, twee over Zuid-Afrika en één over Israël. Het laatste, De minnaar van A. B. Yehoshua, beviel me nog het meest. Het speelt zich af tijdens de Jom-Kippoeroorlog, als een jongeman, Gavriël, die als minnaar van de vrouw zijn opwachting heeft gemaakt bij een wat ouder echtpaar, spoorloos verdwijnt en de man hem gaat zoeken (vertaald door Ruben Verhasselt, Wereldbibliotheek, ¿ 46,-).

André Brink laat in Zandkastelen een jonge vrouw aan de vooravond van de eerste vrije verkiezingen in Zuid-Afrika uit Engeland naar haar grootmoeder terugkeren, die bij een aanslag zwaar gewond is geraakt. Herinneringen aan Zuid-Afrika zoals het was, worden vermengd met de dreigende werkelijkheid, waartegen alle personages zich lijken te wapenen (vertaald door Rob van der Veer, Meulenhoff, ¿ 49,90). Iets van die sfeer tref je ook aan in het (tweede) boek van Henk van Woerden, Tikoes. Van Woerden, die in Zuid-Afrika is opgegroeid, laat in dit boek zijn verteller in het gezelschap van een vriendin, Tikoes, die in Duitsland bijna aan de drugs ten onder is gegaan, door het huidige Zuid-Afrika reizen, een tocht die beiden in staat stelt hun kwetsuren te tonen (Balans, ¿ 34,90).

Meer over