Eerst maar eens de markt verkennen

Ruim tweeduizend studenten komen er elk jaar van de kunstacademies, van wie maar tien procent het uiteindelijk redt als zelfstandig kunstenaar....

door Judith Koelemeijer

ZE ZIJN de 'culturele ondernemers' waar staatssecretaris Rick van der Ploeg van Cultuur al zijn hoop op gevestigd heeft. En ze behoren tot de besten van de klas. Oscar Langerak (23) en Daphne Vermeulen (22), vierdejaars studenten 'Vrije Kunst' aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem, hebben bereidwillig stoelen gesleept naar het grote, witte lokaal waar hun werk hangt. 'Wil je een visitekaartje?' Hun woorden buitelen over elkaar heen. Nee, 'eenzame zolderkamer-kunstenaars' zullen zij niet worden. 'Netwerken' gaan ze zometeen, na het eindexamen. 'Contacten leggen', en het 'zakelijk aanpakken'. Want anders 'kom je natuurlijk nergens'.

Zojuist is het docentenkorps langsgeweest om de prestaties van hun jaargang te beoordelen. Doodzenuwachtig waren ze. De kritiek loog er niet om. 'Bah, ik vind dit echt artotheek-kunst', verzuchtte een docent bij de aanblik van insectachtige sculpturen van papier. 'Echt verschrikkelijk.' Een ander wist na het bekijken van een video te melden dat 'de tijdscodering in beeld echt het enige interessante was'. En tegen een sombere schilder werd geroepen: 'Gewoon verder lijden!'

Maar bij hun werk, brutale modefoto's en geheimzinnige portretten van paspoppen, zeiden de docenten: 'Er gebeurt wat.' Of zelfs: 'Het ziet er spetterend uit.' En, meer in academietaal: 'Hij heeft goede antennes voor dingen.'

De besten van de klas zijn in Arnhem studenten 'autonoom' die het opvallend weinig uitmaakt of hun werk als 'autonoom' of 'toegepast' wordt gezien. Oscar Langerak gaat stage lopen bij een modefotograaf en interesseert het niks of de 'dingen waar hij zich goed over voelt' in een museum of een flitsend tijdschrift terecht komen. En Daphne Vermeulen mag zich specialiseren in computer-manipulatie, ze heeft 'voor de zekerheid' ook het diploma van de fotovakschool gehaald, zodat, mocht het tegenvallen met het kunstenaarschap, ze altijd nog trouwreportages kan maken. Of zoiets. 'Ik hoef niet per se de hele dag met mezelf bezig te zijn. Het is niks voor mij om steun te trekken.'

Zo ziet de overheid het graag. De nieuwe jonge kunstenaar is flexibel, niet te beroerd om een commercieel klusje aan te pakken, en bovenal in staat te overleven in de WIK, de op 1 januari ingevoerde steunregeling voor kunstenaars die voorziet in 70 procent van het bestaansminimum (waarbij mag worden bijverdiend tot 125 procent). In vier jaar tijd moet de kunstenaar een rendabele beroepspraktijk zien op te bouwen. Lukt dat niet, dan gaat hij maar wat anders doen.

De tijden dat een kunststudent bij zijn diploma meteen een verwijsbriefje van de Sociale Dienst kreeg, zoals de vj-kunstenaar Danielle Kwaaitaal in 1991 nog overkwam - 'goed bedoeld, maar een enorme misser natuurlijk' -, zijn definitief voorbij. Jonge kunstenaars moeten inventiever en zakelijker zijn dan ooit.

De vraag is alleen of ze daarop door de academies worden voorbereid. En wie er vervolgens op hen zit te wachten. Want de kunstmarkt, weten ook de studenten Oscar en Daphne, is krap. 'Met maar een paar kunstenaars wórdt het echt wat. Daar stellen wij ons op in.'

De cijfers zijn bekend: slechts 10 procent van de kunstenaars kan van zijn werk leven. 35 Procent heeft een omzet uit kunst van minder dan 10 duizend gulden bruto per jaar. En 30 procent zit in de bijstand.

Het lijkt een weinig aanlokkelijk perspectief voor de aanstormende 'culturele ondernemer'. Toch is er duidelijk een kentering zichtbaar, zegt A. Klamer, cultuureconoom aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit. Nu de overheid zich terugtrekt, ziet hij de markt groeien. Steeds meer bedrijven nemen hun kunstcollectie serieus, zegt hij. Bovendien is commercie geen 'vies woord' meer in de kunstwereld.

Onder invloed van het modernisme was lange tijd 'kunst-kunst' de norm: kunst die de kunstgeschiedenis onderzoekt, op zichzelf staat en vooral door een kleine groep kenners wordt gewaardeerd. 'Er werd geproduceerd voor Rudi Fuchs, niet voor de verkoop.' Maar de ramen zijn opengezet. Veel hedendaagse kunstenaars vinden hun inspiratie in de maatschappij. 'Ze durven het publiek weer aan te spreken, zonder dat ze meteen door hun kunstcollega's van prostitutie beticht worden.'

Vooral jongeren proberen nieuwe markten aan te boren. Autonoom of toegepast: waarom zouden ze daar moeilijk over doen? Wiens waardering hebben ze eigenlijk nodig? Crossover is het - modieuze - sleutelwoord. Beeldend kunstenaars ontwerpen Internet-sites, vertellen 's nachts aan je bed verhalen, of adviseren op geheel eigen wijze het bedrijfsleven. Modeontwerpers maken furore met autonoom werk, fotografen staan de ene week in Elle en exposeren de volgende week in een gerenommeerde galerie.

'Als een reclamefotograaf vroeger zei dat hij ook prachtig vrij werk maakt, geloofde je dat niet. Maar nu kan zijn map interessant zijn', zegt Gijs Müller, die zich graag verkoopt als 'uw nieuwste vriend'. Hij studeerde vorig jaar af aan het Sandberg Instituut en werkt inmiddels als tijdschriftmaker, tekenaar en 'reporter' (in de WIK). 'Vooral de computer heeft tal van deuren geopend', zegt hij. 'In Baby, de Amsterdamse sociëteit voor creatieven waar ik werk, zit ik naast jonge ontwerpers en programmeurs met wie ik prima kan levelen. Voorheen waren dat jongens van de HTS, heel andere types.'

Het kunstonderwijs sluit slecht aan op de beroepspraktijk, luidt al jaren de klacht. Op de meeste academies is weinig aandacht voor de zakelijke kanten van het vak. De academie in Arnhem, waar studenten sinds een paar jaar stage kunnen lopen in het bedrijfsleven, mag een uitzondering heten. Initiatiefnemer Servaas, docent en bekend van zijn handel in vislucht (Fis$-Handel Servaas & Zn), kon het niet langer aanzien dat zijn studenten na de academie in een groot zwart gat vielen, zegt hij. 'Ze waren niet in staat zich te presenteren en bleven daarom in het incestueuze kunstwereldje hangen.'

Zijn studenten liepen stage bij kappers, detectivebureaus en begrafenisondernemers. Alles mocht in de 'Business Art Stage', als er maar een link kon worden gelegd met het werk. Zo werden onvermoede beroepen ontdekt. De kappersleerling heeft bijvoorbeeld een 'kunst- en knipkamer' geopend. En een ander biedt zich aan als klusjesman die een muur zonder kunst kan neerzetten, maar er op verzoek ook best wat aan wil hangen.

De meeste academies volstaan echter met een korte zakelijke cursus, waarin de student onder meer leert zijn belastingpapieren in te vullen, subsidie aan te vragen en netjes een galerie op te bellen. 'Een lachertje', zegt Robert van Deursen van Memo Trainingen Amsterdam. Dit bureau verzorgt sinds het afschaffen van de BKR in 1987 ondernemerscursussen voor kunstenaars, onder meer op vijf kunstacademies. 'Op zo'n academie geef ik drie à vier dagen les. Maar met een serieuze training is iemand bij ons wel een jaar bezig.'

Volgens Van Deursen is 'bij docenten op veel academies nog niet altijd doorgedrongen wat de jeugd allang weet'. En dan formuleert hij het nog 'positief'. 'Jongeren zien wel in dat het zakelijke aspect óók belangrijk is. Maar veel docenten ontberen een eigen beroepspraktijk en hebben geen idee wat er op de markt speelt.'

Steeds meer jonge kunstenaars volgen daarom op eigen initiatief een cursus bij Memo Trainingen, zegt Van Deursen. Eerste les: de 'spanning van het verkopen' eraf halen. 'De meesten ervaren het als een persoonlijke veroordeling als ze afgewezen worden.' Bovendien ontbreekt vaak enig inzicht in de markt. 'Ze gooien nu bij elke galerie hun mapje op tafel, maar dat werkt niet. Ook al zijn galeries nog zo uit op alles wat jong en nieuw is. Je moet eerst de markt verkennen, kijken bij wie je aansluiting kunt vinden.' Wat overigens niet betekent, zoals door cursisten soms wordt gevreesd, dat hij ze adviseert 'plat commercieel werk' te maken: 'Kunstenaars moeten uitgaan van hun persoonlijke scheppingsdrang. Ik wil niet dat zij koste wat kost de markt op gaan.'

Dat is makkelijk gezegd, want zie maar eens een bevredigend evenwicht te vinden. Marktgericht en toch integer. Flexibel, multi-inzetbaar, en toch uniek als kunstenaar. Hoe doe je dat? Hoofddocent Tjoe Fang King van de afdeling Vrije Kunst in Arnhem heeft soms 'ambivalente gevoelens' bij de pragmatische aanpak van Memo Trainingen: 'Er wordt tegen studenten gezegd: met dat werk wordt het nooit wat. Maar een academie moet ook een vrijplaats zijn. Het is goed als zij hier met idealen vandaan gaan.'

Op een druilerige woensdagavond in Rotterdam schuiven twee dames aan bij de gemeentelijke marketingcursus voor kunstenaars van Co Bliekendaal (de rest is ziek of zit zo 'in de lift' dat ze geen tijd hebben om te komen). Een anoniem zaaltje in een groot kantorenpand; dikke mappen met push- en pull-strategieën op tafel.

'Ha Arianne, heb je nog wat met het millenniumidee gedaan?' vraagt Bliekendaal tijdens de koffie. Op de vorige bijeenkomst heeft hij geprobeerd sieradenontwerpster en vormgeefster Arianne van der Gaag (30) ervan te overtuigen dat het veel lucratiever is in serie te produceren. Arianne maakt en exposeert unica, en hecht daar vooralsnog sterk aan. Het levert haar alleen veel te weinig op.

De docent had daarom een idee. Als ze op de expositie die ze in december 1999 heeft nu eens een millenniumaanbieding zou doen? En niet één, maar tweeduizend ringetjes zou verkopen? Dat zou toch een stunt zijn!

Arianne heeft erover nagedacht. Tweeduizend ringen, dat heeft natuurlijk wel wat. 'En ze zouden, door het gieten, toch allemaal anders zijn.' Maar praktisch gezien is het geen doen, heeft ze uitgerekend. Zoveel ringen per dag. . . Ze heeft er nog een baantje bij, nee, die krijgt ze nooit klaar. 'En als je ze nou bij voorintekening verkoopt', probeert Bliekendaal nog. 'Dat hebben ze bij die Smart-autootjes ook gedaan en dat liep als een trein.' Arianne trekt haar wenkbrauwen op. 'Ik vind zo'n commerciële aanpak moeilijk. Het gaat toch om het wérk.' 'Maar dan moet je je prijs verhogen', beslist de docent. 'Ik ben nog steeds ontzettend blij als ik iets van mezelf verkoop', verzucht Arianne.

Natuurlijk blijft dat de droom: iets maken en verkopen waar heel je kunstenaarsziel en zaligheid in ligt. Erkenning van de kunstwereld, lof in de kranten. Elk jaar komen er bijna vijfhonderd studenten 'autonome kunst' van de academies af. Binnen tweeënhalf jaar kunnen zij een startstipendium aanvragen; jaarlijks komen er vierhonderd binnen bij het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst in Amsterdam.

Een startstipendium geeft erkenning, 'ruimte in je hoofd', en 'tijd om te experimenteren', zeggen jonge kunstenaars in een intern onderzoekje van het fonds. Het 'cultureel ondernemerschap' zal hen waarschijnlijk een rotzorg zijn. Want wat is er mooier dan in een keer 35 duizend gulden te krijgen, geheel naar eigen inzicht te besteden aan het werk, het eigen werk alleen? En te hopen op een mooie expositie in een goede galerie?

Maar slechts een op de vijf aanvragers krijgt een startstipendium, de mogelijkheid om een galerie te vinden is nog kleiner. 'Er komen hier elke dag wel vier of vijf kunstenaars langs met hun map', zegt Diana Stigter van de Amsterdamse Bloom Gallery. 'Maar ik heb op die manier nog nooit wat ontdekt.' Van collega's hoort ze soortgelijke verhalen. Het aanbod is enorm, op eindexamenexposities hebben zij het voor het uitzoeken. 'Met je mapje leuren', heeft weinig zin, zegt zij. En 'netwerken op elke opening' biedt ook weinig garantie voor succes, vermoedt zij. 'Een jonge kunstenaar moet gewoon geduld hebben. Niet iedereen kan in drie maanden beroemd worden.'

'Maar je kunt toch niet eeuwig wachten tot je een keer ontdekt wordt?' roept Marc Bijl uit in een Rotterdams café. Bijl (27) kwam twee jaar geleden vol verwachtingen van de academie in Den Bosch af. 'Je denkt dat je een prachtig vrij beroep hebt gekozen, maar dat is een illusie. Je wordt afhankelijk van commissies die maar een beperkt budget hebben te verdelen en onmogelijk iedereen een kans kunnen geven. Het is slachtofferhulp, en iedereen accepteert dat. Maar in een ander vak zou niemand daar toch genoegen mee nemen?'

Bijl was er 'al snel achter', zegt hij zelf. Na de academie probeerde hij eerst een jaar lang zoveel mogelijk te exposeren. 'Tegen onkostenvergoeding deed ik al mee.' Zijn werk hing bij kunstenaarsinitiatieven, op Niet de Kunstvlaai. Af en toe verkocht hij wat. Maar met 250 gulden voor een zeefdruk schoot het niet echt op; een aanvraag voor een startstipendium werd afgewezen.

Hij volgde daarom een cursus journalistiek en een ondernemerstraining, en begon een krantje (toepasselijk Kunstmarct genaamd). 'Je moet risico durven nemen', heeft Bijl inmiddels geleerd. Een bedrijfsplan maken, naar de bank stappen. Met twee vrienden gaat hij een bedrijfje opzetten in dienstverlening in beeldende kunst. 'Salut, Amor y Pesetas: voor al uw grafische en ruimtelijke ontwerpen'. Hij gaat een stand inrichten op de jaarbeurs, exposeren in een boekhandel, folders ontwerpen ('waanzinnig laagdrempelig hoor'), schrijft een jaarboek voor dit, een artikel voor dat, en kennen wij het boek al dat hij over zijn werk heeft gemaakt, Now to star?

Kunstcompanen van vroeger denken soms dat hij er al rijk van is geworden. Dat is niet zo, helaas. Maar hij verruilt tegenwoordig wél zijn zwarte slobbertrui voor een net pak, als de gelegenheid daar om vraagt. En zijn performances laat hij inmiddels per uur uitbetalen.

Meer over