Eerst zien

Cora Baltussen verpleegde in de Tweede Wereldoorlog in Nederland gewond geraakte Poolse soldaten...

Cora Baltussen, op 18 november op 93-jarige leeftijd overleden, was een maatschappelijk werkster die al in de jaren vijftig in een open, witte sportauto reed. Bij de Slag om Arnhem, in september 1944, verpleegde zij Poolse parachutisten. Cornelius Ryan schreef over haar in zijn A Bridge Too Far. Tot haar dood vocht zij voor het eerherstel van de Poolse generaal, Stanislaw Sosabowski, die `oneervol` uit het leger was ontslagen, omdat door zijn `lafheid` de operatie Market Garden in een bloedbad was geëindigd.

Zij kreeg in haar actie tot eerherstel de steun van prins Bernhard en ontving de hoogste Poolse onderscheidingen. Maar voor haar familie bleef Cora Baltussen de zus of de tante `die altijd haar eigen weg ging: van wie wij eigenlijk heel weinig weten`.

Ze werd in Driel in de Betuwe geboren, als zevende in een gezin met vijftien kinderen. Haar vader was directeur van de jam- en appelstroopfabriek Baltussen, concurrent van Flipje van Tiel. Zij ging in Lent bij Nijmegen naar school en werd iedere ochtend met een koetsje gebracht. Daarna zat zij op een meisjes-internaat Steijl bij Venlo.

Als jong meisje had ze tijdens de Eerste Wereldoorlog een groep Belgische vluchtelingen langs haar huis zien lopen. Die `trieste desolaatheid` maakte blijvende indruk. Zij wilde maatschappelijk werkster worden en volgde, in grijze jurk en grijs kapje, een leken-opleiding bij de Benedictinessen in Schoten bij Antwerpen.

Zij werd uitgezonden naar Londen en Rome, waar ze in de jaren dertig, werkte te midden van de armen.

De oorlogsjaren bracht ze door in Nederland, ze kwam in het verzet en sloot zich aan bij het Rode Kruis. Op 21 september 1944 zag zij onverwacht een grote groep parachutisten bij Driel landden. Zij sprong op haar fiets en reed hen tegemoet. Het bleken Polen te zijn, onder commando van generaal Sosabowski, een lange man met indringende ogen.

De Polen waren, onbegrijpelijk, aan de verkeerde kant van de Rijn gedropt en moesten de rivier over om zich bij de Britten te voegen. De Duitsers dreven hen terug. Cora, zelf getroffen door een granaat, verpleegde de gewonden. Soldaten stierven in haar armen. `Zonder enige haat, uit liefde voor hun land en voor hun kinderen`, vertelde zij later. Met anderen richtte zij in Driel een monument op voor de gevallen Polen en legde bij de jaarlijkse oorlogsherdenking in Oosterbeek bloemen bij graven van de officiëel nog steeds verguisde Poolse militairen.

In 1953 vertrok zij, op voorspraak van Marga Klompé, de latere minister voor Maatschappelijk Werk, met een beurs van de VN naar New York. Ze stuurde haar nichtjes rode mantelpakjes, maar die durfden ze niet te dragen.

Terug in Nederland, maakte zij met drie neefjes in haar sportwagen een reis door Europa. Het viertal, met witte pilotencap op het hoofd, was een bezienswaardigheid. Op een rotonde in Duitsland werd het verkeer stilgelegd.

Ze werkte jarenlang voor de Duitse katholieke welzijnsorganisatie Caritas, was directeur van het Studiecentrum voor Maatschappelijk Werk in Nijmegen, en ging toen ze 80 was Arabisch leren om Iraanse vluchtelingen met wie ze in een eetclubje zat, beter te begrijpen. Maar bovenal wijdde zij haar tijd aan het uitwissen van de smaad die generaal Sosabowski en zijn brigade was aangedaan.

Vlak vóór haar dood kwam een hooggeplaatst militair namens de koningin vertellen dat een postume onderscheiding onderweg was. `Eerst zien dan geloven`, zei zij. Haar werk is beloond: gisteren kregen de Polen toch nog de hoogste militaire onderscheiding.

Meer over