Eendagsvliegen van de cinema

Waarschijnlijk is de Franse schrijver Jean Genet de meest uitgesproken cineast van maar één film. Zijn Chant d'amour wordt in Rotterdam vertoond me andere auteurfilms van eenmalige regisseurs....

Ergens halfweg 1964 reisde de Ierse schrijver Samuel Beckett naar New York voor de opnamen van de enige film die hij ooit heeft gemaakt. De auteur van het beroemde toneelsucces Wachten op Godot, heeft - naast zijn theaterstukken - maar één filmscript geschreven met de nogal omineuze titel Film, waarvoor de door hem zeer gewaardeerde en intelligente Alan Schneider als een soort 'schaduwregisseur' optrad. 'Het is een film over het waarnemende oog', zei Schneider na het lezen van de plot. 'De waarnemer wil dolgraag waarnemen, en de waargenomene probeert wanhopig zich te verbergen.'

De hele reis praatte de schrijver met zijn gezelschap, 'non-stop' volgens zijn biografen, over zijn filmproject. Die discussies werden, zonder dat hij het wist, met een bandrecorder opgenomen. Later is een transcriptie van het gesprek gepubliceerd. Die uitputtende woordenwisselingen waren eigenlijk op zichzelf al een soort absurd theater à la Beckett, zoals ook zijn eerste schutterige en gênante ontmoeting met Buster Keaton die voor de film was gecast.

'Toen Sam en ik binnenkwamen', herinnerde Schneider zich later de eerste afspraak in de hotelsuite van de acteur, 'zat Keaton een blikje bier te drinken en naar een honkbalwedstrijd op tv te kijken.' Er werd nauwelijks geconverseerd; Keaton gaf eenlettergrepige antwoorden. 'Is er iets in het script dat je niet begrijpt, Buster?', vroegen ze. 'Nee.' (stilte) 'Wat vond je van de film toen je het scenario voor het eerst las?' Nou' (opnieuw lange stilte).

Toch was het blijkbaar voor de schrijver een 'verleidelijk aanbod', meent James Knowlson in zijn biografie Tot roem gedoemd - Het leven van Samuel Beckett. Eind februari 1963 vroeg Barney Rosset van de Grove Press hem, tijdens een bezoek aan Parijs, of hij een film van een half uur wilde maken (die oorspronkelijk bedacht was als televisiespel). Rosset gaf ook schrijfopdrachten aan Eugène Ionesco en Harold Pinter.

In vier dagen zette Beckett in zijn Spartaans eenvoudige huisje in Ussysur-Marne, vijftig kilometer van Parijs, een eerste schets op papier, een outline op zes pagina's. Zowel Rosset als Schneider, herinnert Knowlson zich, een oude vriend van de schrijver, waren 'geïntrigeerd door de vreemde, bizarre aard van het script' en gingen met grote ijver aan het werk. Het werd Becketts eerste maar ook enige eigenhandige filmproductie.

Film is een van de door programmeur Edwin Carels uitgekozen titels voor het programmaonderdeel Pièces uniques van 'cineasten' die slechts één film op hun naam hebben staan.

Naast Becketts Film heeft Carels een serie speelfilms en korte artistiekerige films van een uiterst divers gezelschap geselecteerd: de door critici zeer gewaardeerde musical True Stories van David Byrne (die we kennen van zijn band Talking Heads en het succesnummer Wild Wild Life); de 'film noir' Der Verlorene, de herontdekte en volgens filmkenners ondergewaardeerde enige speelfilm van Peter Lorre, de acteur met het eeuwige 'moordenaarsgezicht'; The Honeymoon Killers, een met veel muziek van Gustav Mahler gelardeerde misdaadprent, de enige film van componist Leonard Kastle; maar ook 'kunstenaarsfilms' van choreografe Anne Teresa De Keersmaeker (Achterland), de fotografe Helen Levitt (In the Street) en van beeldend kunstenaars Marcel Duchamp, Edward Ruscha en Hélio Oiticica. Allen hebben volgens Carels maar één keer een film gedraaid. Een samenhangende reden voor hun eenmalige filmprojecten is er niet. Wellicht geldgebrek? Of omdat ze het geduld niet konden opbrengen tijdens hun zoektocht naar financiers en producenten? Of omdat ze eigenlijk geen filmers zijn? Ze hebben hoe dan ook allemaal een oeuvre, de een boeken of muziekwerken, anderen dansstukken, schilderijen, performances, installaties. En toch zijn enkelingen onder die 'ééndagsvliegen van de cinema' échte cineasten, ook al maakten ze maar één film. Daarom zijn hun films, die enige film uit hun artistieke loopbaan die je straks in Rotterdam kunt zien, geen probeersels of mislukkingen, maar one-offs die - zegt Carels - ontegenzeggelijk 'hun invloed hebben gehad op de taal en de stijl van de cinema'.

In Rotterdam worden enkele opmerkelijke auteursfilms - de enige die ze maakten - vertoond die vroeger veel ophef of verontwaardiging veroorzaakten omdat men ze obsceen of op zijn minst aanstootgevend vond: de schokkende en gruwelijke film Yûkoku waarin de Japanse auteur Yukio Mishima als het ware zijn eigen seppuku aankondigde, een zelfmoord waarbij met chirurgische precisie de buik wordt opengesneden zodat de ingewanden over de grond gulpen; de blasfemische film L'imitation du cinéma waarin de Belgische surrealist Marcel Mariën de katholieke symboliek parodieert, een film die door veel Belgische filmcritici werd gehekeld en door de overheid werd gecensureerd en verboden; en de beruchte korte erotische prent Un Chant d'amour, de enige film die de Franse schrijver - 'dief en martelaar' - Jean Genet ondanks vele andere onuitgevoerde filmplannen uiteindelijk toch nog heeft gerealiseerd.

Waarschijnlijk is Jean Genet de meest uitgesproken 'cineast van maar één film'. In 1950 maakte hij met een eenvoudige camera zijn 'stomme film' Un Chant d'amour, een pikant maar ook ontroerend verhaal van een gevangenisliefde. Aanvankelijk had hij de hulp ingeroepen van Jean Cocteau, als regisseur of producer, maar die weigerde zijn medewerking. Genets vriend Nico Papatakis, directeur van het cabaret La Rose rouge, trad uiteindelijk op als producer van 'de meest besproken homo-erotische prent uit de Europese filmgeschiedenis'. Vijfentwintig jaar lang mocht de film op politiebevel in Frankrijk niet worden vertoond. De seks was té uitdrukkelijk, de beelden waren voor de enen pornografisch en voor anderen zelfs ronduit pervers. Vanaf eind jaren zestig kon je weliswaar Genets korte film al eens zien in achterkamertjes en filmzaaltjes voor experimentele films, maar pas vanaf 1974 kon het Collectif Jeune Cinéma de film distribueren, omdat behalve de zedenpolitie ook Genet zich lang verzette tegen een bioscoopuitgave.

De beelden uit die film zijn pregnant en aangrijpend, al zullen sommigen ' omdat we ze nauwelijks nog als choquant ervaren - ze wellicht nu eerder larmoyant vinden. Een cipier ziet hoe een van de gevangenen door het traliewerk een boeketje bloemen geeft aan een medegevangene. De argwanende gevangenisbewaker gaat op onderzoek, kijkt door het loergat van elke cel en bespiedt in een van de troosteloze hokken een man die zich masturbeert. Elk beeld is erotisch maar tegelijk ook huiveringwekkend, elk filmshot is ontroerend én beangstigend mooi. Een hitsige donkere jongen en een al even opgewonden getatoeëerde medegevangene blazen, met behulp van een strootje, hun sigarettenrook door een minuscuul gaatje van de celwand. Het roept bij de mannen herinneringen op aan bucolische taferelen. Genets korte film, gedraaid in clair-obscur, is een aaneenschakeling van zulke erotische fantasieën, met expliciete maar soms ook door de duisternis in de gevangeniscel verdoezelde seks.

Genet maakte zijn film in de bosjes rondom het huis van Cocteau en in een tot gevangenis omgebouwde 'existentialistische' kelder in het Parijse Saint-Germain-des-Prés. Voor zijn script greep hij terug naar zijn boeken Notre-Dame-des-Fleurs en Miracle de la rose, naar het universum van zijn eigen gevangenisjaren en zijn eigen homoseksuele verlangens waarover hij vaak schreef. De auteur Genet heeft altijd een grote interesse gehad voor de cinema, 'een populair wapen tegen de wereld van de geletterde bourgeois'.

Hij hanteerde tijdens het schrijven ook cinematografische procédés, de flash-back, de collage, het met woorden inzoomen. Enkele van zijn theaterstukken en boeken zijn trouwens ver?lmd, zoals zijn roman Querelle de Brest, in 1981 door Rainer Werner Fassbinder als Querelle - Ein Pakt mit dem Teufel. De schrijver heeft ook meegespeeld in films, in de bars en de straten van Saint-Germain-des-Prés, zelfs in een documentaire van Robin Spry over de Democratische Conventie van 1968 in Chicago.

Hij heeft, zegt een van zijn biografen, de Amerikaanse schrijver en Parijse literaire flaneur Edmund White, 'vermoedelijk meer filmscenario's geschreven dan boeken', en toch heeft hij maar één korte film op zijn naam. Al in 1947 - hij was toen 37 - werkte Genet aan een biografische film over zijn kinderjaren en zijn vroege jeugd die hij doorbracht in opvanghuizen. Het project werd nooit gerealiseerd. Hij kreeg twee jaar later de opdracht en een voorschot voor het schrijven van de dialogen van een film over een gevangene, omdat hij door zijn jarenlange verblijf in tal van gevangenissen de 'dieventaal' als geen ander beheerste. Naar alle waarschijnlijk heeft hij die dialogen nooit geschreven. Na zijn korte film Un Chant d'amour heeft hij nog verschillende scenario's uitgewerkt, honderden bladzijden notities voor films die hij uiteindelijk nooit maakte.

Cinema, vond Genet, was in essentie obsceen. Film provoceert. 'De camera kan een gulp openmaken en tasten naar het in een broek verborgen geheim.' Zelden heeft een schrijver, niet alleen in zijn boeken maar kennelijk ook op het filmdoek, het erotische én het obscene zo onverbloemd maar ook gevoelig geëxploreerd als Genet. Wellicht daarom is Genet niet alleen een groot schrijver maar ook een opmerkelijk cineast, al heeft hij eigenlijk maar één film op zijn naam.

Meer over