Een ziel van Portugal is uit Nederland vertrokken

August Willemsen is dood. Ik heb hem ooit even gezien in een boekhandel, maar niet echt ontmoet of gesproken, maar ik hield van hem om de taal waarin hij grote Portugese dichters (Pessoa gold alleen al voor vier) en de misschien allergrootste, de Braziliaan Drummond de Andrade – wat een...

Willemsen was (eens) als Pessoa een groot drinker. Ook over drank en dronkenschap heeft hij schitterend geschreven. (Daar ging hij met zijn laatste lege flessen om wat statiegeld voor nieuwe drank en maakte een halve doodssmak). Toen ik over dat drinken las, dacht ik: van Portugal krijg je geen dorst, maar wel verdriet en daardoor grote dorst. Willemsen moet die ziel van het land als tweede hebben gekregen. Om hem te herdenken heb ik iets van hem herlezen – dat hoor je bij elke net overleden auteur te doen – en ben ik naar de film gegaan. Sinds enkele dagen draait de Portugese film Fado van Carlos Saura, een anderhalf uur durende documentaire van vitale smart. Ik kwam er getroost, maar vol melancholie uit en vooral met heimwee naar Lissabon, de zeegeur van de Taag, het vermoeden van verten om te ontsnappen dat de stad geeft, de intimiteit van de bovenstad, waar in een drukke straat Pessoa zit aan een tafeltje voor zijn stamcafé. Alleen met de drie andere personages die in hem huisden. Ik heb zelfs heimwee naar de klimmende tram van Lissabon (in de film zag ik hem heel even, hij is nog steeds niet uitgeput).

De fado is een dans- en klaaglied, begeleid door gitaren. Dansen op leed – het is wel het meest melancholische dat er is. Verdriet om het verdwijnen van de geliefde, verdriet om de onbereikbaarheid van een geliefde, herinneringen aan het geluk van de voorbije tijd, die thema’s keren steeds terug (als in de saudade in de Portugese poëzie). In de ondertiteling bij de liederen vonden de Nederlandse woorden smart en hart elkaar vanzelf. In alle delen stond een zanger of zangeres op de voorgrond, rond of achter hem/haar werd op de smart gedanst en dat zo gestileerd dat het volkse karakter van de fado een iets te fraaie aankleding dreigde te krijgen. Helemaal terug was het volkse karakter – en hier sloeg mijn heimwee hoog op, doordat herinneringen heel actief werden – in een vrij lang deel dat in een fadocafé speelt. Daar zetten de drie gitaristen in, er is geen houden aan: de eerste zangeres schreeuwt haar verdriet uit. Als zij zwijgt, staat een tweede op en zingt haar lied. Rondom hen de cafégangers die zo te zien allemaal mee lijden. Zo veel melancholische ogen heb ik nog nooit bijeen gezien. Een derde vergroot de smart nog om het tekort dat elk leven is (Amalia Rodriguez, werd aan het einde van haar leven gevraagd, of ze ooit gelukkig was geweest. ‘Nooit’, was haar antwoord).

‘Ik heb de fado in mij’, zeggen enkele zangeressen in de film. De fado is hun ziel, en ook de ziel van Portugal. De ziel van Portugal was, denk ik, ook die van August Willemsen. De ziel is nu uit Nederland vertrokken, helaas. Voor het laatst gaf zij kracht aan de vertaling van de klachtenrijke poëzie van Camoes, ‘De tijd immers die heengaat, keert niet weer,/En als hij keert, keren geen vroeger dagen.’

Het is nooit anders geweest.

Meer over