Elk kind lijkt wel potentieel risicogeval

Ouders, buren, tantes, grootouders moeten zich samen weer gaan bekommeren om de opvoeding van kinderen en jongeren, betogen Micha de Winter en Krijn van Beek....

Micha de Winter en  Krijn van Beek

De behoefte aan jeugdzorg stijgt en wordt de komende jaren alleen maar groter. Het aanpakken van de wachtlijsten alleen zal niet helpen, we moeten gaan investeren in de sociale omgeving van kinderen.

Een collega die op vakantie was in Hongarije, constateerde een enorm verschil tussen Hongaarse en Nederlandse zwembaden. De Hongaarse zwembaden werden bevolkt door hele families, vaak drie generaties sterk. De sfeer was opvallend rustig, er was weinig ongeremd gedrag van kinderen, en openlijke correctie zag ze nauwelijks.

In Nederlandse zwembaden zie je weinig menging. Hier heb je trimzwemmen voor kleuters, discozwemmen voor pubers, moederzwemmen en waterpret voor senioren. Wij houden de generaties graag gecheiden om het zo iedere zwemconsument naar de zin te maken. Daarmee hebben we echter een vanzelfsprekende vorm van sociale controle weggeorganiseerd, waardoor kinderen de neiging krijgen zich als ongeleide projectielen te gedragen.

De Nederlandse samenleving is voor kinderen en ouders sterk veranderd. Alle kinderen zijn potentiële risicogevallen geworden, die we continu in de gaten moeten houden, zodat de overheid op tijd kan ingrijpen. Deze situatie is onze minister van Jeugd en Gezin en de Jeugdzorg boven het hoofd aan het groeien.

Waarom is het grootbrengen van kinderen voor veel mensen zo moeilijk geworden, waarom zijn er zoveel risicokinderen en waarom is er zoveel bemoeizorg van de overheid? Problemen in gezinnen worden tegenwoordig vaak door een klinische bril bekeken: veel ouders schieten tekort in opvoedingsvaardigheden of hebben zelf zodanige problemen dat ze een risico vormen voor de ontwikkeling van hun kinderen. Wat je ook door die bril ziet, zijn steeds meer kinderen met een gedrags- of ontwikkelingsstoornis, zoals PDD, ADHD of misschien wel ADSL. We zien algemene verschijnselen als individuele problemen en risico’s, en dat leidt bijna onherroepelijk tot steeds meer professionele interventies.

In de geneeskunde wordt een dergelijke manier van denken het ziektemodel genoemd: kijken naar ziekte en proberen die te voorkomen of te genezen. Maar als je de gezondheidstoestand van de bevolking wilt verbeteren, moet je ook aan gezondheidsbevordering doen. In het verleden betekende dat bijvoorbeeld het aanleggen van riolering en de zorg voor schoon drinkwater, en in onze tijd gaat het om het bewaken van de voedselkwaliteit, de kwaliteit van het leefmilieu en, bijvoorbeeld, de verkeersveiligheid. Dat zijn beleidsmaatregelen die uitermate effectief zijn voor de gezondheid en levensverwachting van mensen.

Analoog daaraan moeten we ook met een andere bril leren kijken naar problemen in de opvoeding. Opvoeden heeft alles te maken met de manier waarop gezinnen zijn ingebed in de sociale omgeving. Veel ouders zien opvoeding als de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Maar kinderen ontwikkelen zich het beste door te leven in een rijk sociaal netwerk met langdurige relaties. Daar kunnen ze observeren hoe andere families reilen en zeilen, kunnen ze vergelijken, kunnen ze vanzelfsprekend en veilig feedback krijgen op de dingen die ze doen.

Sociale relaties in de woonomgevingen zijn echter aan het verbrokkelen. We werken elders, familie woont elders, we winkelen elders, we sporten elders, we hebben in ons sociale leven tal van ruimtelijke en generationele scheidingen aangebracht. Hiervan ondervinden gezinnen en kinderen de nadelen. De kunst is om de benodigde sociale netwerken rond gezinnen te organiseren.

In hun advies Investeren rondom kinderen kijken de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid met een andere bril naar het jeugdbeleid. Het sociale klimaat waarin kinderen opgroeien, vertoont zorgwekkende tendensen. De verbrokkeling van sociale relaties in de woonomgeving werpt mensen steeds meer terug op zichzelf, waardoor voorbeelden ontbreken en onderlinge ondersteuning verdwijnt. De overheid ziet zich verplicht als een soort hulpopvoeder voor elk kind klaar te staan. Het zorgelijke is dat die suggestie ook nog eens een enorm zelfversterkend effect heeft: als de dingen bij de buren niet helemaal fijn lijken te gaan, stappen we er niet op af, maar bellen we een meldpunt.

Om dit tij te keren, heeft de sociale omgeving van gezinnen versterking nodig. De tendens van nu is om steeds meer ‘achter de voordeur’ te kijken. We hebben echter meer beleid 'voor de voordeur' nodig, een beleid dat bewust ontmoeting tussen gezinnen en generaties bevordert. Kinderdagverblijven, scholen – ook middelbare scholen en roc’s – en sportverenigingen hoeven bijvoorbeeld maar heel kleine inspanningen te verrichten om volwassenen en kinderen op een leuke en inspirerende manier bij elkaar te brengen.

Ook denkbaar is een ruimtelijk beleid dat bewust functiemenging nastreeft. Iets simpels als het aanleggen van voortuintjes in nieuwbouwwijken blijkt de burencontacten enorm te kunnen bevorderen. Maar we moeten ons ook richten op de vraag hoe we werken, winkelen en recreëren op een nieuwe manier in de leefomgeving kunnen brengen. Waarom? Omdat ze een vergeten, veronachtzaamd onderdeel van de sociale omgeving vormen, dat kinderen hard nodig hebben om op te groeien tot actieve en betrokken burgers.

De nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin kunnen hierin een constructieve rol spelen. Ze moeten zich dan wel realiseren dat niet elk opvoedingsprobleem zich laat oplossen met behulp van professionele cursussen, risicotaxaties en therapie. Gewapend met hun nieuwe bril zouden ze sociale relaties tussen opvoeders kunnen gaan bevorderen, kunnen gaan stimuleren dat mensen zelf met elkaar over het opgroeien in hun buurt gaan spreken, dat er werk wordt gemaakt van de dialoog tussen jong en oud, bijvoorbeeld over zinvolle vrijetijdsbesteding of het tegengaan van overlast in de buurt.

Een beleid dat op deze manier het sociale opvoedingsklimaat weet te bevorderen, leidt ertoe dat de opvoeding van kinderen en jongeren weer meer een zaak wordt van burgers zelf en vooral van burgers onderling. Dat is beter voor kinderen – voor alle kinderen – en een stuk goedkoper dan een almaar uitdijende jeugdzorg.

Meer over