Emancipator van de conga's

Veel muziekliefhebbers zullen hem slechts associëren met twee dingen: de grote hit die hij had met Herbie Hancock's Watermelon Man, en het feit dat hij de auteur is van Afro Blue, een van de bekendste stukken in het repertoire van John Coltrane....

In zijn geboortestad Havanna, waar hij zijn professionele loopbaan begon, kwam hij al vroeg in aanraking met jazz, vooral door de platen van Dizzy Gillespie en diens congaspeler Chano Pozo, die grote invloed op hem uitoefende. Nadat hij zich in 1950 in Amerika had gevestigd, speelde hij eerst mambo bij Perez Prado en Tito Puente, maar daarna zou de mengvorm van jazz en Latin, met een aanstekelijke scheut rhythm & blues erdoor, zijn oeuvre verder bepalen.

Aanvankelijk in het combo van vibrafonist Cal Tjader, dat een populaire, licht verteerbare vorm van fusion speelde, maar later vooral met zijn eigen groepen. Daarin keek hij tegelijkertijd terug en vooruit.

Het album Yambu uit 1958 bevatte authentiek Cubaanse, rituele percussie met West-Afrikaans georiënteerde gezangen, maar een jaar later duidde Mongo, met zijn versie van Afro Blue, op een levendige belangstelling voor moderne jazz.

In 1962 kwam Watermelon Man, de enige pophit van het jazzlabel Riverside. Met andere pakkende songs, een eigen geluid en topmusici als Chick Corea, zou hij tot in de jaren zeventig jagen op een soortgelijk succes. Dat bleef uit, en Mongo keerde steeds meer terug naar zijn roots, tot hij enkele jaren geleden stopte met optreden.

Volgens percussionist Bobby Sanabria was Santamaria's voornaamste bijdrage de emancipatie van de conga's, zijn hoofdinstrument, die hij de melodische expressiviteit gaf die voorheen aan de bongo's was voorbehouden. Van groot belang was ook dat hij altijd het Afrikaanse aspect van de Cubaanse muziek bleef benadrukken. Een goede introductie tot zijn werk is de Rhino-compilatie Skin On Skin: The Mongo Santamaria Anthology 1958-1995.

Meer over