Eigenlijk had René Jorissen nog op de wilde vaart moeten zitten

Matroos was ie, toen hij als zestien jarige aan boord ging van de Dione, een gigantische olietanker...

En matroos was ie, toen hij dertien jaar later in het Rotterdamse Havenziekenhuis te horen kreeg dat het afgelopen was. Dat hij nooit meer mocht varen. Matroos iets anders heeft René Jorissen (1959) ook nooit geambieerd. En als er morgen een schip klaar lag, vertrok hij wéér, een plunjezak over de schouder. Maar hij moet realistisch zijn. Zijn toekomst ligt aan wal.

Diep in zijn hart wist hij ook dat het een keer fout moest gaan. Dat was het risico dat hij had genomen. Sinds hij vroeger zijn broer Joop, die officier was op een vrachtschip, had zien thuiskomen, was hij verkocht.

De verhalen. De hutkoffer die openging en waaruit souvenirs kwamen van ver over zee: koraal, maskers, vreemde gebruiksvoorwerpen, stoffen en kruiden voor hun moeder de geur van exotische streken vulde de

kamer. Dit wilde hij ook. Hij zou geen etaleur meer worden, zoals in de planning lag. Hij moest de wereld over.

Een stevig drinkende stiefvader zette achter die plannen nog wat vaart. René woonde als laatste kind thuis en had het wel gezien. Maar de huisarts kende zijn probleem: 'vallende ziekte' zo werd het toen nog genoemd. Epilepsie.

Als kleine jongen was René was al eens bijgekomen in het Ignatius Ziekenhuis van Breda, met bezorgde gezichten om het bed. En sindsdien was hem dat nog een paar keer overkomen. Varen is voor iemand met epilepsie uitgesloten, dat wist hij, dat wist de arts. Maar toch gaf de man hem twee enorme potten met pillen mee: Depakine en Car ba mazepine. Tweemaal daags en goede reis.

René Jorissen herinnert het zich als een van zijn eerste geluksmomenten: de Dione zien liggen in de haven van Nice 70.ooo ton zwaar, te groot om door het Suez kanaal te kunnen. Dus ging de reis om Kaap de Goede Hoop, een omweg van ruim anderhalve maand.

Veel reizen zouden volgen, vaak in nog grotere tankers, gevuld met olie of chemicaliën. Singapore, Sydney, Bangkok, Madras de lading werd geleverd aan de hoogste bieder, zodat de koers onderweg nogal eens wijzigde. Hij nam souvenirs mee voor moeder als hij een paar weekjes thuis was, jenever voor zijn stiefvader, en wachtte bij de telefoon op nieuwe tijding. Vrienden aan wal had hij toch niet meer.

Lossen en laden, roest bikken, schuren, verven, helpen in de machinekamer, wachtlopen, maar ook barbecuen op het achterdek, jointjes roken en natuurlijk drinken, ontzettend veel drinken.

'Door de bank genomen een leven best waard om geleefd te worden', zegt hij. Als het even kon gingen ze stappen. In Port Saïd of Fort-de-France op Haïti, een van zijn favoriete havens in de Stille Oceaan. Met dromerige Gauguin-meisjes? 'Ja, hoe je ze noemen wilt', zegt hij met een wereldwijze glimlach.

Het leven op zo'n drijvende fabriek, tussen de elementen 'onweer midden op zee, met van die gigantische lichtflitsen, dat is ontzettend imponerend' dat was zijn leven.

Alleen die pillen. Die konden spelbederver zijn. 'Ze maken je suf. Je mag met die dingen al niet eens autorijden, laat staan gigantische kranen en machines bedienen.' Hij verstopte ze in zijn hut, op wisselende plekken. Maar hij leefde ook in de voortdurende angst dat ze een keer gevonden werden.

En toen er weer een hutcontrole op stapel stond, zoals die geregeld gehouden

werden, werd de spanning hem te veel. Hij gooide ze overboord. Voor de kust van Mo zam bique.

Het zou nog jaren goed gaan hij dacht er zelfs niet meer aan. Tot hij, in de haven van Rotterdam, nog even naar zijn kooi ging om te liggen. Hij voelde zich niet helemaal lekker. Een paar uur later werd hij wakker in het Havenziekenhuis met een kapotgebeten tong en wang. De tanker was inmiddels vertrokken en de boodschap van de artsen was onverbiddelijk: nooit meer varen.

Van de rederijen waarvoor hij werkte heeft hij sindsdien nooit meer iets vernomen. Evenmin als van zijn kameraden. 'Snap ik ook wel', zegt hij nu, met een stapeltje daklozenkranten onder de arm. 'Als je geen geld meer oplevert, ben je niks meer waard.'

En zijn maten? Ach, hij haalt er zijn schouders over op. 'Dat is onderdeel van de cultuur van het varen. Als ik het alle mensen zou moeten nadragen dat ze er op belangrijke momenten niet waren, had ik daar een dagtaak aan.'

De wilde ganzen vertrokken naar het zuiden; de witte tamme bleef achter op het erf en keek ze peinzend na. Zo moet het ongeveer gevoeld hebben. Dat is nu zestien jaar geleden. Van de uitgestrektheid van het water was hij plotseling veroordeeld tot de straatjes van Dordt; tot de Wilhelminahaven en de Oude Maas.

Daar stond hij de eerste jaren dan ook urenlang naar passerende boten te kijken. 'Misschien had ik in die tijd met een psycholoog moeten gaan praten', zegt hij, 'misschien had dat geholpen. Maar dat is iets waar ik toen absoluut niet aan gedacht heb.'

Hij raakte verslaafd aan cocaïne en

he roïne het roken van hasj en het drinken gingen daarnaast moeiteloos door. Verslaafd en dakloos. Een paar maanden afkicken, een paar baantjes via uitzendbureaus, en dan weer langzaam voelen dat je afglijdt.

Tegenwoordig slaapt hij nauwelijks meer op straat. Nou ja, gisteren nog, toevallig, omdat het Leger des Heils geen bedden meer vrij had.

Maar nu is er Aukje. Ze hebben precies een jaar een relatie. Hij kent haar van de dagopvang en samen maken ze plannen. Ze hebben verschillende kleine baantjes en sparen voor een huurflatje in Dordt. Aukje is zijn alles, zij geeft zijn leven weer richting. Settelen met haar er is niets liever dat hij zou willen. 'Nou ja' Hij zucht. 'Soms denk ik: misschien Het zou een wonder zijn als' En met een geschrokken blik naar zijn vriendin. 'Maar dan op een heel groot schip. Dan kan zij ook mee. Toch, Auk?'

Meer over