Een uitstervend ras

De dagen van de Britse adel zijn geteld. Elk jaar sterven vijf families uit. De absolute heersers van Groot-Brittannië zijn verworden tot een marginale groep, verdreven uit hun huizen, geruïneerd door de fiscus....

BERT WAGENDORP

Het is woensdagochtend. In de grote zaal van Christie's, in Londens King Street wordt kavel nummer 10 geveild. 'Een Milanees bibliotheekbureau, met bladgoud ingelegd notenhout, geslepen notenhout, olijfbomenhout, vruchtbomenhout en inlegwerk', staat in de catalogus.

Dit is een beroemd bureau, rond 1784 gemaakt door Giuseppe Maggiolini voor graaf Johann Joseph Wilczek, minister voor Lombardije onder de Habsburgse keizers Joseph II en Leopold II. Een halve eeuw later kwam het in Londen terecht, waar William Jones het in zijn woning in de hoofdstad neerzette. In 1852, toen Jones uit Londen vertrok, werd het bureau al eens ter veiling bij Christie's aangeboden, maar niemand wilde het hebben. Dus nam Jones het mee naar zijn landhuis Clytha Park in Monmouthshire, waar hij het voor een onbekend bedrag verkocht aan zijn buurman, John Patrick, de derde markies van Bute. Die zette het bureau in een van zijn residenties, Cardiff Castle.

Er bestaat op de hele wereld geen Maggiolini die zo rijk is bewerkt. Dit is Maggiolini's meesterwerk en het zal zeker 1,4 miljoen gulden opbrengen, verwachten ze bij Christie's.

De markiezen van Bute, afstammelingen van een bastaard van de Schotse koning Robert II, verzamelden generaties lang alles wat los en vast zat, maar meestal in de duurdere prijsklassen. De Bute-familie behoorde tot de rijkste adellijke families van Groot-Brittannië, zeker nadat John, de tweede markies (1793-1848), de bezittingen van de familie in het zuiden van Wales tot ontwikkeling had gebracht. In de schaduw van hoogovens en mijnen ontstond het moderne Cardiff en de Butes lieten havens en dokken aanleggen waarop Liverpool jaloers was.

De hoogtijdagen van de familie vielen ten tijde van John Patrick, de derde markies (1847-1900). John Patrick Crichton-Stuart, graaf van Dumfries en markies van Bute, bouwde op het Schotse eiland Bute een nieuw familieslot, Mount Stuart, dat nu wordt beschouwd als het fraaiste voorbeeld van neo-gotiek op de Britse eilanden.

Maar hij verbouwde ook de andere familiebezittingen, Cardiff Castle, Castell Coch, het House of Falklands, Dumfries, Wester Kames Castle en St John's Lodge, het palazzo van de Butes aan Londens Regent Park. Onder meer. Al die kastelen en landhuizen waren omgeven door immense landerijen, en volgestouwd met kunstschatten, met de prachtigste meubelen en massa's personeel.

En dan behoorden de Butes nog niet eens tot de allerrijksten - de Buccleuchs, de Derby's, de Devonshires, de Bedfords en de Westminsters. Die wisten vaak zelf niet eens meer hoeveel grond ze precies bezaten, in welke uithoeken van het land nog een landhuis stond en waar precies de Rembrandts, de Halsen en de Breughels hingen.

Rond 1880 was viervijfde van heel Groot-Brittannië - toen nog inclusief Ierland - in bezit van zevenduizend landeigenaren: 250 magnaten bezaten elk tienduizend hectare of (veel) meer. Schotland was praktisch eigendom van 1758 grootgrondbezitters die 93 procent van het land bezaten.

Nergens anders in Europa bestond in de laatste twee decennia van de vorige eeuw een elite die zoveel rijkdom, macht en invloed had verzameld als de kleine groep machtigen in Groot-Brittannië. Dat kwam vooral doordat de landadel sterk had geprofiteerd van de industriële revolutie. Ze konden op hun land mijnen openen, havens aanleggen en industrieën in het leven roepen.

De Britse landadel beheerste de politiek, de kerk, het leger en het openbaar bestuur. In hun paleizen in Londen voerden ze een staat waaraan zelfs de monarch niet kon tippen. En ze waren ervan overtuigd dat het altijd zo zou blijven.

Het leven was aangenaam en zorgeloos. Lord Walsingham vestigde in 1888 een nieuw record korhoenders afknallen op zijn landgoed Blubberhouse Moore: 1070. De grootste jager was Lord de Grey die ooit met één schot 'zeven dode vogels in de lucht had'. Gedurende zijn illustere jagerscarrière, tussen 1880 en 1920, legden door zijn toedoen 250 duizend fazanten, 150 duizend korhoenders en 100 duizend patrijzen het loodje. 'Je hebt er geen idee van hoeveel tijd en geld ze aan de jacht besteden', schreef de Amerikaanse ambassadeur in 1913 naar huis.

Maar ze deden natuurlijk ook wel wat anders. Ze gingen naar het roeien in Henley en naar de bloemenshow van Chelsea En ze gingen naar het buitenland. 'De Rivièra is des zomers gast voor de tsaar, keizer Franz-Joseph, koningin Victoria, de meeste Balkan-koningen en de helft van de Engelse adel', schreef een waarnemer in 1890. De andere helft was thuis aan het tennissen of cricketen of verbleef in Egypte, Afrika, Amerika, Australië of India.

In dat laatste land legde Lord de Grey, ter afwisseling van fazanten en patrijzen, in 1882 nog achttien tijgers, acht neushoorns, een krokodil, 28 buffels en 273 wilde zwijnen neer, en constateerde dat het 'jolly good fun' was.

Anderen richtten hun jachtinstinct op de kunst. In onvoorstelbare hoeveelheden werden op veilingen door heel Europa schilderijen en andere kunstvoorwerpen gekocht. De muren van de kastelen en landhuizen raakten zo vol met meesterwerken, dat de oude wandtapijten, die ook en masse werden ingekocht, erachter verborgen raakten. Er werden privé-kunstverzamelingen opgebouwd die elk op zich voldoende zouden zijn geweest om er een apart en prachtig museum aan te wijden.

En 's winters waren er soirees en muziekavonden in de huizen, waar de jongeheren en dames elkaar ontmoetten en de huwelijken werden geregeld. Voor de romantiek waren er de Renaissance-tuinen, volgestouwd met scheepsladingen originele beelden en aangelegd door kundige architecten, zoals bijvoorbeeld nog steeds is te zien op Hever Castle in Kent. In veel huizen waren kunstenaars fulltime bezig met houtsnijwerk, schilderingen en andere verfraaiingen.

Het leven was een en al jolly good fun en niemand, een enkeling uitgezonderd, zag de donkere wolken aan de horizon. De zich langzaam maar zeker ontwikkelende Europese landbouwcrisis, de sociale ontwikkelingen die het tijdperk van de massa's aankondigde, dat de era van almachtige adel zou vernietigen. Met al hun politieke invloed kon de elite de toenemende roep om democratisering niet tegenhouden. Maar de Eerste Wereldoorlog zou de ondergang van de aristocratie pas echt in een versnelling brengen, hoewel de bevoorrechte klasse zich daarvan amper bewust was.

Want de Great War werd in veel Britse landhuizen met groot enthousiasme begroet. De overheersende angst onder de jonge adel was vooral dat de oorlog voorbij zou zijn voor ze eraan had kunnen deelnemen. Zo ongeveer met Kerst 1914, dachten ze, zou het wel weer zijn afgelopen met de pret.

Ze lagen in eigen land in toenemende mate onder vuur, vanwege hun ongebreidelde rijkdom in een land van diepe armoe, hun macht in een land van machtelozen, hun monopolie op levensgeluk. Nu konden ze laten zien wat ze echt waard waren. Hadden ze niet altijd al gespeeld met paarden en geweren? Bezaten ze niet de training, de traditie en het temperament voor een gezellig potje knokken?

De aristocraten voelden zich de oorlogsklasse, de leiders die het commanderen in het bloed zat. Als ridderachtige kruisvaarders, vervuld van een patriottistische gloed, trokken ze naar Loos en de Somme, de vijand tegemoet en met het vaste plan hem een lesje te leren.

Maar in Vlaanderen en Noord-Frankrijk werden ze, tot hun niet geringe verbazing, afgeslacht; neergemaaid zoals ze thuis de fazanten hadden neergemaaid. Van de tien kleinzonen van Lord Salisbury sneuvelden er vijf. De Grey-Egertonfamilie verloor dertien mannelijke leden. Een op de vijf aristocratische zonen werd gedood.

Er bleek helemaal niets romantisch aan te zijn, aan deze oorlog. 'Werkelijk', schreef de zus van Ivo Charteris - de aanstaande graaf van Wemyss & March maar op 19-jarige leeftijd gevallen aan het Westelijk Front, 'je weet gewoon niet meer wie er leeft en wie er dood is.'

Talloze grote huizen in Zuid-Engeland werden in haast omgebouwd tot noodhospitalen voor de onophoudelijke stroom gewonden van de Europese slagvelden. En in de andere landhuizen wachtten de lords en markiezen, hertogen en graven in angst en beven op het moment dat de telegrambesteller op zijn fiets de grote laan van het Huis opfietste, de dood in handen.

Sommigen zagen de diepere gevolgen van de slachtpartij al voor die was begonnen. 'Het licht gaat uit in Europa en wij zullen het tijdens ons leven niet meer zien aangaan', schreef Sir Edward Grey in augustus 1914. Hoewel vier van de vijf zonen uit de adellijke geslachten levend van de slagvelden terugkeerden, markeerde de Great War meer dan welke andere gebeurtenis ook de definitieve wending in de voorspoed van de adellijke elite.

Het zelfvertrouwen en het gevoel van onkwetsbaarheid waren weg, de zekerheid tot een uitverkoren groep te behoren ook. De Duitse mitrailleurs maakten geen onderscheid. In de loopgraven van Frankrijk waren de immense sociale verschillen voorgoed weggevallen of in elk geval onacceptabel geworden.

En er waren de praktische oorzaken van de neergang: dalende grondprijzen, de invoering van nieuwe belastingen op inkomen en kapitaal en, vooral, de introductie van successierechten.

In de jaren vlak voor en na de Eerste Wereldoorlog moest de aristocratie tussen twee en drie miljoen hectare grond verkopen om de noodzakelijke contanten bijeen te krijgen. Successierechten dwongen de opvolgers ook tot het verkopen van schilderijen en andere kostbaarheden. De graven Spencer, voorvaderen van prinses Diana, verkochten al in 1892 hun bibliotheek voor een kwart miljoen pond. In 1909 en 1910 bedroeg de waarde van kunstwerken die werden verkocht aan de nieuwe rijken in de Verenigde Staten de toen gigantische som van een miljoen pond.

Raphaëls Drie Gratiën, Fra Angelico's Laatste Oordeel, Rubens' Heilige maagd met kind, ze verdwenen allemaal over de oceaan, met duizenden andere meesterwerken. Aan de uittocht van kunst zou in de rest van de eeuw geen einde meer komen, al werd Japan in later jaren steeds vaker de eindbestemming.

Aan de oostkust van de Verenigde Staten stierf het in de eerste decennia van deze eeuw van de adellijke Engelse jongemannen, wanhopig op zoek naar een trouwlustige jongedame van rijke komaf, een Vanderbilt, een Hearst of een Rockefeller, met een fortuin om mee te nemen naar de overkant, ter redding van status en landgoed.

Maar dat lukte niet altijd. In Londen kregen paleizen aan de lopende band een andere bestemming, als ze al niet werden afgebroken. Hetzelfde lot trof steeds meer Grote Huizen op het land. In 1937 drong het door dat daarmee een architectonische schat verloren dreigde te gaan en konden eigenaren hun landhuizen en grond overdragen aan de National Trust, bij wijze van betaling van successierechten. Ze mochten er in ruil blijven wonen, als aristocratische huurders.

Aan de rand van Sevenoaks, ten zuiden van Londen in Kent, ligt Knole House, het grootste landhuis van Groot-Brittannië. Ooit behoorde het toe aan Hendrik VIII, maar daarna was het eeuwenlang in bezit van de familie Sackville. Tot het in 1946 werd overgedragen aan de Trust. 'Een genereus gebaar', noemde Vita Sackville-West, lid van de familie, schrijfster en vriendin van Virginia Woolf dat. Maar het was pure armoede natuurlijk. Het immense complex was privé niet meer te onderhouden.

In het rampjaar voor de Grote Huizen, 1955, viel er per vijf dagen eentje onder de slopershamer -de National Trust kon onmogelijk alle aanbiedingen accepteren. De eerste tien jaar na de oorlog werden vierhonderd landhuizen afgebroken.

Het maakte niet eens veel uit of er een Conservatieve dan wel een Labour-regering aan de macht was, de belastingwetgeving werd voor de aristocratie door beide partijen steeds strakker aangehaald. In de jaren vijftig werden de successierechten voor landgoederen ter waarde van een miljoen pond of meer opgeschroefd tot 75 procent.

Toen in 1952 Hugh Richard, tweede Hertog van Westminster overleed, werd binnen de belastingdienst een aparte afdeling in het leven geroepen om te onderzoeken hoe de staat het best kon delen in de nagelaten onmetelijke rijkdommen. Andere families verarmden binnen enkele jaren, door het snel achter elkaar overlijden van familiehoofden en de steeds weerkerende verplichting successierechten te betalen.

Al in 1913 hadden de Sackvilles het beroemde Knole-wandtapijt moeten verkopen aan de Amerikaanse magnaat J.P. Morgan voor een bedrag van 325 duizend pond. Later verkochten ze ook grond en grote delen van de kunstcollectie, waaronder meesterwerken van Gainsborough.

Zelfs de schatrijke markiezen van Bute moesten hevig in het familiebezit hakken. In 1938 werd het belangrijkste bezit, ongeveer tweederde van de stad Cardiff, in de verkoop gedaan. Twintigduizend huizen, duizend winkelpanden en 250 pubs werden verkocht voor een bedrag van vijf miljoen pond. De havens van Cardiff waren toen al verpatst, in 1922, aan Great Western Railways.

Sommige families zagen geen andere mogelijkheid dan hun landgoederen open te stellen voor publiek, om op die manier aan de benodigde fondsen voor onderhoud en belastingen te komen. De markies van Bath was in 1946 de eerste die daartoe besloot. Zijn vader had hem Longleat nagelaten, een landhuis met 118 kamers, en dat kwam hem op het betalen van 700 duizend pond successierechten te staan. Honderden eigenaren volgden in de loop der jaren zijn voorbeeld. Alleen al tussen 1950 en 1965 werden zeshonderd huizen voor het publiek opengesteld.

De neergang viel ook af te lezen aan het dalend aantal huisbedienden in Groot-Brittannië. In 1931 waren er nog 1,3 miljoen, in 1951 nog maar een kwart miljoen en tien jaar later nog honderdduizend. Nu hebben bijna alleen de nouveaux riches nog een butler en een chauffeur in vaste dienst.

Verdreven uit hun huizen, of gedwongen naar een klein vleugeltje daarvan te verhuizen, geruïneerd door de fiscus, van Gods eigen kinderen verworden tot golfbaan-exploitant of pretpark-eigenaar -en ook politiek uitgerangeerd: in minder dan honderd jaar werden de absolute heersers van Groot-Brittannië een marginale groep.

Het was een teken aan de wand toen Churchill, na zijn aftreden in 1955, de hertogtitel weigerde. Het was alsof de oude redder van het vaderland wilde zeggen dat het er niet meer toe deed, in het na-oorlogse Groot-Brittannië, al dan niet hertog te zijn.

In de jaren zestig was Lord Douglas-Home de laatste premier met een aristocratische achtergrond, nadat Eden eerder al had bewezen dat het patriciërschap geen garantie voor succesvol leiderschap vormde. Douglas-Home - de dertiende graaf van Home - had veel weg van een anachronisme: beminnelijk, maar absoluut ongeschikt voor de eisen die de moderne politiek stelde. Op televisie was hij een ramp, een zaal toespreken kon hij niet en economische problemen trachtte hij voor zichzelf tot begrijpelijke proporties terug te brengen met behulp van lucifers. Dat kon wellicht een eeuw eerder, maar in 1964 niet meer.

Ironisch genoeg was het een Conservatieve premier - niet voor niets de dochter van een eenvoudige winkelier uit Grantham - die de verdwijning van de aristocraten uit de politiek vervolmaakte. Margaret Thatcher, kampioene van de selfmade men, moest niets hebben van de aan geboorte ontleende macht en invloed. Ze begon in 1979 nog met enkele adellijke nazaten in haar regering, maar die waren binnen vijf jaar vrijwel allemaal verdwenen.

Een nieuwe groep ontstond, de nouveaux pauvres, leden van de oude adel die geen stuiver te makken hadden. De gravin van Mar, vertegenwoordigster bij British Telecom. Lord Symon Conyngham, assistent-winkelbediende in een delicatessenzaak. Lord Teviot, buschauffeur. Graaf Nelson, wiens familie tot in de jaren vijftig nog een jaarlijkse staatstoelage van vijfduizend pond had ontvangen wegens door de grote admiraal aan het vaderland bewezen diensten, politieagent.

De negende graaf Buckinghamshire werkte tot zijn dood in 1983 bij de plantsoenendienst van Southend en de laatste graaf van Munster moest tot op de dag van zijn overlijden naar het Hogerhuis worden gereden - om zijn handtekening te zetten en zo zijn daggeld te kunnen innen, zijn enige resterende bron van inkomsten.

Andere adellijke heren zochten voorheen als ordinair beschouwde bronnen van inkomen, in de City, als beroepsdiplomaat of, zoals Lord Grey, als eigenaar van een keten van sekshops. Van de oude Britse adellijke families, landadel van oudsher, bezit nu eenderde geen vierkante meter grond meer.

Je komt ze ook amper meer tegen in de roddelrubrieken. De nieuwe high society is niet meer van adel, maar van televisie-klatergoud en City-geld. De aristocraten lijken zich te hebben teruggetrokken uit de schijnwerpers, vervuld van heimwee en melancholie, wachtend op het einde.

Want behalve de grond dreigt ook de adel zelf te verdwijnen. Omdat er na de oorlog steeds minder erfelijke titels werden toegekend, neemt het aantal aristocraten sterk af. Gemiddeld sterven nu per jaar vijf families uit. Als de huidige trend zich voortzet, bestaat de Britse aristocratie in 2075 niet meer.

Op de Westminsters na misschien, een van de weinige aristocratische families die hun rijkdom door de jaren heen hebben weten te behouden en zelfs te vergroten. Gerald Cavendish Grosvenor, de zesde hertog van Westminster, wordt beschouwd als de rijkste man van Groot-Brittannië, met een geschat vermogen van 2,5 miljard gulden. Maar zelfs hij liet zich onlangs ontvallen dat 'de aristocratie niet langer een politiek acceptabele groep is' en dat het voortbestaan van het laatste bastion van invloed, het Hogerhuis, 'onacceptabel' is.

'Ik geef ons soort nog twee generaties', constateerde de hertog van Devonshire niet lang geleden. 'De dagen van het grote landgoed zijn bijna voorbij.' De Devonshires zullen het voorlopig overigens nog wel uitzingen. Bij veilingen in de jaren tachtig verkocht de elfde hertog ongeveer een twintigse deel van zijn kunstcollectie en dat bracht ongeveer honderd miljoen gulden op.

Soms zijn de schimmen uit een ver verleden nog zichtbaar, zoals bij het overlijden van de tiende hertog van Beaufort, in 1984. Vrijwel de hele koninklijke familie was aanwezig bij de begrafenis van deze man, die in zijn leven toch weinig anders had gedaan dan jagen. Veertig jaar lang, zes dagen per week, bracht hij zijn tijd door met de foxhunt en bijbehorende genoegens. 'Het is duidelijk dat de jacht op de vos mijn belangrijkste zorg is geweest', schreef hij in zijn autobiografie, alsof het nog 1880 was en niet een eeuw later.

Op het gazon voor Knole staan in het toeristenseizoen honderden auto's op het gras voor de hoofdingang. Voor vier pond mag je een deel van het huis bekijken en je verbazen over de omvang ervan en de immense rijkdommen die er werden verzameld. Lionel Bertrand Sackville-West, Lord Sackville (83), woont nog steeds op het huis, samen met zijn broer en opvolger als Lord Sackville, Hugh (77). Het grootste deel van het omringende park, de laatste resten van het grondbezit, wordt in beslag genomen door een golfbaan.

Zo ver is het met de Butes nog niet. Maar de zevende markies lijkt zelf geen zin meer te hebben in aristocratische heisa. John Colum Crichton-Stuart, de twaalfde graaf van Dumfries en zevende markies van Bute, woont niet meer op Mount Stuart in het hoge noorden. Dat paleis is opengesteld voor het publiek. De verbouwing, bedoeld om meer toeristen te trekken, wordt gefinancierd uit de opbrengst van de veiling van de kunst- en meubelverzamelingen van zijn illustere voorvaderen.

Zodra bij Christie's het bieden op kavel tien is begonnen, geven de digitale cijfers boven het hoofd van veilingmeester Lord Hindlip binnen de kortste keren 1.651.500 pond aan, bijna 4,5 miljoen gulden, de op een na hoogste prijs ooit voor een Italiaans meubel betaald.

Voor de Bute-familie is de veiling een triomf. Tenminste, als je naar het totale verkoopbedrag kijkt: 29 miljoen gulden brengen de meubelen, beelden, klokken, het zilverwerk, het zilveren serviesgoed en de schilderijen op. En dan komen een paar dagen later glaswerk en de verzameling Toby Jugs, bekers in de vorm van een oude man, nog ter veiling.

Graaf en markies John Colum Crichton-Stuart (37) woont in Ladbroke Grove, Londen. Hij won de '24 uur van Le Mans', was teamgenoot van Ayrton Senna in het Formule I-team van Lotus en Giuseppe Maggiolini is wat hem betreft een veelbelovende Italiaanse autocoureur. De markies wil niet aan zijn adellijke afkomst worden herinnerd en wenst te worden aangesproken als Johnny Dumfries.

Bij Knole House kun je aanbellen, links van de grote poort. Naast de bovenste bel - een ordinair elektrisch belletje - zit een met een lettertang gefabriceerd naambordje. 'Lord Sackville', staat er, 'Lord' een beetje scheef boven 'Sackville'. 'Hugh Sackville-W' staat er bij de tweede bel. Ook die naam is met een lettertang in plastic geponst en opgeplakt met een van ouderdom bevende hand.

Bert Wagendorp

Voor dit verhaal werd gebruik gemaakt van het boek van David Cannadine: The Decline and Fall of the British Aristocracy.

Meer over