Een wereld zonder sprookjes

DRIE VROUWEN, Augusta, geboren in 1895, Alice, geboren in 1940 en Angelica, geboren in 1984. Een huis, dat als familiehuis dienstdoet en waaraan alle betrokkenen zo hun herinneringen hebben....

Ik heb dat niet, maar toch had ik na het lezen van Augusta's huis het gevoel het oeuvre van Axelsson wel te kennen. Het is een andere manier om te zeggen dat Augusta's huis me niet heel erg geboeid heeft, of misschien zou je het ook zo kunnen forumuleren: er ontbreekt iets in dit werk dat je nieuwsgierig maakt, niet naar nieuwe verhalen - die horen en zien we genoeg in de krant en op de tv -, maar naar een nog niet eerder beleefde manier van schrijven, die je tenminste van tijd tot tijd de verrukking van het woord schenkt.

Axelsson schrijft saai, en dat wordt er in een vertaling uiteraard niet beter op. Ik matig me geen oordeel aan over de technische kwaliteit van de Nederlandse vertaling - ik beheers het Zweeds niet -, maar ik kan vanzelfsprekend wel het Nederlands van dit boek beoordelen en dat is niet erg sprankelend, opwindend of meeslepend, nog afgezien van de rare zinnen die van tijd tot tijd opduiken, of vreemde woorden als 'industrialisme' die in de Van Dale niet voorkomen ('industrialisme' is in het Nederlands 'industrialisering' of 'industrialisatie', het begrip kruidt Axelssons drama met de nodige sociaal-economische retoriek).

Maar goed, u zit, evenmin als ik, op uitsluitend negatief gezeur te wachten. U wilt iets positiefs. U wilt de wervende aanbevelingen van de reclame, of van de eigentijds-populistische criticus. U wilt horen dat u Augusta's huis vooral moet lezen.

Tot mijn moeder, als ze nog leefde, zou ik zeggen: Lieverd, lees het, het is een heerlijk boek. Het gaat over een vrouw, Augusta, die lang geleden, in de tijd dat jij nog jong was, zwanger en wel naar het plaatsje kwam waar ze haar leven lang in kommervolle omstandigheden is blijven wonen. Ze kreeg zelfs een goedzak van een vent, die dingen komen voor, je weet het uit je eigen familiegeschiedenis. Ze kreeg het kind, en kreeg er een hekel aan, en het kind, dat opbloeide tot een wonderschoon meisje, dat eenmaal geslachtsrijp als een wildebras alle viriele knapen van het stadje tegen de klippen op neukte, kwam uiterst tragisch aan haar einde.

Maar het boek gaat niet alleen over die vrouw, die Augusta, die tot op hoge leeftijd prachtig, lang, bruin haar heeft, en die eveneens tot op hoge leeftijd de verlichte boodschap van de sociaal-democratie uitdraagt, want als er iemand in haar leven het onrecht van het meedogenloze kapitalisme, van het industrialisme, sorry van de industrialisering, aan den lijve heeft ervaren, is zij het.

Zij komt op voor de vrouw, voor de belangen van de vrouw, maar nog tijdens haar leven moet zij met lede ogen aanzien dat de omstandigheden zodanig veranderd zijn - door de sociaal-democraten? - dat vrouwen vrij en onafhankelijk kunnen zijn, zich niettemin door het manvolk laten knechten, zich voortijdig laten bezwangeren en omkomen in ellende. Wat is dat toch met vrouwen?

Het boek gaat ook over Alice, die ook al moeite heeft met háár geslachtsdrift én die van de mannen, maar er toch in slaagt zich dankzij avondstudie op te werken en te huwen met een wiskundige geleerde, die niet de vader is van haar eerste kind. Alice vertegenwoordigt, zeg maar, de naoorlogse generatie. Kansen gehad. Rijk, of althans redelijk well to do geworden.

Alice bezoekt regelmatig het verlaten huis van Augusta, haar grootmoeder, en probeert daar iets van Augusta en van haarzelf terug te vinden, iets van de poëzie die van het leven deel moet uitmaken wil het geleefd kunnen worden, iets van de sprookjes van haar grootmoeder die in de loop van haar leven moest constateren dat mét de vooruitgang de poëzie, het sprookjesachtige uit het leven verdween.

Ik weet niet of het de bedoeling van Majgull Axelsson was, maar zo beleefde ik het wel: die Alice (niet voor niets te associeren met 'in Wonderland') heeft meer met de fantasie en verbeelding, de humor en relativering, de wijsheid en gelatenheid, die je in dit geval met dat sprookjesachtige van Augusta verbindt, dan haar grootmoeder, die in haar omvang, haar botheid, haar hardheid ook, nogal geharnast overkomt (al zit ze soms op een wolk boven de nog levenden en drijft ze op de wind van haar sociaal-democratische maatschappijkritiek met hen mee in de verkeerde richting).

Eén ding staat vast: Alice is en blijft getrouwd. Erg vrolijk gaat het er in dit middenklasse-huwelijk niet aan toe, maar wat kan het bommen. Het leven is geregeld, en af en toe flakkert de hartstocht heus nog wel op. Alice en haar man hebben in elk geval geen hekel aan elkaar.

Dat is te weinig, moet Axelsson gedacht hebben, ofwel om haar verhaal weer wat gedurfder te maken, ofwel omdat de moraaltheologe in haar een zekere harmonie tussen man en vrouw weigert te accepteren, ofwel omdat er in dit soort broeierige Zweedse sfeer nu eenmaal altijd gestraft moet worden (ook als langzamerhand van schuld geen sprake meer is). Hoe dan ook: Alice stapt op een goeie dag, ik geloof na een jaar of veertig, weer in bed bij de verwekker van haar eerste zondige vrucht, en krijgt kort daarna het bewijs dat haar eigen man, de rustige wiskunde-professor, het al vijf jaar doet met een buitengewoon charmante collega uit Chicago. Weg huwelijk. Eindelijk vrijheid.

En toen hadden we er nog een, de moeilijkste, want van deze tijd, de kleine, lastige Angelica, die eruitziet als een slons, graag ten overstaan van iets mannelijks dat naar oregano riekt haar broek laat zakken en haar benen spreidt, en kunstenares wil worden (maar betwijfelt of dat voor haar soort wel is weggelegd). Angelica moet voor Axelsson een tour de force zijn geweest, en ik moet zeggen, ofwel doordat ikzelf inmiddels ver verwijderd ben geraakt van welk soort jeugd dan ook, ofwel doordat de schrijfster hier voor het eerst buiten haar eigen belevingswereld moet treden: die Angelica komt nog het beste uit de verf.

Ja, ook met haar loopt het slecht af. Heel slecht. Maar voordat het zo ver is, is Axelsson er voor het eerst in haar boek enigszins in geslaagd mij als 'ongeneeslijke lezer' voor haar vertelling te winnen. De passages die de kleine Angelica alleen, in bittere koude, in het lege familiehuis doorbrengt, voordat ze zelf haar nog nauwelijks begonnen leven beëindigt, raken je niet alleen vanwege de aangrijpende gebeurtenis, maar vooral ook door de manier waarop dit slotakkoord is getoonzet. IJzig. Boeken als dit bieden de lezer veel, veel woorden, veel mensen, veel gebeurtenissen en vooral veel emotionaliteit, werkelijk een lekker bordje vol.

Maar wat krijg je in werkelijkheid? Een poging het leven te laten zien zoals het is, pogingen die na Gustav Hedenvind-Eriksson, Moa Martinsson, Jan Fridegård, Ivar Lo-Johansson en Vilhelm Moberg, sociaal gerichte auteurs uit het interbellum in Zweden, gedoemd zijn te mislukken. Hoe realistischer iemand een omvangrijk stuk van de wereld - psychologisch, intermenselijk, politiek, sociaal - voor je tracht te ontvouwen, des te meer verdwijnt datgene wat literatuur zo enerverend maakt (haar mogelijkheden die in het niet-realistische verborgen liggen). 'Realistische' schrijvers als Axelsson, die ook lang journalist is geweest, zoeken steevast houvast bij de dingen die ook het dagelijkse leven lijken te structureren (terwijl die 'dingen' ook maar willekeurige denkbeelden, om niet te zeggen clichés zijn). Het verhaal verdwijnt, de taal wordt schraal, want nuchter en alledaags, gewoon. Je krijgt iets wat je mutatis mutandis al kent.

De behoefte daaraan is onuitputtelijk.

Meer over