Eersteling Jon Fosse mist interactie

Theater


Nooit van elkaar


Intieme vertolking van stuk Jon Fosse; jammer die microfoons.

Antwerpen - Het meest intense moment in de voorstelling Nooit van elkaar is wanneer de vrouw zwijgend de nog schone borden en de wijnglazen afruimt. Ze heeft gewacht op de man, maar die is niet gekomen. Hij zal nooit meer komen, en zij zal altijd blijven wachten. 'Leven is wachten', zegt ze.


Nooit van elkaar is de Nederlandse titel van het eerste toneelstuk van de Noorse schrijver Jon Fosse. In 1994 uitgebracht, en nu gespeeld door Toneelgroep Amsterdam in regie van Ivo van Hove. Een kleine voorstelling voor zijn doen, met alleen Chris Nietvelt (Zij), Gijs Scholten van Aschat (Hij) en de jonge actrice Hélène Vos (Meisje) op toneel.


Nietvelt speelt de vrouw die wacht. Fosse's tekst is minimalistisch, zit vol herhalingen en variaties op hetzelfde thema en dat thema is verlatingsangst. Van een simpele vorm - het wachten op een geliefde die misschien niet komt - tot een meer indringende variant die bijna uitmondt in een neurose.


Nooit van elkaar duurt één uur en tien minuten, maar is zo inspannend dat het wachten avondvullend lijkt. Fosse speelt bovendien voortdurend een spel met fictie en werkelijkheid, waardoor de toeschouwer zich steeds afvraagt hoe het nu precies zit.


Verscheidene interpretaties zijn mogelijk. Als de man dan eindelijk het bijna lege appartement van de vrouw binnenkomt, is hij dan echt of een droombeeld? En dat jonge meisje dat later bij hem is, is dat zijn minnares of is dat 'Zij' maar dan in jonge jaren? Of is er nooit een 'Hij' geweest en fantaseert deze alleenstaande vrouw alleen maar over een man? 'Ik ben een eenzaam ding, tussen de andere eenzame dingen', zegt ze, ronddwalend tussen verhuisdozen waarin foto's van vroeger zijn opgeborgen. 'Hij zal niet meer komen. Hij kan ook niet meer komen. Hij is weg.'


Fosse is duidelijk geïnspireerd door Becketts Wachten op Godot en Happy Days, met dat eindeloze wachten op niets en die laatste poging te veinzen dat er iets is, dat er niet is.


Het stuk is in zijn beperktheid duidelijk een eersteling; in Fosses latere toneelwerk zit een strakkere dramaturgie en meer interactie tussen personages. Jammer is het gebruik van zendmicrofoons, omdat dit minimalistische taalbouwwerk vraagt om de menselijke stem in zijn natuurlijk vorm. En dat de vrouw een glas wijn aanbiedt aan iemand op de eerste rij is een flinke stijlbreuk in deze in zichzelf gekeerde gedachtewereld.


Voor acteurs is Nooit van elkaar intussen knap lastig: het vraagt om sereen toneelspel, maar ook niet té want dan wordt het gekunsteld. Gijs Scholten van Aschat is als de man net iets te concreet, maar Nietvelt voert haar taak precieus uit. Op het randje van stilering en met een vleug van inleving maakt zij van de vrouw een toonbeeld van verlatenheid. Haar tekst is een intrigerend stemmen- en stemmingenspel, in houding en sfeer wisselend van fatalistisch naar hoopvol naar wanhopig, maar dat alles strak binnen timide, sonore kaders.


'Alles valt uiteen, vroeger of later', zegt ze. Aan het eind zet ze toch een raam open, waardoor ze misschien een frisse blik op de wereld krijgt. Hoop je. Maar het kan ook dat ze niets ziet. Dat er niemand komt. Leven is wachten.


Hein Janssen


Meer over