'Eigenlijk vind ik het veel te vroeg'

De jaren gaan tellen. Vut of pensionering ligt in het verschiet. De een staat te popelen, de ander helemaal niet....

DE rol blauwgrijze stof is voor hem, de zwarte voor haar. Al jaren liggen de lappen, 'echte maatkledingstof', in de kast te wachten tot Jan Timmermans, sergeant bij de kleermakerij van de Koninklijke Marine in Den Haag, tijd heeft om ermee aan de slag te gaan: voor een kostuum voor hem, een mantelpak voor zijn vrouw.

Maatkleding maken, ambachtelijk, voor zijn plezier. Dat is een van de eerste dingen die Timmermans gaat doen als hij over goed een jaar met FLO (functioneel leeftijdsontslag) gaat. Een paar dagen nadat hij vijftig is geworden, stopt Timmermans met werken. 'Eigenlijk vind ik het veel te vroeg, maar ik heb er geen problemen mee. Ik weet dat het eraan zit te komen.'

Na zijn verplichte diensttijd bij de marine, waar hij als gediplomeerd kleermaker aan de slag kon, is hij bijna direct blijven hangen. 'De markt in de burgermaatschappij zakte in; daarom heb ik bijgetekend.'

In tegenstelling tot veel van zijn collega's heeft Timmermans een tamelijk regelmatig, werkzaam leven gehad. Sinds 1979 werkt hij in Den Haag, waar hij verantwoordelijk is voor de PSU, de persoonlijke standaarduitrusting van negenhonderd militairen. Hij maakt de uniformen passend - confectiekleding - en brengt de rangen aan. Soms levert hij maatkleding; officieren bijvoorbeeld krijgen een handgemaakt avondtenue.

'En samen met mijn echtgenote maak ik medailles en batons, de miniaturen waarmee op het dagelijkse tenue de modelkruisen worden weergegeven. Door de drukte is dat werk afgestoten en maak ik de medailles nu thuis - en straks ga ik daarmee door. Het hoort bij het uniform.'

Wie bij de marine werkt gaat, afhankelijk van zijn rang, met zijn 50ste, 52ste of 55ste met FLO. Het zware werk aan boord van de schepen, verzeild raken in oorlogssituaties, veel van huis zijn, dat zijn de redenen van dit 'vroege pensioen'. Hij heeft geluk gehad, vindt hij. 'Ik heb maar drie boten gehad. De eerste was de Karel Doorman, maar de vaarperiode was kort, want het schip vloog in brand. Daarna ben ik met de Amsterdam negen maanden in de West geweest. Behalve dat ik kleermaker was, was ik ook belast met het laden van het twaalf-centimeter-kanon. Daarna heb ik nog in de personeelsontsmetting gezeten op de De Ruyter.'

Het werken op een schip noemt Timmermans zwaar. De marineman draait dubbele diensten en is lang van huis. 'Je hebt brandpiket, met wachtlopen doe je mee, en met de oefeningen, want naast je eigen functie heb je een taak voor als het schip in een oorlogssituatie belandt. En als kleermaker had ik natuurlijk ook mijn werk. Je repareert uniformen, maar ik heb ook tafelkleedjes, gordijnen en kussens gemaakt, en stoelen bekleed.'

Kleermakers, maar ook kappers en schoenmakers gingen voorheen standaard mee aan boord. Nu varen ze alleen nog mee op echt lange reizen. Bovendien wordt hun werk steeds meer overgenomen door burgerpersoneel. Ook op de plek van Timmermans komt er straks een 'burgerambtenaar', die gewoon tot zijn 60ste, 62ste moet werken, schat Timmermans.

'Ik beschouw mezelf niet als doorsnee-marineman. Een machinist van vijftig jaar heeft het op die leeftijd echt wel gehad en kun je gemakkelijk vergelijken met iemand die in de burgermaatschappij 65 jaar is. Ik heb genoeg collega's van wie alleen de kennissen van hun vrouw ook hùn kennissen zijn. Ik heb kunnen deelnemen aan het verenigingsleven, heb mijn eigen vriendenkring opgebouwd, heb daardoor een normaler leven gehad dan veel van mijn collega's.'

Timmermans heeft niet echt het idee heeft dat hij straks stopt. 'Ik heb zo veel te doen. Ik ben actief voor de VBM, de belangenvereniging van militairen en postactieven. Het ziet er zelfs naar uit dat ik meer voor de VBM zal gaan doen, omdat de actief dienenden er steeds minder tijd voor krijgen.'

Alleen tegen het afscheid nemen van zijn collega's ziet hij op. 'Dat zit nu eenmaal in mijn aard.' Maar verder is er straks eindelijk tijd voor zijn vele hobby's. Hij is lid van twee muziekverenigingen, één in Leidschendam en één in Vlijmen, waar zijn vrouw vandaan komt. 'Ik speel bastuba, bes-bas, ben helemaal weg van Egeländer-muziek. Ik schrijf muziek en maak arrangementen met behulp van de computer.

'Caruso, de operazanger, is mijn grote hobby. Ik heb zijn complete opnames verzameld. En in mijn schamele vrije tijd werk ik in mijn schuur, doe metaalbewerking. Ik zet fietsen in elkaar, heb zelf een mondstuk gedraaid voor mijn bas, omdat ik de lage tonen nooit goed kon spelen.'

Wie bij de marine met FLO gaat, krijgt 80 procent van zijn salaris. Na vijf jaar wordt dat 70 procent. 'Van de kapper hier weet ik dat je nauwelijks verschil merkt, omdat het vakantiegeld per maand wordt uitbetaald. We hebben geen voorzieningen getroffen. Wel hebben we gespaard bij het Nationaal Spaarfonds, zo'n regeling die na vijftien jaar vrijkomt, maar dat was meer voor als de kinderen zouden studeren.

'Het kan misschien raar klinken, maar geld, daar maak ik me niet zo'n zorgen om. Het gereedschap waarmee ik werk, heb ik door de jaren heen aangeschaft. Hooguit koop ik eens een busje verf. We hoeven niet alles te hebben, we hoeven niet overal aan mee te doen. We hebben bijvoorbeeld nog steeds geen videorecorder, want we hebben toch geen tijd om ernaar te kijken.'

Nanda Troost

Dit is de derde aflevering van een serie.

Meer over