Een zelfingenomen patjepeeër en een kwast

ER BESTAAT een Engels boekje dat Rotten Reviews heet en een bloemlezing pittige uitspraken over literaire meesterwerken bevat. Het is een klein dingetje, zo klein dat het zelfs in het borstzakje van een overhemd past....

Je zou willen dat iedere literaire auteur bij inlevering van zijn manuscript, of desnoods pas bij de overhandiging van het eerste exemplaar van zijn gedrukte boek, dat boekje van zijn uitgever of zijn vakbond cadeau kreeg. Om in zijn borstzakje of in het zijvakje van haar handtas te steken en bij de hand te hebben als even later het pandemonium van de kritiek losbarst. Niet om de kritiek te relativeren, of de critici belachelijk te maken - dat doen auteurs, zeker de wat zwakkere, toch wel -, maar om zichzelf te immuniseren: kijk eens aan, dat kan de beste overkomen, mijn boek kan later alsnog een meesterwerk blijken.

En om, misschien, andere narigheid te voorkomen - klagen bij de chef of de hoofdredacteur, lasterpraatjes over de criticus slijten, samenzweringen beramen, anonieme dreigbrieven verzenden, op de vuist gaan of met rotte vis gaan gooien, of, het ergste van al, een sleutelroman schrijven.

Eerlijk gezegd heb ik er nooit iets van begrepen, van al die opwinding: een negatieve kritiek is akelig, maar het is wel een negatieve kritiek van een boek, dat wil zeggen, een verzameling gemotiveerde uitspraken die tot een oordeel leiden. Dat kan vervelend zijn, dat kan zelfs onheus zijn of gemeen, maar nooit een reden om gek te gaan doen.

Ogenschijnlijk is de respons van het gemaskerde weerwoord, de sleutelroman waarin met de criticus en diens oordeel wordt afgerekend, nog het meest in stijl. De schrijver antwoordt de criticus met zijn eigen wapens, hij doet waar hij volgens hemzelf goed en volgens de criticus niet zo goed in is, verbeelden, verwoorden, schrijven.

Toch zijn mij maar een handvol van dergelijke weerwoorden bekend die geslaagd zijn en dan nog uitsluitend doordat ze tot een goed boek hebben geleid - niet doordat de travestie of de filippica zo venijnig werken. Want er is bijna geen schrijver die erin slaagt de twee gevaren van de wraak door middel van een sleutelroman te pareren: de mystificatie is veelal te omslachtig en de woede te fel.

Het middel staat in geen verhouding tot de kwaal. De lezer haalt er zijn schouders over op, begrijpt de helft van de heimelijke schimpscheuten niet en ervaart de wraak als bot en overdreven.

In Duitsland is grote opwinding ontstaan over de nieuwe roman van Martin Walser, Tod eines Kritikers; in Cicero van 7 juni reconstrueerde Philippe Remarque de gang van zaken en schetste hij de bitterheid van Walsers boek en de heftige reacties daarop. Dat boek zelf is nog niet eens verschenen, zodat de schermutselingen zich afspelen tussen de schrijver en zijn critici en tussen die critici onderling. De uitgever, Suhrkamp, stelde per electronische post het manuscript van Walsers boek aan critici ter beschikking, maar behalve zij kon nog niemand zich een oordeel vormen.

Het conflict is daarom in eerste instantie een intern literaire aangelegenheid en werd door de deelnemers ook hartstochtelijk opgeblazen en tot instrument in een heel ander debat gemaakt, namelijk een debat over de macht van critici in een door de media beheerst cultuurlandschap. Omdat het harde verwijt van antisemitisme viel - Walser zou zich van antisemitische clichés hebben bediend in het portretteren van zijn slachtoffer - en de auteur in eerdere boeken wel vaker de grenzen had opgezocht van wat in Duitsland draaglijk wordt gevonden, leek het er even op dat de kwestie een veel groter belang had.

Een paar jaar geleden stelde Walser de Duitse omgang met het nazi-verleden aan de kaak en probeerde hij een rituele reactie op dat zwarte verleden te ontmaskeren. Ook toen vielen er harde woorden, 'Auschwitzpflicht' en 'Verharmlosung', ook toen verloren veel deelnemers aan het debat de proporties uit het oog. Maar toen had Walser wel degelijk een verkramping gesignaleerd en benoemd in de verhouding van Duitsers tot hun nare geschiedenis en droeg het debat een zekere vrucht.

Nu niet. Ik heb het boek gelezen en de reacties erop in Duitsland en kan niet veel anders dan er mijn schouders over ophalen. Die Walser is een pestkop uit Beieren, Schirrmacher - van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, die voorpublicatie van het boek in zijn krant afwees met een open brief aan de schrijver waarin hij hem van ignobele motieven betichtte - een herrieschopper, die niet goed kan lezen en ziekelijk argumenteert, en de andere deelnemers gebruiken het boek om op grond van bestaande sympathieën af te rekenen met de auteur of zijn tegenstanders.

Want Tod eines Kritikers is een vervelend en mislukt boek, waarin in schrille termen een akelig portret wordt geschilderd van Marcel Reich-Ranicki, de bekendste en invloedrijkste Duitse literatuurcriticus, maar het is geen antisemitisch pamflet. In 153 bladzijden tekent Walser keer op keer de karikatuur van een ijdele idioot, met streken en maniertjes, maar dat doet hij zo overdreven en zo rancuneus dat je er niet veel wijzer van wordt en je er na een bladzijde of 25 ook nauwelijks meer over kunt opwinden.

Het begint al met de naam van die criticus, ja, al met het motto van het boek, 'Für die, die meine Kollegen sind': proef het schalkse raffinement (nee, niet iedereen die schrijft, is een collega!), proef opnieuw en stel het omslachtige, het ranzige van de Widmung vast. Die criticus, die voor Reich-Ranicki staat, heet André Ehrl-König - en je hoeft geen kenner te zijn om de toespeling op 'Erlkönig' te herkennen, de sprookjesachtige figuur uit Goethes gedicht die valselijk het kind doodt dat de bedroefde vader met zich meevoert. Wat een stompzinnige beeldspraak, de schrijver als de vader die ziet hoe zijn kind vermoord wordt door de criticus.

Die Ehrl-König is een zelfingenomen patjepeeër, een kwast, die een veelbekeken literatuurprogramma op de televisie heeft. Dat programma heet Sprechstunde, 'Spreekuur' - oeff! Als een wrede dokter ontleedt hij de nieuwe boeken en hij beklaagt zich vooral aanhoudend over de kwaliteit van de contemporaine Duitse literatuur. Hij kan reputaties maken en breken en schijnt dat naar willekeur te doen. Na afloop van iedere uitzending krijgt hij van zijn uitgever een receptie aangeboden, waarop het literaire voetvolk zich verzamelt om hem te fêteren en bij hem te slijmen. Ehrl-König laat zich dat welgevallen, trommelt zichzelf op de borst, schermutselt met de 23 citaten die hij uit zijn hoofd kent, looft links en laakt rechts, en kneedt zo nu en dan een blote damesschouder. Hij praat, ten slotte, een eigenaardig soort Duits, met halfstomme 'e's' waar die niet horen en hij zegt 'Doitsch' in plaats van 'Deutsch'.

En hij is joods.

Voilà, het verwijt van antisemitisme is geboren.

Antisemitisme? Omdat hij een vet accent heeft, ijdel is, zich laat vereren, de behoefte heeft dingen 'naar beneden te halen'?

Die Duitsers moeten niet zo raar doen. En niks gewend: ze zouden eens moeten lezen wat in Nederland over sommige critici geschreven wordt.

In Tod eines Kritikers wordt Ehrl-König omgelegd door een gefrustreerde schrijver, Hans Lach (Hans Sachs, de middeleeuwse Duitse schrijver, het begin van de Duitse literatuur en daardoor het prototype?). Zijn vriend, de verteller, vertrouwt het zaakje niet en uiteindelijk blijkt de moord ook niet te hebben plaatsgevonden, maar is de geile criticus gewoon even ondergedoken met een vriendinnetje.

Het is een miserabele plot, omslachtig uitgewerkt in een mengeling van zelfbeklag en leedvermaak. Er wordt een keer een betrekkelijk smakeloos grapje gemaakt met behulp van een Hitler-citaat, over de criticus wordt gezegd dat hij verwanten in de holocaust heeft verloren. Schirrmacher en zijn volgelingen maken van dat grapje een halsmisdaad, een beginselverklaring, en lezen die opmerking over Ehrl-Königs vermoorde familieleden als een aanzet tot de Auschwitz-Lüge.

Wat een overspannen onzin.

Walser heeft geprobeerd in romanvorm een vinnige analyse te maken van het literaire bedrijf in Duitsland en de rol van de media daarin. Dat is hem niet gelukt: het ligt er allemaal veel te dik bovenop, de woede is aanstellerig, de verontwaardiging beschamend. Wat een pijnlijke beschrijving en ontleding had kunnen zijn, is niet veel meer dan een vervelende karikatuur. Pagina na pagina sleept de overdrijving zich voort - en dus mist zij doel, zelfs het doel van de soms niet kinderachtig groteske figuur van Reich-Ranicki.

Die Walser moet gewoon de volgende keer een goed boek schrijven: dat is het enige adequate antwoord op een beroerde bespreking.

Meer over