En Barre!

Een appèl om in beweging te komen, dat wil Révolution van Olivier Dubois zijn. En een ander soort paaldans.

'Lopen, dat is het leven zelf. Het is de vraag van het bestaan, de queeste, het ritme, de vrijheid om te besluiten dat je wilt gaan, met alle inspanning die daarbij hoort en de nieuwe vergezichten die dat opent. Een mars, dat is een gezamenlijke inspanning, maar niet die van een wedstrijd. Zo moet je Révolution zien: als een onophoudelijke revolutionaire mars, niet om ten strijde te trekken, maar om de aarde anders te laten bewegen.'

Olivier Dubois kan het mooi vertellen. Mooier dan de gemiddelde choreograaf, die immers gewend is beweging te gebruiken om zich uit te drukken. Dat komt: Olivier Dubois had een late roeping; tot zijn 23ste was hij gewoon student aan de universiteit. Pas toen kwam de drang om te gaan dansen. 'Mijn studie heb ik keurig afgemaakt. Daarna gaven mijn ouders me een jaar de tijd de dans te ontdekken.'

'Sindsdien heb ik het gevoel dat ik verloren tijd moet inhalen; ik heb altijd haast, ben bang iets te missen en nieuwsgierig naar alles wat ik niet ken. Met dans ben ik begonnen om nooit meer op te houden. Het is als een vuur dat me achtervolgt en dat ik voor moet blijven om niet te verbranden. Uitputtend, maar ook zeer bevredigend.'

Hij is nu bijna 40 en heeft een loopbaan gehad waarvan veel dansers dromen. Danste bij Angelin Preljocaj en Sasha Waltz, kreeg een paar jaar lang grote rollen bij Jan Fabre, die een grote invloed op hem zou hebben. 'Fabre heeft me laten groeien, me helpen zoeken naar wat in me schuilgaat. Ik heb enorm veel respect voor hoe hij werkt.'

Met Fabre speelde hij in 2005 op het Cour d'Honneur in Avignon in het geruchtmakende spektakel Je suis sang. Daar werd de kiem gelegd voor de volgende stap. De vraag kwam of hij een kleine voorstelling wilde maken voor Avignon, een jaar later. Sindsdien is Olivier Dubois steeds meer choreograaf, en minder danser. Hij maakte solo's, een mannenstuk voor de dansers van het Ballet de Monte Carlo en Faune(s), een variatie op de schepping van Nijin-sky. Festivals weten hem te vinden. Hij kreeg opdrachten voor Avignon (2012), Marseille culturele hoofdstad (2013) en Den Bosch, vanwege de herdenking van Jeroen Bosch in 2017.

Maar eerst is er Révolution, een dans voor elf vrouwen - al wisselt het aantal per voorstelling.

Op het podium staan elf stalen buizen, verticaal. Terwijl de eerste roffel van Maurice Ravels Boléro klinkt, uit duizenden herkenbaar, grijpen de danseressen met hun rechterhand een buis en lopen er, op de maat van de muziek, omheen. Zes passen, op de ploppen van de bas.

Terwijl de danseressen hun rondes maken, komt de Boléro geen stap verder. De roffel blijkt een loop, het lopen wordt een obsessie. Het besef van tijd verdwijnt, er is alle gelegenheid de danseressen eens goed te bekijken, te zoeken naar kleine verschillen, te bedenken hoe dit verder moet.

Dan, als een stipje aan de horizon, schemert een schim van de melodie van de Boléro door de roffels. De melodie wordt krachtiger, in de dans komt tekening. De bewegingen versnellen of vertragen, er ontstaan variaties, de onverstoorbare synchroniteit wordt doorbroken. Tegen de tijd dat Ravel in triomfantelijke hevigheid volledig ontbolstert, maken de danseressen diagonalen en draaien; ze zwiepen om hun paal, komen los van de grond, verpakken van hand. Als het laatste koper verstomt, komt de machinerie hijgend tot stilstand. We zijn twee uur en een kwartier verder.

'Al tien jaar geleden had ik eens tegen een vriend gezegd: ik wil een stuk maken met vrouwen aan de verticale barre', vertelt Dubois. 'Dat is zo'n subtiel en rijk object om mee te dansen. Ik weet het, er zitten seksuele connotaties aan vast. Maar voor mij is het geen fallus, eerder een lans, of een boom met diepe wortels. Het is een houvast voor hen.'

De kunst is de laatste verzetshaard, zegt Dubois. En het lichaam is de arbeider van de kunsten - woorden waarin het gedachtengoed van Fabre doorklinkt. De Boléro heeft voor hem dezelfde esthetiek. 'Dat is arbeidersmuziek, een compositie die het begin van de industriële tijd oproept, maar tegelijk iets broeierigs en oriëntaals heeft.' Voor hem is Révolution een appèl om in beweging te komen. Een oproep, gedaan door (vanavond) elf danseressen, sprekend met één stem.

'Dit werk is als een manifest, daarom was het belangrijk dat de danseressen met hetzelfde in gedachten zouden vertrekken. Het lopen mocht geen draaien worden. Denkende danseressen heb ik gezocht, of eigenlijk: vrouwen. Het gaat om hun aanwezigheid, die bescheiden is, maar ook sereen. Ze dansen in het besef dat ze vertrouwen krijgen.'

Révolution vraagt wel wat van het publiek. Bij de voorstelling die ik zag was de zaal onrustig. Toeschouwers vertrokken of vielen in slaap, iemand riep na een half uur: Genoeg! 'Een avond eerder was het briljant', zegt Dubois. 'Nu woog de vermoeidheid mee. Het publiek was moeilijker en minder aandachtig, het is een voorstelling die wat vraagt. Toch, de danseressen hebben het stuk prachtig verdedigd.'

In het applaus na afloop klonk veel bewondering door voor het fysieke beulswerk dat zojuist was verricht. 'Ik had eigenlijk een voorstelling van ongeveer drie uur in gedachten', zegt de choreograaf. 'Maar dat wilden de theaters niet. Lichamelijk zouden de danseressen dat wel aankunnen. Het gaat er om dat het geen strijd wordt, ze moeten waardig en beheerst blijven. Ik wil niet meemaken dat ze aan de barre instorten.'

Révolution van Olivier Dubois. In Theater Bellevue, Amsterdam: 10 en 11 juni (20.30 uur). hollandfestival.nl

Revolutionaire Ravel

De Boléro van Maurice Ravel was van meet af aan balletmuziek. Ravel schreef het stuk in 1928 in opdracht van de Russische ballerina Ida Rubinstein. De structuur is ongebruikelijk. De Boléro is bedoeld voor een orkest in volledige bezetting, maar de instrumenten nemen om beurten de hoofdrol. Ravel speelde de melodie tijdens een vakantie in Sant-Jean-de-Luz met één vinger op de piano en zei: dit thema heeft kwaliteit, ik zal het herhalen zonder dat het zich ontwikkelt. En zo gebeurt: de fluit zet in, dan volgt de klarinet, totdat in de finale het hele orkest meedreunt in fortissimo possibile - zo hard als mogelijk.

Olivier Dubois rekt in Révolution de grenzen van het muziekstuk nog wat verder op; zijn bewerking van de Boléro blijft lang haken in de eerste maten, om bijna onopgemerkt naar een volgende fase door te glijden. Rechts: Olivier Dubois Foto: Francois Stemmer.

undefined

Meer over