Een volgepropte oceaanstomer

Kantoorgebouw samenwerkende Nutsbedrijven, Velserbroek. Architect: Bureau Bonnema, projectarchitect: Jan van der Leij...

Uit het tijdperk van de verzuiling stamt een gevleugelde uitspraak die een katholiek ervan moest weerhouden met een protestant te trouwen. 'Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen' heette het. Hadden de Nutsbedrijven die zijn gaan samenwonen in een nieuw bouwwerk in Velserbroek, dat oude lesje maar ter harte genomen. Want vier bedrijven die elk halstarrig op hun strepen staan, dat heeft gevolgen voor hun gezamenlijke pand.

Niet dat het een onpersoonlijk, diffuus gebouw is geworden. Integendeel. Architect Jan van der Leij (1952) van bureau Bonnema zag juist in de manier waarop zijn opdrachtgevers zijn georganiseerd, een dankbare richtlijn voor zijn ontwerp. De nieuwbouw was een initiatief van Waterleidingbedrijf Zuid Kennermerland, dat om economische redenen verwante partners zocht en vond in PEN Energie-bedrijf Noord-Holland, Gasbedrijf Velsen en kabelexploitant Cai-Velsen. Aha, dacht de architect, dat wordt dus een overkoepelend gebouw voor alles wat ze kunnen delen, en dat doorklief ik met blokjes voor elk afzonderlijk kantoor.

Die gedachte leidde onmiskenbaar tot het meest markante gebouw in de wijde omgeving. De associatie met een schip heeft zich al bij velen opgedrongen; het ligt inderdaad als een gestrande oceaanstomer aan de kant van de Rijksweg. En of de vorm van het hoog oprijzende gebouw met zijn schuin aflopende dak en naar voren hellende gevel niet opvallend genoeg was, kreeg dit 'bruggebouw' ook nog een dieprode kleur. Bij de eerste aanblik lijkt het de betere snelweg-architectuur; mooi van verhoudingen, verrassend in zijn materiaalgebruik, krachtig van vorm en compositie. Dat oordeel wordt nog versterkt doordat vlak onder de scherpe punt van de boeg een glazen strook het mogelijk maaktdwars door het hele pand heen te kijken. De lage kantoren, rechthoekige doosjes die bijna dwars op het hoofdgebouw staan, zijn hiermee zowel in kleur als vorm in maximaal contrast: strak, rechthoekig, van zwarte betonsteen.

Het is weliswijd een verademing naast de vele karakterloze, lelijke bedrijfsgebouwen in het bedrijvenpark ernaast. En de relatie met de woningen in de nabijheid zal in de toekomst ongetwijfeld worden verzacht, als de ruime, voor iedereen toegankelijke tuin gereed is.

Maar net als de meeste snelwegarchitectuur leent het zich niet echt voor nadere bestudering. Zeker, de brede toegangstrap heeft nog iets majesteitelijks: halfronde treden van natuursteen worden door lage bakstenen muurtjes omzoomd. Eenmaal binnen houd je echter niets meer van die indruk over: wat een aantrekkelijke, gastvrije hal had moeten zijn, is een onevenwichtig, volgepropt vertrek. Hier zie je meteen dat ieder bedrijf precies in de gaten houdt dat zijn eigen bijdrage aan het gemeenschappelijk deel, niets meer of minder wordt dan ooit is afgesproken.

Het zijn niet de enige manco's van het gebouw. Want ook elders in het interieur is de kracht nauwelijks terug te vinden die het gebouw vanaf de snelweg toont. Neem de plek in het bruggebouw die, van buiten gezien, de meeste verwachtingen wekt. Dat is dat doorzichtige strookje, vlak onder het dak: een prachtig accent in de vorm van een langgerekte, diepe loggia waarachter de gevel geheel van glas is. Binnen heeft deze ingreep een veel minder gunstig effect: niet alleen beperken die loggia's de lichtinval, maar ook het uitzicht. De kantine had door die ramen iets riants kunnen krijgen maar het wèrkt niet.

Een vergelijkbaar bezwaar doet zich voor aan de straatkant van het bruggebouw. Het is op zichzelf begrijpelijk dat de architect deze gevel naar voren laat hellen: dat vormt een lekker scherpe hoek met het aflopende dak waarin de installaties zijn weggewerkt. Binnen is zo'n op vlucht geplaatste gevel minder plezierig. Gordijnen en zonwering zijn niet fatsoenlijk aan te brengen en ook wordt de lichtinval beperkt, wat nog wordt versterkt door de plompe profielen van de ramen.

Ook de zwarte kantoorvleugels danken hun charme uitsluitend aan de buitenkant. De ramen zijn duidelijk met gevoel voor compositie en ritme in de gevels gesitueerd; maar daarna hebben de gebruikers zo zitten rommelen met de indeling, dat systeemwandjes soms pal voor de ramen staan. Zo vol zijn deze kantoren geworden dat de opzet van de architect om ook binnen te laten zien waar de kantorenblokken het bruggebouw doorsnijden - de zwarte betonsteen van de buitengevels van de kantoren zet zich voort in het interieur van het bruggebouw - niet herkenbaar is. Er gaan al stemmen op om die donkere vlakken wit te schilderen, en nu weet de architect dat nog tegen te houden, maar het is wel een teken aan de wand dat niemand dit gebaar als vanzelfsprekend ondergaat.

De architect valt overigens niet alles te verwijten. Als bedrijven uitsluitend om economische redenen samengaan in een gebouw, nauwelijks een filosofie hebben over wat dat gebouw dan moet uitstralen, dan is het begrijpelijk dat een architect houvast zoekt in het het enige dat van zijn opdrachtgever duidelijk is; in dit geval de manier waarop men samenwerkt.

Het gebouw toont dat er niet echt een wederzijds inspirerende samenwerking is ontstaan die het ontwerp boven die eerste gedachte kon uittillen. Al valt niet uit te sluiten dat, wellicht dankzij dat krachtige bruggebouw, ooit meer harmonie ontstaat. Want, eerlijk is eerlijk, de architectuur van dit gebouw biedt daarvoor de ruimte.

Ids Haagsma

Hilde de Haan

Meer over