Eerst speeule, daarna speule

De langgerekte Limburgse klinkers, die de taal zangerig maken, brengen ook betekenis over. Taalkundigen gaan zulke Frankische toonaccenten in kaart brengen....

Als je niet beter weet, lijkt de legendarische zangerigheid van het Limburgs geen ander doel te dienen dan wat krullen te breien aan de taal. De ene keer wordt de klinker in een woord kort uitgesproken, de andere keer krijgt diezelfde klank een extra uithaal mee.

Dat verschil in uitspraak is in veel Limburgse woorden echter geen loze opsmuk. Door de klinker op een duidelijk andere manier uit te spreken, kan de prater met schijnbaar hetzelfde woord twee totaal verschillende dingen zeggen.

Neem het werkwoord 'speule'. Wordt de klinker daarvan kort uitgesproken, dan betekent het 'wassen'. Is de klinker net ietsje langer en gaat de toon vlak voor de 'l' wat omhoog, dan betekent hetzelfde woord 'spelen'.

Zo'n korte, dalende klinker heet in taalkundige termen een stoottoon; zijn langere, na de daling weer stijgende broertje heet een sleeptoon.

Dit verschijnsel, het kort houden of juist rekken van de lange klinkers, komt voor in een gebied dat behalve zuidelijk Limburg ook een deel beslaat van het Duitse Rijnland, oostelijk België en Luxemburg. Taalkundigen noemen dit het Frankische toonaccent: in dit gebied streken de Franken neer in de vierde eeuw na Christus.

Gisteren en vandaag zijn aan de Leidse universiteit twintig taalkundigen bijeen op de International Workshop on @Franconian Tone Accents. Zij bespreken de vormen en de betekenisverschillen, en ze proberen een verklaring te geven voor het ontstaan van deze toonaccenten. Veel van de deelnemers komen uit Scandinavië: daar kennen ze het verschijnsel ook. De Leidse workshop luidt het eerste grootschalige taalkundige onderzoek in naar Frankische toonaccenten.

Voor alle duidelijkheid, zo waarschuwt vergelijkende taalwetenschapper drs. Michiel de Vaan: we hebben het hier dus niet over de zinsmelodie, de zangerige uitspraak van hele zinnen in het Limburgs. Toonaccenten beperken zich tot de uitspraak van een enkel woord. De Vaan is een van de voortrekkers van de internationale workshop.

Het verschil tussen stoten en slepen kan drie consequenties hebben voor de inhoud van het gezegde, aldus De Vaan. Het betreffende woord kan zoals gezegd iets compleet anders gaan betekenen. 'Leve' met een korte stoottoon is gelijk aan het Nederlandse 'lieve', terwijl hetzelfde woord met sleeptoon 'leven' betekent. Kortweg 'augh' betekent 'oog'. Met slepende '-au' wordt hetzelfde woord: 'ook'. 'Graaf' met een stoottoon is 'graaf'. Sleept de '-aa', dan betekent het woord 'graf'.

Ten tweede: een sleeptoon veranderen in een stoottoon, kan van een enkelvoudig woord meervoud maken. Een gerekt 'beejn' is één 'been', terwijl een stotend 'bejn' staat voor het meervoud: 'benen'. Een slepend 'knieiejn' is een enkel konijn; kortweg 'kniejn' zijn meerdere 'konijnen'.

Het derde betekenisverschil dat ontstaat door de klinker te slepen of te stoten, is dat tussen de toegepaste naamvallen. In het Limburgs zijn die feitelijk verdwenen, maar ze worden nog wel gebruikt in het Duitse Rijnland, hoewel het verschijnsel ook daar op zijn retour is. De sleeptoon duidt op de nominatief, de eerste naamval, en de stoottoon op de datief, in het Nederlands overgeleverd in archaïsche uitdrukkingen als 'in den beginne', en 'uit hoofde van'.

In het Rijnlandse Duits is dat naamvalverschil nog wel terug te vinden: de sleeptoon wijst op de nominatief zoals in 'Jaank' (gang). Wordt dat zinsdeel in de datief gezet, dan wordt de '-aa' tot een stoottoon ingekort, 'um Jang' (aan de gang).

'De verklaring voor het ontstaan van Frankische toonaccenten is nog niet helemaal sluitend', zegt De Vaan. Het verschijnsel moet al in de Oudgermaanse tijd zijn intrede hebben gedaan, ver voor de Middeleeuwen. Onder welke omstandigheden toonaccenten uiteindelijk worden gebruikt, hangt af van een complexe kluwen van factoren zoals klankveranderingen in het verleden, en het inslikken van klinkers die oorspronkelijk aan het einde van woorden stonden.

In elk geval bepaalt het karakter van de klinker zelf of die in een toonaccent gerekt of ingekort wordt. De lage vocalen, die onder in de mondholte worden gemaakt (ee, aa, oo) krijgen per definitie een stoottoon: 'broor' (broer) en 'joar' (jaar) zijn kort. De hoog in de mond te vormen 'oe' krijgt daarentegen een sleeptoon: 'hoeoes' voor huis; 'boeoete' voor buiten.

Het betekenisonderscheid tussen stoottoon en sleeptoon gaat alleen op wanneer het betreffende woord het accent in de gehele zin krijgt, aldus De Vaan. In een zin als 'Ik ga morgen speule, niet werken', bepaalt het toonaccent dus of er wordt gewassen of gespeeld.

De taalkundigen gaan de uitspraak van zinnen met alle mogelijke Frankische toonaccenten in het hele onderzoeksgebied vastleggen, en registreren op oscillogram.

Zo kunnen ze de verschillen in lengte van de klinkers aantonen. Deze registratieronde komt vermoedelijk net op tijd, want met het teruglopen van het aantal dialectsprekers dreigen specifieke taalverschijnselen zoals de toonaccenten uit te sterven.

Meer over