Eeuwenoude kogge koestert zijn geheimen

Arabische zeelieden hechten aan hygiëne. Of ze nu op een dhow varen of op een supertanker, vaak hangt aan het achterschip een tentje van wit doek....

Theo Nijenhuis

Europese en Amerikaanse schepen hebben dat niet. Net als thuis moet gepoept worden op een wc. Fris is anders. De riolering is regelmatig verstopt. Wie niet snel genoeg weg is na het doortrekken, kan grondig zijn voeten vegen op de mat of een dweil voor de toiletdeur. Op een modern schip hoef je nooit lang te zoeken naar de wc. Je volgt je neus.

Het is wel eens anders geweest. In 1983, bij de vondst van de resten van een kogschip in Flevoland, werd ook een ondefinieerbaar voorwerp aangetroffen dat iets weg heeft van een Nederlandse variant op de Arabische plank.

Het is een langwerpig, taps toelopend kistje met openingen aan beide zijden. Je zou er op kunnen poepen of in kunnen plassen. Met als resultaat dat de troep in het water loopt in plaats van in een hoek van het bemanningsverblijf, zoals dat in de Gouden Eeuw gebeurde.

De functie van het kistje is een van de kleine raadsels waarop vrijwilligers stuitten bij een reconstructie van het kogschip uit de polder. Je kan zeggen dat zij beschikken over elektrische boren en zagen, maar ze moesten scheepsladingen kennis verzamelen, want de middeleeuwse koggenbouwers werken op gevoel. Bouwtekeningen bestonden niet in de 13de eeuw. De beschikbare hoeveelheid hout bepaalde de omvang van een schip.

Pas in de tijd van de VOC groeide de behoefte aan standaard-schepen, zoals de Batavia in Leystad.

De techniek van het nabouwen van oude schepen is een verrassing op zichzelf. Wie zou op het idee komen om iepenhout te 'wateren'. Om rot te voorkomen werden de stammen weken in stromend water gelegd - met de voet tegen de stroom in - tot het hout zich had volgezogen.

Het is allemaal te volgen in het nieuwste boek van kunstschilder en timmermanszoon Frederik J. Weijs uit Zwartsluis. In een stijl die wordt vergeleken met die van Rien Poortvliet, geeft hij een beeld van het werk op al die werfjes waar anno 2002 wordt gewerkt aan pramen, aken en vispunters.

Weijs' teksten zijn kort, maar niet oppervlakkig. Ze vertellen over breeuwijzers, ventjagers en boetnaalden. Hoewel het boek over scheepsbouw gaat, heet het Scheepvaart. Weijs heeft niets geromantiseerd. Het werk aan de Kamper Kogge bijvoorbeeld - het schip ligt meestal in de oude Hanzestad Kampen - wordt getoond zoals Weijs het gadesloeg, compleet met een 'kasteel', een voorloper van de latere scheepsbrug.

Op publieksdagen liepen de scheepsbouwers rond in middeleeuwse werkkleding. Op andere dagen zie je ze in Scheepvaart met kettingzagen in de handen en oorbeschermers op het hoofd.

Hun achtergrond geeft Weijs ook. Het zijn veelal jongeren wier familie geen band heeft met visserij, marine of koopvaardij, maar die gefascineerd zijn door de ambachtelijke timmerkunst van vroeger die het mogelijk maakt om met primitieve schepen elk deel van de wereld te bereizen. Zonder modern toilet.

Meer over