Een wolk die voorbij trekt op een kunstbeurs

Voor wie destijds niet bij Germaine Kruips tijdelijke ingrepen in musea was, is er nu een boek. Haar interventies met licht en lucht blijken echter niet zo fotogeniek....

Rutger Pontzen

Licht, leegte, ruimte, architectuur en hier en daar een kleurtje – dat zijn de ingrediënten van de ‘architectonische interventies’ van Germaine Kruip (Castricum, 1970). In een paar jaar tijd heeft zij daarmee grote bekendheid gekregen.

Voor de lange entree van de Frieze Art Fair in Londen ontwikkelde ze een lichtplan waardoor het leek alsof de gang werd overschaduwd door een voorbijtrekkende wolk. Ruim twee jaar geleden plaatste ze een batterij lampen achter de vensters van het lege Rijksmuseum, die na zonsondergang het gebouw veranderden in een sprookjeskasteel dat van binnenuit oplichtte en doofde.

De tijdelijke, minimalistische ingrepen zijn voor een boek niet echt geschikt, je moet ze zien: onder de gotische gewelven van de Vleeshal in Middelburg of het hoge cassetteplafond in het voormalige postkantoor aan de Rotterdamse Coolsingel.

Maar voor wie er toen niet bij is geweest, ligt er nu een prachtig uitgevoerde publicatie. Met fotosequenties die een indicatie geven van de monumentale lichtveranderingen die Kruip te weeg heeft gebracht. Aangevuld met haar archief van gevonden afbeeldingen uit kranten, tijdschriften en kunstboeken. Per tweetal zijn ze afgedrukt, gekozen om de overeenkomstige pose van de mensen die erop zijn afgebeeld. Een stenengooier uit Moskou naast een op de Westbank; geweren ladende vrouwen in India naast schietende vrouwen in Vietnam; et cetera.

Het boek sluit af met de fotoserie Aesthetics as a way of survival, afkomstig uit het beeldarchief van de Amerikaanse bioloog J. Albert C. Uy. Uy legde in Australië en Nieuw Guinea de manier vast waarop de prieelvogel zijn nesten bouwt: met oog voor schoonheid en verhoudingen. Gekozen uit Kruips fascinatie voor de ‘optische intelligentie’ die dus ook in de natuur blijkt te bestaan.

Het gevaar bij teksten over werk als dat van Kruip – subtiele intensivering van de waarneming en trouvailles in andermans werk – is dat de aandrang tot intellectuele acrobatiek er doorgaans door wordt aangewakkerd. De bijdragen in het boek van met name kunstcriticus Jan Verwoert en hoogleraar geschiedenis Modris Eksteins getuigen daarvan. Ze schieten alle kanten op, via het belang van bidden en stelen, de afkeer van commercie en de opkomst van de burgerlijke cultuur (bij Verwoert) en Nietzsche, Benjamin, Proust, Jacob Burckhardt en Geert Jan Jansen (Eksteins). Aardige theoretische oprispingen die evenwel onuitgewerkt blijven en daardoor niet de kans krijgen een basale uitleg van Kruips werk te ontvouwen. Het vermoeden dringt zich op dat dat werk hen te weinig aanknopingspunten biedt en hineininterpretieren daardoor de enige uitweg was.

Geslaagder is de aanpak van Dominic van den Boogerd. Ook hij schrijft niet zozeer over Kruip, maar meer over de foto’s uit het archief van Uy. Dat levert een helder verhaal op over de architectonische en artistieke kwaliteiten van de prieelvogel. En hoe deze ‘gevederde artiest’ zich als een kunstenaar uitslooft, door veertjes en reflecterende kevervleugeltjes te rangschikken en te schilderen met een in bessensap gedoopt takje. Intrigerender uitgelegd dan wat er over Kruip wordt opgelepeld.

*****

Meer over