Een werkweek van 80 uur, en toeleggen op je beroep

Werk moet lonen. In de visserij gaat dit lang niet altijd op. Veel vissers verdienen te weinig om uit de kosten te komen....

Door Elsbeth Stoker

’SOchtends vroeg, als de wind nog maar zachtjes waait over het Groningse water, de lentezon voorzichtig begint te schijnen en de andere leden van het gezin Postma nog liggen te slapen, is Gaele Postma (48) op zijn best. Dat is het moment van de dag waarop je de rossige, ietwat stugge noorderling ziet varen in zijn speedboot over het Reitdiep van Zoutkamp. Samen met zijn hond Skip, op zoek naar paling. Op deze momenten vergeet de vijfdegeneratievisser even al zijn verbittering. Want op zulke ochtenden voelt de palingvisser zich wat hij is: ‘Een jager op zoek naar zijn prooi.’

‘Er is dan geen mens, je bent alleen met de natuur. Helemaal op jezelf aangewezen. Het is pure passie’, aldus de nuchtere Groninger.

Turend over het water, op zoek naar afgebroken riet of naar door reigers platgetrapte biezenpollen. Daar vind je de paling. Zo heeft hij het als jonge jongen van opa Gaele geleerd. ‘De brazem schiet kuit in het riet, en dat eet de paling weer. Dus je moet op zoek naar die plekken in het riet’, legt hij uit, terwijl hij wijst naar de andere kant van het glinsterende water.

Gaele is een van de circa tweehonderd overgebleven palingvissers. Nederland telt nog enkele duizenden vissers. Onder meer paling-, kabeljauw- en tongvissers hebben het moeilijk. De afgelopen jaren hielden velen het al voor gezien. Reden: dalende prijzen als gevolg van concurrentie, strengere milieuregels en stijgende brandstofprijzen en materiaalkosten. Onder de circa 200 duizend werkende armen bevinden zich dan ook relatief veel vissers.

In de jaren tachtig verdiende Gaele nog een aardig salaris ‘voor niet al te hard werken, een uurtje of 50 à 60 in de week’. Sinds een jaar of tien werken hij en zijn vrouw allebei zo’n 80 uur in de week. In de winter is het iets rustiger. Om rond te komen, zijn de Postma’s hun eigen palingrokerij en viswinkel begonnen in Zoutkamp. Daarnaast werkt Gaele ook nog zo nu en dan voor het Waterschap. Vroeger sneed hij ook riet, voor de daken van huizen. Maar inmiddels kan hij niet meer op tegen de lage prijzen van Oost-Europeanen. In totaal verdienen zijn vrouw en hij zo’n 60 duizend bruto per jaar. ‘In de tijd van mijn vader leverde een kilo paling 16 tot 20 gulden op, vorig jaar was dat 4 euro. Dit jaar is dat zo’n 5 à 7 euro. De prijzen staan onder druk als gevolg van concurrentie uit China.’ Op zich kan het gezin met drie dochters goed rondkomen met dit inkomen. Maar, zegt Gaele, ‘van dit geld moet ik ook investeringen doen. Zoals nieuwe netten aanschaffen en mijn boten onderhouden. Het is dat ik verder weinig luxe nodig heb.’ Zo gaat hij één keer per jaar op vakantie. ‘Naar de Canarische Eilanden, heb ik alles in een klap gehad. Vaker hoeft van mij niet. Ik hou niet van de rijen op Schiphol.’

Het palingseizoen 2010 belooft nog lastiger te worden dan voorgaande jaren, zegt hij terwijl hij zijn vangst van deze week laat zien. Hij tilt de deksels op van waterbakken in zijn boot. Aanvankelijk is er niets te zien in het donkere water. Maar als de visser begint te roeren met een visnet, kronkelen tientallen glinsterende palingen als slangen over elkaar. Hond Skip rent er enthousiast omheen. ‘Dit is 180 kilo’, schat hij. ‘Het is de opbrengst van de hele week.’

De afgelopen weken heeft de visser er geld op moeten toeleggen om zijn beroep te kunnen uitoefenen. De vissen blijven weg, als gevolg van de noordenwind die al zes weken in Zoutkamp waait. Komende weken hoopt hij zijn slag alsnog te slaan. Dat is hoognodig voor zijn gezin. Want vanaf september – het palinghoogseizoen – tot november geldt het visverbod in de regio (zie inzet). ‘Zo’n 34 duizend euro’, schat hij. Dat is het bedrag dat hij door het verbod aan omzet misloopt. ‘De overheid compenseert hier een deel van. Dat was vorig jaar ook het verhaal. Ik heb afgelopen week, na acht maanden wachten, die 14 duizend euro gekregen.’

Uurtje slaap
Nog geen twintig kilometer verderop, in de haven van Lauwersoog, zit Henk Buijtjes (51) in de kajuit van zijn kotter. Hij heeft een vergelijkbaar probleem. De garnalenvisser – ongekamde haren, een kapotte blauwe visserstrui en klompen aan de voeten – is deze donderdagochtend in de haven aangemeerd na een vistocht die maandag rond 4 uur ’s ochtends begon. Afgelopen nacht heeft de lange, magere visser maar een uurtje in zijn kooi kunnen slapen. De automatische piloot ging kapot en hij moest met de hand zijn kotter door de Noord- en Waddenzee sturen. Dat ene uurtje slaap is het probleem niet. Als garnalenvisser gebeurt het hem geregeld dat hij slechts een paar uur per nacht kan rusten.

Het probleem zijn de achterblijvende verdiensten en het steeds kleiner wordende gebied waar hij en zijn collega’s terecht kunnen. Zo mogen de vissers niet meer komen in gebieden waar windturbines staan. Dat geldt ook voor de nieuw aangewezen stukken Waddenzee waar mosselvissers hun mosselzaad uitzetten. ‘En dan komen daar ook nog eens stukken zee bij die aangewezen zijn als natuurgebied in het kader van Natura 2000.’ Deze ‘waardevolle stukken natuur’ wil de de overheid beschermen door ‘activiteiten te verbieden die de natuur onnodig kunnen schaden’. De garnalenvisser heeft echter zijn bedenkingen bij het effect van deze strenge regels.

Het is dat zijn vrouw een goed inkomen heeft als lerares, zegt Henk. ‘Want anders... Ik moet er de laatste jaren geregeld op toeleggen om uit te varen.’ Sommigen van zijn collega’s zijn in de schuldsanering beland, anderen hebben hun schip verkocht aan garnalenhandelaren en leasen de boot nu terug. Het lukt Henk nog wel om aan zijn verplichtingen te voldoen. Maar soms ligt hij wakker van zijn hypotheek. Hij heeft een schuld van 350 duizend euro, geleend om zijn boot uit 1946 te kopen. ‘Deze is na de Tweede Wereldoorlog gebouwd van tweedehands staal. Dat is niet het beste materiaal.’ Hij moet er niet aandenken dat zijn oude motor het begeeft. ‘Want ik heb geen 10 duizend euro liggen om hem te repareren.’

De garnalen moeten circa 3,75 euro per kilo opbrengen om kostendekkend te kunnen werken en knecht Berend te kunnen betalen. Vorig jaar brachten de garnalen 2 euro op, nu ligt de prijs rond de 4 euro.

‘Ik heb vorig jaar mijn knecht zo’n 35 duizend bruto betaald, voor zo’n 80 uur in de week werken’, rekent Henk uit. ‘En zo’n 60 duizend in mijn boot geïnvesteerd. Dan blijft er weinig over voor mij. Berend verdient meer dan ik, en ik ben hier de ondernemer.’

Eigenlijk zou hij een derde bemanningslid moeten inhuren. Althans, dat eist de rusttijdenwet. Het idee is dat alle bemanningsleden dan minimaal zes uur per nacht achtereen kunnen slapen. Henk: ‘We slapen nooit langer dan anderhalf uur achter elkaar, ook niet als er een derde bemanningslid zou zijn. Want als de netten vol zitten met garnalen moet iedereen helpen.’

Een onzinregel, mompelt Berend (54) die op het dek de netten repareert. Ook Berend heeft sinds terugkomst in de haven nog geen moment slaap gehad. Hij is gekleed in een jarenoud vissertenue, op zijn hoofd draagt hij een muts. Zijn sjekkie blijft bewegingloos in zijn rechtermondhoek zitten, terwijl hij zijn frustratie uit over de ‘groene bobo’s en de zakkenvullers uit Den Haag’. Al op zijn 12de belandde hij in de visserij. Want studeren? ‘Dat kon ik niet.’ Hij weet dus waarover hij praat als hij het over vissen heeft, wil hij maar zeggen. Zijn gezicht is verweerd door vele uren in de zon en de zeewind. Nu 42 jaar later, redt hij het nog uitstekend om bijna aan een stuk door 80 uur te vissen. Een derde kracht is dus nergens voor nodig, vindt hij. En trouwens, Henk en hij kunnen het niet betalen. ‘Dan kunnen we net zo goed met zijn allen de bijstand in.’

Verdronken
‘Palingvissen, ga ik er voor of niet?’ Deze vraag kreeg Gaele Postma uit Zoutkamp in 1984 voorgelegd. Zijn vader, eveneens visser, was net verdronken en het was aan hem om het familiebedrijf en de -traditie voort te zetten. Er lang over nadenken hoefde niet, vertelt hij terwijl de speedboot over het water bonkt.

Woest kan hij zich maken om types als Marianne Thieme van de Partij van de Dieren. ‘Zij roept maar dat wij het water leegvissen. Ik kijk wel uit. Want als ik meer dan 6.000 tot 8.000 kilo vis, weet ik dat ik volgend jaar geen vis kan vangen. En laat staan dat een van mijn kinderen de zaak dan zou kunnen overnemen.’

Vorig jaar is hij naar de Tweede Kamer gegaan om zijn zaak te bepleiten. ‘Dan hoor je daar Thieme doodleuk zeggen: ‘Die vissers kunnen toch wat anders gaan doen. Dat hebben de mijnwerkers uit Limburg destijds ook gedaan.’ Ze maakt zich wel druk om dieren, maar inleven in mensen, ho maar.’

Voor Gaele is er geen ander beroep, zegt hij als hij de boot aanmeert aan de kade. Hij staart over het water als hij hierover vertelt. Zijn ogen knijpt hij samen om het felle zonlicht te trotseren, zijn armen klemt hij over elkaar. ‘Stoppen zou vrij lastig zijn, ik kan de zaak en de schepen niet eens verkopen. Wie wil nou iets overnemen als je de komende jaren drie maanden per jaar niet mag vissen? Als ik stop, zijn alle investeringen voor niks geweest.’

Stilte.

‘Ik wil er niet aan denken’, zegt Gaele even later. ‘Ik ben creatief ingesteld en zoek oplossingen voor problemen. Maar als ik zou moeten stoppen, zou het een tijdje niet zo goed met me gaan.’

Garnalenclan
‘Het jaar 1620’, zegt Henk Buitjes als je hem vraagt naar de geschiedenis van zijn ‘garnalenclan’. ‘Dat was het jaar waarin mijn stamvader Krijn koos voor de visserij. En in 1884, het jaar van de zware storm, verdronken vijf van mijn familieleden.’

Henk is de tiende generatie die koos voor een leven op het water. Hij brengt meer tijd door in zijn kotter dan thuis. De keuze kwam vanzelf. Want vis, daar heeft het van jongs af aan bij hem thuis om gedraaid. Zijn familie werkt met vis, eet vis en praat over vis. Vorig jaar is de garnalenvisser voor het eerst op vakantie geweest. Naar Noorwegen. Om te vissen.

De vrijheid van het water, dat maakt het vak zo mooi, vertelt hij. ‘De beste momenten zijn de nachten dat je de wacht moet houden, en je onder een heldere sterrenhemel uitkijkt over een spiegelgladde zee.’ Zulke momenten maken dat hij het vak nog steeds de moeite waard vindt.

De laatste jaren bekruipt hem echter steeds vaker het gevoel dat hij ‘Don Quichote is die tegen de windmolens vecht’. De hoeveelheid garnalen, de locaties waar hij vist, van alles moet vastgelegd worden, zegt hij. Omdat zijn visgebied in Nederland slinkt, wijkt hij zo nu en dan uit naar Denemarken. Nadeel is dat hij dan steeds langer onderweg is én nog minder thuis is. ‘Ik merk dat ik veel mis van de kinderen. Eentje begint nu echt te puberen. Zulke dingen hoor ik dan van mijn vrouw.’ Welke belangrijke momenten in hun leven hij al heeft gemist? ‘Je mist de dagelijkse dingen. Gelukkig ben ik wel bij hun geboorte geweest.’

Vangstverbod genegeerd
Ook palingvisser Gaele Postma bekruipt vaak het gevoel dat hij vecht tegen de bierkaai. ‘Mijn opa moest alleen zijn inkomen opgeven, om belasting te betalen. Ik moet elke week doorgeven wat ik gevangen heb. De overheid is net Big Brother.’ De steeds strengere regels geven hem een gevoel van machteloosheid. ‘Dit is de afgelopen zes jaar steeds erger geworden. Ik merk dat het me steeds verbitterder maakt, en dat ik steeds vaker tegen de overheid aan trap.’

Als het hem te veel wordt, gaat-ie varen over het Reitdiep met Skip óf grijpt hij naar pen en papier. Vele Kamerleden hebben al handgeschreven brieven van de palingvisser ontvangen. Antwoord? Nee, dat heeft hij nog nooit gekregen.

Binnenkort mag hij zich verantwoorden voor de rechter. Vorig jaar heeft hij het visverbod genegeerd, omdat het volgens hem zinloos is. ‘De lage palingstand heeft te maken een gebrek aan voedsel in het water. En niet met overbevissing. De macrofauna die de paling eet, verdwijnt geleidelijk vanwege de vervuiling. Daardoor zijn er minder palingen. Als wij niet meer op ze mogen vissen, zetten we ook geen glasaal meer uit. De vis verdwijnt dan sowieso. Dus het verbod gaat niet werken.’

Kom eens kijken, zegt Gaele als hij uit zijn boot klimt en over de kade naar zijn garage loopt. ‘Het heeft een paar centen gekost, maar dan heb je ook wat.’ Hij rolt een professioneel gemaakt spandoek uit. ‘Paling kapot in gemaal door LNV verhaal’, staat er in grote rode letters op. Wat hem betreft zou het visverbod niet moeten gelden bij gemalen. ‘De paling die daar zwemt, kun je het beste opvissen. Ze worden anders even later vermalen door het gemaal.’

De gang naar de rechter schrikt hem niet af. Sterker nog, de palingvisser broedt alweer op nieuwe acties om aandacht te vragen voor zijn zaak. ‘Ik heb zojuist 14 duizend euro van de overheid gekregen, als compensatie voor de inkomsten die ik vorig jaar ben misgelopen. Ik denk dat ik dat geld in een potje stop om de rechtszaken en boetes te betalen.’ Want één ding weet hij zeker, zijn beroep zomaar opgeven doet hij niet. ‘Ik vecht voor mijn broodwinning.’

Meer over