Egon Krenz vindt zijn DDR nog steeds het beste dat Duitsland is overkomen

‘In 1989 heeft het Westen de Oost-Duitsers hun gevoel van eigenwaarde afgenomen.’ Hun oud-leider is er nog boos over...

‘Altijd zien we weer de beelden van mensen die ‘Wir sind das Volk’ scanderen. Welke rol speelt het volk in het herenigde Duitsland, vraag ik me dan af. En welk land hebben ze twintig jaar geleden de rug toegekeerd?’

Krenz, die in 1997 tot een gevangenisstraf van 6,5 jaar werd veroordeeld (waarvan hij er vier uitzat), krijgt het gulle applaus waarop hij had gerekend. Want de toehoorders – een paar honderd bij elkaar – zijn oude getrouwen: gewezen partijfunctionarissen, gepensioneerde officieren van de geheime dienst: oude mannen en vrouwen die ooit in de idealen van het ondergegane land hebben geloofd.

De man voor wie ze vandaag komen, presenteert zijn gevangenismemoires. Hij spreekt de aanwezigen aan als ‘Genossen’ (kameraden) en ‘liebe Freunde’. ‘Jullie hebben als eerlijke mensen geleefd’, houdt hij hen voor. ‘Jullie hoeven je nergens voor te schamen.’

Krenz bevindt zich op vertrouwd terrein: een in neonlicht gehulde zaal in het Oost-Berlijnse onderkomen van de redactie van Neues Deutschland, de vroegere partijkrant. Op de gangen ruikt het naar vroeger. Aan de wanden hangen foto’s van strijdende arbeiders.

Krenz, die in oktober 1989 Staatsraadvoorzitter (staatshoofd) Erich Honecker opvolgde, zegt in de twintig jaar sinds de val van de Muur veel te hebben nagedacht. Maar tot gevoelens van deemoed heeft deze ‘politieke introspectie’ niet geleid. ‘Daar is ook geen enkele reden voor’, zegt hij. ‘De DDR was het enige Duitsland dat nooit een oorlog heeft gevoerd. Onze grondwet is, anders dan die van de Bondsrepubliek, door het volk aangenomen.’

En op 9 november 1989, de dag waarop de Muur viel, hebben de grenstroepen van de DDR door hun beheerste optreden de wereld voor de grootst denkbare catastrofe behoed. ‘Maar daarvan heeft het Westen allemaal geen kennis willen nemen. Het Westen heeft de Oost-Duitsers hun verleden en hun gevoel van eigenwaarde afgenomen. In het herenigde Duitsland kunnen wij niet zeggen hoe het echt is geweest.’

Krenz wordt met respect bejegend. ‘Sta op!’ wordt een vrouw toegeblaft die de euvele moed heeft hem zittend een vraag te stellen. De vroegere partijleider reageert kribbig op de enige kritische interventie – van een man die begin jaren tachtig enige tijd zonder aanklacht in een DDR-gevangenis zat. ‘Geen rechtssysteem in de wereld is perfect’, gromt Krenz. ‘En iedereen gaat er in het Westen maar van uit dat onze gevangenissen louter door onschuldigen werden bevolkt.’

Ontroerd is hij daarentegen door het verhaal van een vrouw die na de Wende als kind naar het Westen verhuisde, en daar vanwege haar DDR-verleden op school werd gepest. ‘Mijn gelukkige jeugd was op 9 november 1989 ten einde’, zegt ze. Voor het eerst tempert Krenz zijn stemvolume. ‘Waarom moest u dit overkomen? Waarom hebben wij het niet kunnen redden? Ik ben er nog niet uit. Maar één ding weet ik zeker: de terminale fase van het kapitalisme is aangebroken.’

Meer over