Een zoen van de douanebeambte

Route 40 in Argentinië is van aarde, maar kaarsrecht en strak. Zestien uur lang rijden langs pampagras. De illusie van stilstaan, het is de lucht die langs rijdt....

Halverwege Chileens Patagonië kun je niet verder naar beneden. De weg stopt. Te veel water, te veel bergen, te weinig mensen. Het buurland Argentinië verzorgt het verdere vervoer naar zuid-Chili. Maar hoe in Argentinië te komen? De bus die tweemaal per week van Cochrane naar de grens rijdt, vertrekt niet. Te weinig passagiers.

Liften dan maar. Al komen er eigenlijk ook niet genoeg auto's langs. Tussen besneeuwde bergtoppen, dik ingepakt tegen de ijzige wind, staan we op de mooiste, maar eenzaamste liftplek ter wereld. Aan onze voeten een smaragdgroen meer. Uitzicht op een lege weg.

Koffie zetten? Nog voor de rugzakken zijn uitgepakt, stopt een gloednieuwe Landrover. De chauffeur is medeverantwoordelijk voor het verblijf van de Britse prins William in de Patagonische bergen. De zoon van wijlen lady Di is iets verderop aan het vissen. Wellicht hebben we het op televisie gezien?

Hij zet ons af in Puerto Guadal, een piepklein dorpje dat rond een indrukwekkend centraal plein ligt gedrapeerd. Wachten. Een man loopt langs, zegt buenos dias. Verdwijnt in een huis. Komt er weer uit na twintig minuten, waggelend van dronkenschap. Valt bijna om in de berm. Twee dikke jongetjes tormenteren een hondje dat aan een lange riem zit vastgebonden. Komt daar een auto aan? Een grote stofwolk stopt nog binnen de dorpsgrenzen. De autobezitter zwaait spijtig naar ons. Ik sla mijn boek weer open. Vele pagina's later komt een tweede auto aanjakkeren over de stoffige weg. Een pril Chileens echtpaar, op weg naar Chile Chico. Dat treft, daar moeten wij ook naar toe.

We stoppen elke tien minuten voor een foto van de bruid en bruidegom voor een waterval, rivierkloof of indrukwekkend panorama. Het is een oogverblindende tocht. Een lang nauw meer gevuld met helblauw water, omsloten door witte besneeuwde bergen. In het meer drijven bruine eilandjes. De populieren lijken wel cypressen tegen het Middellandse Zee-blauw. De eenbaansweg kronkelt zich een hoog spoor langs het meer.

Chile Chico is een teleurstelling. Dat het een verlaten mijnstadje zou zijn, sprak tot mijn verbeelding. Maar het is geen verlaten mijnstadje. Het is een failliet mijnstadje. Dat is heel wat anders. Geen rondwaaiende prairiegrasbollen en een fluitende wind. Wel dichtgetimmerde winkels en lusteloze bewoners. Geen restaurants, op een omgebouwde huiskamer na waar je gebak kunt eten.

We delen ons hotel met de gebruikelijke droeve handelsreizigers. Met een dun snorretje en een grauw gezicht zitten ze in elk hotelletje eenzaam aan het ontbijt. Sommige hotels specialiseren zich als vertegenwoordigerscentrum. Aan de muur hangen dan alle visitekaartjes en foto's van de dolende mannen. Maar de glamour van het met een grote koffer door tochtig leeg Patagonië reizen, is weinig overtuigend.

We schuiven aan voor de avondmaaltijd. Lachen mee met de Chileense versie van Goede Tijden, Slechte Tijden en gaan maar weer eens vroeg naar bed. Nog even lezen, met handschoenen aan tegen de kou. Ik vraag of ik een warme douche mag nemen. Snel inzepen en afspoelen. De hoteleigenaar zet de geijser uit na twee minuten douchen. Een zich elke avond herhalende wedstrijd.

Eenmaal over de grens van Argentinië zet de taxichauffeur ons af bij een douanekantoor langs een lege snelweg. Zou hier de bushalte zijn? Laat Argentinië nou al vier dagen staken. Inclusief alle openbaar vervoer. Een stoere douanebeambte ontfermt zich over ons. Zij zal de auto's aanhouden. Wij mogen in haar warme kantoortje wachten. Krijgen maté met taart.

Argentijnen zweren bij maté. Het is een sterke thee uit de jungle, die zowel opwekkend als verdovend is. Je voelt geen honger, dorst of kou en je kunt urenlang op de been blijven. Maté komt in een klein kruikje met een metalen buisje erin om de thee op te zuigen. Dat buisje zet je om de beurt aan de mond als een reuzenjoint.

Na een uur komt een piepkleine auto aan met een ernstige afwijking naar rechts. Twee mannetjes die geen nee durven te zeggen tegen de doortastende douanier. We krijgen een zoen van de redster in de nood, schuiven zielsgelukkig van de maté achterin het wrak en rijden met een platte band in een uur naar Perito Moreno. Donker hondje, betekent dat.

Eenmaal in Perito Moreno gaan we weer op zoek naar vervoer. We willen over de mooie en ruige route 40 naar El Chaltén rijden. Geen sinecure tijdens een nationale staking. Met een lijst adressen en tips van een benzinestationmedewerker met verstand van zaken, trekken we het stadje door. Twee uur later keren we teleurgesteld terug bij de camping waar de rugzakken gestald zijn.

Daar zit Claudio te wachten. Ontevreden, want waar bleven we toch. Voor een flink bedrag rijdt hij ons in, zeg een uur of acht, over de beroemde route. We springen in zijn busje en gaan op weg. Eerst nog zijn compagnon ophalen. De bijrijder wellicht? Maar nee. Hij heeft een belangrijker rol te vervullen. Hij reikt de chauffeur doorlopend verse kruikjes maté aan. Anders houdt hij het niet vol, die rit van acht uur. Die uiteindelijk zestien uur gaat duren.

Pampa, pampa en nog eens pampa. Eindeloos gras dat in prikkerige bollen uit de grond steekt. Een condor (een van de grootste vogels ter wereld), guanaco's (een wilde lamasoort), loslopende paarden, nandoes (struisvogels) en heel veel lucht en wolken. We pikken een lifter op. Een door de zon zwartgeblakerde zwerver op zoek naar werk in El Chaltén. Het maté kruikje gaat rond. Ik denk aan tuberculose en sla af.

Route 40 is slechts van aarde, maar kaarsrecht en strak. Na een uur een lekke band. De band wordt gerepareerd in een truckstop langs de weg zodat het busje weer over een reservewiel beschikt. Gelukkig maar. Drie uur later een tweede lekke band.

Zestien uur lang rijden langs pampagras. Illusie van stilstaan. Het is de lucht die langs rijdt. De horizon blijft koppig op zijn plek. De drie mannen op de voorbank zijn een even onveranderlijk punt. Tot ze in schemerdonker verdwijnen. De stille zwerver krijgt spraakwater van de maté. Zijn buurmannen vallen stil.

De auto stopt bij een wegcafé. De kastelein staat met een armoedig, doorgroefd gezicht achter de lange toog. Zijn dochtertje rijdt hard rondjes op haar driewieler. Rakeling langs een gloeiend olievat dat dienst doet als kachel. Aan de muur hangt de verse huid van een zeldzame poema. Buiten loeit de wind.

Een klein vosje met grote oren ligt, uit de wind, tegen een rots geklemd. Het laatste levende wezen van die dag. De zon gaat onder en kleurt een eenzame schotelwolk rood. Ik hurk achter de auto in de ijskoude wind wanneer de mannen weer zijn ingestapt. Waar plast een vrouw discreet op een vlakte?

Om half vijf in de ochtend rijden we El Chaltén binnen. Onze chauffeur keert direct om naar Perito Moreno. Hij heeft nog een vrachtje morgen. Leve de maté. De deur van het hotel is open, maar niemand reageert op de bel. We rollen onze slaapzak uit in de lobby. Een klein katje heeft koude voeten en kruipt erbij. We zijn er.

Meer over