EMU mag niet leiden tot zinloze beleidsconcurrentie

DE EMU zal leiden tot scherpere concurrentie tussen de deelnemende landen op het gebied van investeringen en werkgelegenheid. Een aantal vakbondsbestuurders waarschuwt voor de gevolgen dat dit kan hebben voor de sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden....

MET de komst van de EMU verdwijnen wisselkoersrisico's en worden kosten en afzetprijzen beter vergelijkbaar. Daarmee zal de bestaande internationale concurrentie om investeringen en werkgelegenheid binnen te halen, worden verscherpt. Wil de EMU bijdragen aan de welvaart in Europa, dan moet de EMU-agenda worden aangevuld met een Europees werkgelegenheidsbeleid en coördinatie op het gebied van arbeidsvoorwaarden.

De beleidsconcurrentie zal zich vooral afspelen op een drietal terreinen: belastingen, sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden. Zonder aanvullend beleid dreigt een 'tax-race to the bottom', verdere afbraak van sociale zekerheid en 'haasje-over' in verslechtering van arbeidsvoorwaarden.

EMU en Stabiliteitspact beperken de concurrentie tussen landen tot in hoofdzaak twee zaken: productkwaliteit en kosten per eenheid produkt.

Belastingen zijn een aanzienlijke kostenpost voor ondernemingen. De EMU-landen zullen elkaar gaan beconcurreren met gunstige tarieven voor vennootschapsbelasting, inkomsten- en loonbelasting en andere tarieven zoals de vermogensbelasting. Dalende belastinginkomsten zullen het gevolg zijn. Aangezien de financieringstekorten terug naar nul moeten, zal dit tot bezuinigingen leiden. Grote uitgavenposten als sociale zekerheid, onderwijs en zorg zijn dan al snel aan de beurt.

Om te voorkomen dat de EMU-landen in een neerwaartse spiraal van belastingverlagingen en bezuinigingen terecht komen, zijn afspraken nodig over Europese bodems in de belastingtarieven. De harmonisatie op belastinggebied zou gepaard moeten gaan met een beleid gericht op een verschuiving van de lasten op arbeid naar btw en milieugebruik.

Op het terrein van arbeidsvoorwaarden zal de EMU tot een versterking van de beleidsconcurrentie tussen vakbonden leiden. Een voorbeeld hiervan is de overplaatsing van stofzuigerfabrikant Hoover van Frankrijk naar Schotland. De Schotse bonden boden forse loonmatiging aan en zegden toe voor lange tijd niet te zullen staken.

Het succes van het Nederlandse 'poldermodel'; de ruil tussen beperkte loonstijging en werkgelegenheid in geregeld overleg tussen partijen, is in zekere zin gebasseerd op dezelfde principes. Van deze beleidsconcurrentie zal de Nederlandse werkgelegenheid in eerste instantie profiteren. Bij de introductie van één munt zal de geringere stijging van de Nederlandse loonkosten er immers voor zorgen dat dit ook werkelijk leidt tot een verbetering van onze concurrentiepositie. In het verleden bleef dit effect vaak uit omdat de gulden steeds duurder is geworden. Voor Nederland is het dan ook van belang dat de toetredingscriteria volgend jaar soepel worden toegepast, zodat veel landen kunnen meedoen. Het zou zonde zijn als het dubieuze begrotingscriterium van 3 procent een monetaire eenwording in de weg zou staan.

Bij één munt kunnen andere EMU-landen hun hogere loonkostenstijging niet meer compenseren via een goedkopere munt. Wanneer hun concurrentiepositie verslechtert en de werkgelegenheid daalt, zullen de vakbonden in deze landen het Nederlandse voorbeeld van matiging snel volgen. Er dreigt dan een situatie te ontstaan waarin Europese vakbonden elkaar noodgedwongen gaan beconcurreren met een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.

Als elk land even hard matigt ziet geen enkel land zijn concurrentiepositie verbeteren, maar moeten de werknemers wel blijvend offers brengen. Dat wil overigens niet zeggen dat vakbonden zeer hoge looneisen kunnen gaan stellen zolang ze het maar gezamenlijk doen; de wereldmarkt is groter dan Europa. Bovendien toont Nederland aan dat loonkostenbeheersing met name via winst- en investeringsherstel tot veel banen leidt.

Echter, indien er overal in Europa gelijktijdig wordt gematigd, zal die loonmatiging wel tot negatieve bestedingseffecten leiden. Immers ook al is een Europa met EMU geen eiland, we moeten ons realiseren dat ruim 90 procent van de Europese produktie binnen Europa blijft.

Europese vakbonden zullen dus in de toekomst samen moeten bepalen wat evenwichtige looneisen zijn. Tevens zullen Europese vormen van bi- en tripartite overleg en coördinatie aan de totstandkoming van Europese welvaart bijdragen. Daarop moet de kracht van het Europese economische blok gebaseerd zijn.

Daarnaast mag van de overheden in Europa een zelfstandige bijdrage aan het werkloosheidsprobleem worden verwacht. In plaats van elkaars verzorgingsstaat onderuit te halen via steeds strengere begrotingsnormen en beleidsconcurrentie op belastingen, biedt de eenwording juist mogelijkheden voor een offensieve aanpak.

Wanneer de overheid een bestedingsimpuls geeft in een kleine open economie als die van Nederland, dan zal dat voor een groot deel ten goede komen aan bedrijven uit andere Europese landen, gezien het grote aandeel van hun produkten in onze aankopen. Bij een gezamenlijke Europese investeringsimpuls, zoals bepleit door Santer, de voorzitter van de Europese Commissie, profiteren de landen dus van elkaars stimulansen.

Er zal nog veel moet gebeuren voordat Europese werknemers meer vertrouwen krijgen in de EMU. Coördinatie op belastinggebied om de sociale zekerheid te kunnen behouden en investeringsimpulsen voor meer banen zullen burgers meer aanspreken dan het blindstaren op de vraag of een land met een iets te hoog financieringstekort wel of niet mag meedoen.

R. Colard (Voedingsbond FNV), M. Depla (FNV Dienstenbond), K. Douma (Industriebond FNV), T. Heijnen (Bouw- en Houtbond FNV), R. Leering (Industriebond FNV), R. Paping (AbvaKabo), M. Schuit (vakcentrale FNV), M. Vieregge (Vervoersbond FNV) en M. Wilke (AbvaKabo).

Meer over