Een wedstrijd die de tijd veranderde

Nadat het Nederlands elftal op 21 juni 1988 West-Duitsland had verslagen in de halve finale van het Europees kampioenschap voetbal, schreef Jules Deelder het Nationaal gedicht:

O hoe vergeefs

des doelmans hand

zich strekte naar de bal

die een minuut

voor tijd de Duitse

doellijn kruiste.

Zij die vielen

rezen juichend

uit hun graf.

De doelman was Eike Immel. Een minuut voor tijd strekte hij zich vergeefs naar de bal die door Marco van Basten was ingeschoten. Het was een bevrijdend doelpunt, in meer dan één opzicht.

Ik kan het zien en ik voel het nog steeds, 25 jaar later. Ik zie het doelpunt omdat het ontelbare malen op televisie is getoond, maar vooral omdat ik het destijds in het stadion zag, vanuit een ander perspectief, vanaf stoel 41 in blok 11 op rij 22 van de Haupttribüne van het Volksparkstadion.

Ik zie het doelpunt het liefst zoals toen, aan de linkerkant van het veld, met de pass van Wouters en het schot van Van Basten en zonder het commentaar van Evert ten Napel. Eerst was er het ongeloof, onmiddellijk daarna de onmetelijke vreugde en opluchting. We wonnen. Eindelijk.

Elke gedachte aan dat doelpunt, aan de rit naar Hamburg in de rode Toyota Carina van Frank Snoeks, het bezoek aan de Reeperbahn en zelfs de intense dofheid die ons overspoelde na de openingstreffer van Matthäus, ontroert mij nog steeds. Toen het elftal na afloop terugkeerde op het veld, om de zege te vieren en de supporters te bedanken en zout te strooien in de wonden van de Duitsers, toen Ronald Koeman deed alsof hij zijn reet afveegde met het shirt van Olaf Thon, kon ik mijn tranen nauwelijks bedwingen.

Alles kwam samen en Deelder schreef hoe het was. Zijn gedicht maakt deel uit van de hoogste divisie, die van De Dapperstraat van J.C. Bloem en Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman. Hij is erin geslaagd in 28 woorden een van de meest bepalende naoorlogse momenten uit de Nederlandse geschiedenis te vangen en te ontleden.

De wedstrijd in Hamburg was doordrenkt met de Tweede Wereldoorlog; óók met de verloren WK-finale van 1974 natuurlijk, maar vooral met de oorlog.

De oorlog was overal. Op een spandoek stond dat iemand de fiets van opa had teruggevonden en er werden ontelbare grappen over Duitsers en hun besmette verleden gemaakt. Pas na 21 juni 1988 drong tot me door dat ik niet lang na de Tweede Wereldoorlog was geboren, zoals ik altijd had gedacht, maar kort; dat dertien jaar geen eeuwigheid is. De spelers waren niet veel ouder dan ik.

Niemand ontsnapte aan het ondefinieerbare gevoel van revanchisme. Mijn vader, een rustige, verstandige man, bond de volgende dag een oranje handdoek aan de antenne van zijn auto, een voor zijn doen uitzinnig gebaar. Hij vergeleek de explosie van vreugde in Nederland met de bevrijdingsfeesten.

De halve finale was voor Nederlanders een 'massale vorm van psychotherapie', schreef hoogleraar Peter Groenewold later. In zijn proefschrift over de historische verhouding tussen Nederland en Duitsland speelde de wedstrijd in Hamburg een voorname rol.

Groenewold schreef over de 'intense agressiviteit', die goddank niet fysiek was, en stelde vast dat de overwinning door veel Nederlanders als een verlossing werd ervaren. 'Het bevrijdende succes' maakte het volgens hem mogelijk dat de verstandhouding tussen Nederlanders en Duitsers zich voortaan wat soepeler zou ontwikkelen.

Precies dat maakt de halve finale van het EK'88 zo onvergetelijk en zo waardevol. West-Duitsland - Nederland, gespeeld op 21 juni 1988 in Hamburg, is de belangrijkste voetbalwedstrijd uit onze geschiedenis. De triomf was een einde en tegelijkertijd een nieuw begin. We konden verder, de tijd was veranderd.

Paul Onkenhout is redacteur van de Volkskrant.

Reageren? twaalfdeman@volkskrant.nl

undefined

Meer over