Analyse

Eén voor allen, ieder voor zich: waarom de Fransen alles en iedereen wantrouwen

null Beeld Illustratie: Eleanor Shakespeare, foto’s: AP, AFP, EPA, Getty
Beeld Illustratie: Eleanor Shakespeare, foto’s: AP, AFP, EPA, Getty

Frankrijk-correspondent Daan Kool neemt na 2,5 jaar afscheid van een volk dat niet alleen de overheid wantrouwt, maar ook elkaar. Waar komt die neiging vandaan? En wat doet het met de samenleving?

Sommige gebeurtenissen blijven je leven lang haarscherp op je netvlies staan. Ik vermoed dat de brand in de Notre-Dame voor mij zo’n gebeurtenis is. De torenhoge vlammen die de lucht een rode gloed gaven, het geluid van de rondcirkelende helikopter, de scherp-bijtende brandgeur, de verbijstering in de blikken van de omstanders, hun bevreemdende stilte: ik herinner het me alsof het eergisteren was.

Wat ik waarschijnlijk ook nooit zal vergeten, zijn de woorden van een ouder echtpaar dat achter een politieafzetting naar de brandende kathedraal stond te kijken. ‘Het is wel erg bizar, hè’, vonden Christine en Daniel – zoals veel Fransen die ik als correspondent op straat aansprak, hielden ze hun achternaam liever voor zich. ‘Bizar’ was een tamelijk adequate samenvatting van de situatie. Maar aan de manier waarop ze het woord uitspraken, merkte ik onmiddellijk dat ze iets anders bedoelden.

‘Laatst was er ook al brand in de Saint-Sulpice’, zei de man van het stel met een veelbetekenende blik. ‘En nu gaat de Notre-Dame in vlammen op. Vlak voor Pasen nog wel. Moeten wij nu geloven dat het allemaal toeval is?’

In de Saint-Sulpice, de een-na-grootste kerk van Parijs, had een maand eerder inderdaad een brandje gewoed, de wanhoopsdaad van een dakloze die voor de deur van de kerk zijn kleren in brand had gestoken.

Voor de hypothese dat het vuur in de Notre-Dame was aangestoken, bestond kort na het uitbreken van de brand geen enkele aanwijzing. Ook na uitvoerig onderzoek bleek dat er geen opzet in het spel was geweest. Maar dat het om een noodlottig ongeluk ging, wilde er bij Christine en Daniel niet in. Daarvoor was het allemaal veel te toevallig. Nee, de échte gang van zaken werd door de regering verzwegen.

Dat sentiment – er is hier meer gaande, de autoriteiten voeren iets in hun schild – speelde een rol in bijna elke reportage die ik de voorbije tweeënhalf jaar in Frankrijk maakte.

Achterdocht

De minister van Ecologie kon wel zeggen dat de aanscherping van de jachtregelgeving diende om de neergang van zeldzame vogelsoorten te remmen, eigenlijk ging er natuurlijk een geheime beleidsagenda van landonteigening achter schuil, vertelde een jager me terloops terwijl hij in zijn lieslaarzen door de modder banjerde. Bewijs voor die stelling had hij niet, hij voelde het gewoon.

De regering kon wel zeggen dat de horeca in Marseille eind september tijdelijk moest sluiten om het voortwoekerende coronavirus een halt toe te roepen, eigenlijk hadden ze in Parijs gewoon een hekel aan de opstandige Marseillenaren, zei bijna iedereen die ik in de Zuid-Franse havenstad sprak, zonder een spoor van twijfel. Wie dat niet inzag, was naïef.

Ook dichter bij huis manifesteerde de achterdocht ten aanzien van de autoriteiten zich voortdurend. Een verhoging van de parkeerboetes was nooit gewoon een verhoging van de parkeerboetes. Nee, daar lag een heimelijk plan aan ten grondslag om de gemeentekas te spekken. Daar waren de buurman, de bakker en mijn ex-schoonfamilie het roerend over eens.

Complotdenken is in de westerse wereld aan een verontrustende opmars bezig, maar de Fransen zijn er bijzonder vatbaar voor. 43 procent van de bevolking denkt dat de overheid en de farmaceutische industrie de schadelijkheid van vaccins verhullen. 25 procent denkt dat de elite immigratie stimuleert om de autochtone bevolking te vervangen. 22 procent denkt dat er een mondiaal zionistisch complot bestaat. ‘Wat is de echte macht van gaynetwerken?’, kopte businessblad Challenges een paar jaar terug zonder enige gêne.

Onder dat wijdverbreide geloof in wilde theorieën ligt een nog veel breder gedeeld diep wantrouwen. 85 procent van de Fransen heeft het gevoel dat de politieke leiders zich niet om hen bekommeren, 74 procent noemt politici corrupt, blijkt uit onderzoek van het politicologische opleidingsinstituut Sciences Po uit 2019. De achterdocht die uit de enquêtes naar voren kwam, was zo groot dat het instituut de periodieke rapportage ‘barometer van het politieke vertrouwen’ dat jaar ‘barometer van het politieke wantrouwen’ noemde.

De meeste Fransen wantrouwen niet alleen de boven hen gestelden; op een paar uitzonderingen na wantrouwen ze álle instituties. En, nog elementairder: ze wantrouwen elkaar. 71 procent van de bevolking vindt dat je ‘nooit voorzichtig genoeg kunt zijn als je met anderen te maken hebt’.

Zijn de Fransen altijd zo wantrouwig geweest? En wat doet het met een samenleving als elke interactie met een onbekende of een autoriteit met argwaan is omgeven?

Diep verankerd

Politiek wantrouwen is geen exclusief Frans fenomeen. Het gevoel dat politici niet te vertrouwen zijn en als het erop aankomt niet het beste met de bevolking voorhebben, houdt niet op bij de Mont Blanc- of de Kanaaltunnel. Maar in Frankrijk is het dieper in de samenleving verankerd dan elders.

Je zou kunnen zeggen dat een zekere mate van achterdocht tegenover de uitvoerende macht zit ingebakken in het Franse dna. Frankrijk was een lappendeken van gebiedjes die cultureel en taalkundig enorm van elkaar verschilden, tot absolute vorsten als Lodewijk XIV alle macht naar zich toe trokken. De Zonnekoning schiep een hypercentralistische staat en maakte van Frankrijk de militaire, politieke en culturele hegemoon van Europa.

In zekere zin bestaat die almachtige staat nog altijd. De Franse monarchie mag de revolutie van 1789 niet hebben overleefd, de centralistische machtsstructuur deed dat wel. ‘Fransen hebben torenhoge verwachtingen van de staat’, zegt politiek socioloog Luc Rouban. ‘Alle ogen zijn naar boven gericht, naar de top, of daar nu een koning staat of een president. L’État, c’est le guide, c’est le chef.’

Middelmaat

Zolang de staat aan die verwachtingen kan voldoen, is er weinig aan de hand. Alleen lukt dat sinds grofweg de tweede helft van de 20ste eeuw steeds minder. De Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie confronteerden de Fransen bruusk met het feit dat hun land op het internationale toneel nog slechts een middelmatige speler is.

De Trente Glorieuses, de dertigjarige naoorlogse periode die van Frankrijk een moderne consumptiemaatschappij maakte, kon nog een roes oproepen van optimisme en welvaart, maar daarna zette ook op economisch vlak de stagnatie in. Langzaam maar zeker werd het Franse collectieve bewustzijn bevangen door een gevoel van neergang.

Nog altijd kun je Fransen zonder overdrijving horen zeggen dat er sinds Charles de Gaulle geen goede president meer is geweest. Het Franse electoraat heeft een voorliefde voor wat Rouban ‘bonapartistische figuren’ noemt, daadkrachtige types die de belofte van het terugwinnen van de verloren grandeur belichamen. Mannen als Emmanuel Macron, die het presidentschap weer ‘jupéterien’ zou maken, naar de Romeinse oppergod.

Zeker toen hij net in het Élysée zat en nog niet door de gele hesjes was teruggefloten, deed Macron die typering eer aan. Hij omringde zich met gelijkgestemde technocraten die niet werden gehinderd door enige noemenswaardige politieke ervaring. Hij liet zich zelden interviewen, omdat, zo zei zijn woordvoerder, zijn manier van denken daarvoor ‘te ingewikkeld’ was.

Maar net als zijn voorgangers heeft Macron niet kunnen verhinderen dat Frankrijk op internationaal vlak vaak de tweede viool speelt, hetgeen onlangs werd geïllustreerd door het echec rondom de vaccinontwikkeling van het Franse farmacieconcern Sanofi en het Institut Pasteur, die er in tegenstelling tot hun Britse, Duitse en Amerikaanse concurrenten niet in zijn geslaagd een effectief coronavaccin te ontwikkelen.

Frankrijk is niet meer bij machte de belofte van nationale grootsheid in te lossen, maar heeft ook geen sluitend antwoord weten te vinden op de roep om inspraak en kleinschaligheid die achter het ‘Macron, rot op’ van de gele hesjes schuilging. De voortdurende teleurstelling en het algehele wantrouwen tegenover de politiek zijn daarvan de gevolgen.

Bij gebrek aan beter

Je kunt je afvragen of zo’n verklaring niet al te deterministisch is. Loopt er echt een rechte lijn van Lodewijk XIV via Napoleon naar Macron? Zijn de Fransen de eeuwige gevangenen van hun eigen geschiedenis? Het toeval speelt ook een rol. Als presidentskandidaat François Fillon – wie kent hem nog? – niet had gesjoemeld ter verrijking van zijn vrouw, was Macron vermoedelijk helemaal geen president geweest.

De meeste recente Franse presidenten werden verkozen bij gebrek aan beter, zegt Rouban. Hun electorale basis is beperkt: in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen stemde slechts 24 procent van de Fransen op Macron. In de tweede ronde kozen velen met de wasknijper op de neus voor hem om Marine Le Pen uit het Élysée te houden.

Eenmaal verkozen hebben Franse presidenten niettemin meer macht dan regeringsleiders in andere parlementaire democratieën. Dat is wel degelijk een erfenis van de politieke geschiedenis: sinds Charles de Gaulle in 1958 ten tijde van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog de Vijfde Republiek invoerde, is het parlement relatief tandeloos. Vrijwel alle beslismacht ligt bij de president. Falend beleid komt automatisch op zijn conto.

Het maakt Franse presidenten haast inherent impopulair. Slechts 36 procent van de bevolking heeft fiducie in Macron. Naar Franse maatstaven is dat heel behoorlijk: zijn voorgangers François Hollande (23 procent) en Nicolas Sarkozy (27 procent) kwamen er, toen ze even lang president waren, nog een stuk bekaaider vanaf.

Dat de Fransen hun leiders wantrouwen is één ding, ingrijpender is dat ze ook elkaar niet vertrouwen. ‘Denkt u dat het mogelijk is vertrouwen in anderen te hebben, of kun je nooit wantrouwig genoeg zijn?’, werd in de jaren negentig gevraagd aan respondenten van de World Values Survey. Van alle 82 landen kwam Zweden uit de bus als wereldkampioen vertrouwen: 66 procent van de bevolking zei vertrouwen in anderen te hebben. In Nederland was dat 60 procent, goed voor de vijfde plek.

Met 21 procent eindigde Frankrijk op de 58ste plaats, achter landen als Mexico en Polen, voornamelijk omringd door staten die vele malen armer waren of waar recentelijk gewapende conflicten hadden gewoed.

Voorzichtig

Om misverstanden te voorkomen: ik ben geen aanhanger van het onnozele adagium ‘Frankrijk is een mooi land, jammer dat er Fransen wonen’. Integendeel. Van de Elzas tot de Pyreneeën kwam ik open, spontane Fransen tegen die uitgebreid de tijd namen voor een gesprek met een Nederlandse verslaggever. Ze waren vriendelijk en gastvrij, een enkele keer zelfs zo gastvrij dat ik binnen de kortste keren aan de open haard zat, de zelfgestookte brandewijn zo beleefd mogelijk afslaand.

Veel mensen die ik aansprak vertelden honderduit – je kunt veel van de Fransen zeggen, maar kort van stof zijn ze niet. Vaak stelden ze ook vragen terug. Het cliché dat Fransen navelstaarderig en chauvinistisch zijn, klopt naar mijn ervaring niet, of in elk geval niet meer. Veel Fransen waren nieuwsgierig naar hoe het er in het kleine, rijke, noordelijke Nederland aan toeging en veronderstelden dat de zaken bij ons beter waren geregeld dan in hun land.

Maar even zo vaak stuitte ik op een muur van achterdocht. Vooral aan de telefoon – via de mail lukte het doorgaans überhaupt niet om iemand te pakken te krijgen – werden ogenschijnlijk eenvoudige verzoeken met de grootst mogelijke omhaal in behandeling genomen, alsof ik inzage in staatsgeheimen had gevraagd.

Aan een middagje meelopen met twee jagers, in het grote geheel der dingen toch een tamelijk futiele reportage, gingen tientallen tevergeefse telefoontjes vooraf. ‘Nee, helaas, onze jagers praten niet met de pers’, zei de voorzitter van een regionale jachtvereniging. ‘Daar hebben we slechte ervaringen mee. Jullie maken ons altijd zwart.’ Bovendien, waarom was een krant uit Nederland eigenlijk geïnteresseerd in jagers in Frankrijk? Bij ons werd toch zeker ook wel gejaagd?

Een afspraak met een groep fanatieke gele hesjes in een dorpje bij Toulouse leek op een scène uit een slechte spionageroman. De informele aanvoerder van het stel piekerde er niet over om een fotograaf en een verslaggever te ontvangen bij hun hoofdkwartier, een soort geïmproviseerde camping op een rotonde. ‘Ik vertrouw journalisten voor geen meter’, zei hij aan de telefoon. Hij gaf me het adres van een plaatselijke kroeg en sloot af met de woorden: ‘Je herkent me aan de gele sleutelhanger op mijn tafeltje.’

Het spreekt voor zichzelf dat mensen enige terughoudendheid betrachten wanneer ze worden benaderd door een wildvreemde journalist. Dat zou ik, in alle eerlijkheid, ook zeker doen. Maar in Frankrijk was de voorzichtigheid in sommige gevallen wel buitenproportioneel.

Op de Rue de Rivoli wilde een passant me best vertellen wat ze ervan vond dat die Parijse verkeersader autovrij was gemaakt, maar niet voordat ze eerst uitvoerig mijn perskaart had bestudeerd.

De argwaan manifesteerde zich ook in mijn privéleven. Toen ik met mijn telefoon een straat fotografeerde en een voorbijganger me op hoge poten kwam vertellen dat ik niet het recht had hem op de foto te zetten, bijvoorbeeld. Of die keer dat ik mijn wasmachine te koop aanbood op Leboncoin, het Franse equivalent van Marktplaats, en een potentiële koper plotseling afhaakte omdat ik na een paar uur nog niet op zijn laatste bericht had gereageerd. ‘Ik vertrouw u niet’, schreef hij letterlijk. ‘Ik ga ergens anders zoeken.’

Kloof

Meer dan Nederlanders, Duitsers of Britten gaan Fransen er impliciet van uit dat een ander weleens kwade bedoelingen kan hebben. Niet alleen wanneer daar een gegronde reden voor is, maar altijd, als reflex of automatisme. Als er zoiets bestaat als het Franse onderbewustzijn, dan loopt daar een diepe kloof tussen de eigen, veilige groep en de boze buitenwereld. Voor een correspondent, in de kern per definitie een buitenstaander, is dat soms lastig.

Die kloof is niet denkbeeldig. 93 procent van de Fransen heeft vertrouwen in hun naasten, bleek uit onderzoek van Sciences Po. Buiten de eigen kring daalt dat percentage snel. Slechts 40 procent van de Fransen geeft iemand die ze net hebben ontmoet het voordeel van de twijfel. Wie niet binnen de familiale en amicale cirkel valt, wordt met argusogen bekeken.

Ook voor instituties geldt: hoe verder weg, des te groter het wantrouwen. Tekenend is het feit dat nabije autoriteiten als de burgemeester en de huisarts wél worden vertrouwd. Al is er ook een groep Fransen die zelfs niet meer op de eigen groep durft te rekenen. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat veel kiezers van Marine Le Pen, maar bijvoorbeeld ook veel gele hesjes, helemaal niemand meer vertrouwen. Eén voor allen, ieder voor zich.

‘Fransen zijn altijd bang dat ze worden opgelicht’, zegt Thierry, een bevriende fotograaf die jarenlang in het buitenland heeft gewoond. ‘Door de automonteur, de boekhouder of advocaat. Door iedereen, eigenlijk. We zijn zo achterdochtig dat we ons niet eens meer afvragen waarom. Het zit in onze genen.’

Volgens onderzoekers wordt het Franse wantrouwen deels veroorzaakt door het onderwijssysteem, dat sterk gericht is op individuele prestaties en samenwerken weinig waardeert. Studenten beconcurreren elkaar in de strijd om het juiste diploma, vaak de enige weg naar de gewenste carrière. In veel directiekamers komen alleen ‘énarques’ (alumni van de ENA, de École Nationale d’Administration) binnen, of worden enkel ‘polytechniciens’ (van de École Polytechnique) toegelaten.

Maar de vermoedelijk grootste boosdoener is het corporatisme, het ondoorzichtige Franse systeem van sociale zekerheid dat aan verschillende beroepsgroepen sterk uiteenlopende rechten toekent. Een werknemer van een supermarkt heeft recht op drie maanden zwangerschapsverlof, een bankmedewerker krijgt zes maanden. Een treinmachinist mag op zijn 52ste met pensioen, een vuilnisman moet tot zijn 57ste doorwerken.

Het gevolg is een voortdurend sluimerend vermoeden dat een ander beter af is dan jij. Je ziet wel dat de buurman eerder mag stoppen met werken, maar niet de nadelige regelingen die daar in zijn beroep tegenover staan. Klagen over de vermeende privileges van anderen is in Frankrijk een nationale sport die tijdens familiediners fanatiek wordt beoefend.

Rem op hervormingen

Je kunt je natuurlijk afvragen of de Fransen niet gewoon gelijk hebben. Gelet op de schier oneindige reeks schandalen rondom (oud-)presidenten en andere bestuurders zou je zeggen dat er alle reden is om achterdochtig te zijn. Il faut se méfier, hoor je in Frankrijk vaak, je móét de boel wel wantrouwen. Waarschijnlijk hadden mijn buurman, bakker en ex-schoonfamilie het bij het rechte eind en werden de verhoogde parkeerboetes inderdaad gebruikt om de gemeentekas te spekken.

Wantrouwen en immoreel gedrag houden elkaar in stand, betoogden de economen Yann Algan en Pierre Cahuc in 2017 in hun boek La société de défiance, met de onheilszwangere ondertitel ‘Hoe het Franse sociale model zichzelf vernietigt’. In een wereldbeeld waarin iedereen misbruik maakt van het systeem, is degene die zich wel netjes aan de regels houdt een verliezer. Relatief veel Fransen vinden het gerechtvaardigd zwart te rijden in het openbaar vervoer of te sjoemelen met de belastingaangifte.

Op economisch vlak werkt wantrouwen risicomijdende keuzes in de hand. Het zorgt voor een starre arbeidsmarkt waarin mensen niet zomaar van baan wisselen. Met wat meer onderling vertrouwen zouden de Fransen volgens Algan en Cahuc rijker en gelukkiger zijn.

Maar bovenal is het wantrouwen een rem op hervormingen, ironisch genoeg vooral op de hervorming die dat wantrouwen zou kunnen keren. Het voornemen van president Macron om het ondoorzichtige pensioenstelsel te transformeren in een voor iedereen geldend regime liep eind 2019 stuk op massaal verzet van de vakbonden, die de privileges van hun beroepsgroepen koste wat het kost wilden behouden. Van het transparante stelsel dat aanvankelijk op de tekentafel lag, was al snel weinig meer over.

Het plan werd tot nader order uitgesteld. Het is de vraag of het nog voor de presidentsverkiezingen van april 2022 kan worden ingevoerd. Als Macron wordt herkozen, heeft hij daarna een uitgelezen kans om zijn pensioenhervorming alsnog door te drukken. Tot die tijd zullen ze op het Élysée geregeld een blik werpen op een beleidsadvies dat eind 2018 verscheen in opdracht van de regering. Faire avec la défiance, heet het. ‘Omgaan met wantrouwen’.

Meer over