Een tuit, dienstbaar aan de pot

ELKE DAG LEEST Hendrik van Teylingen (1938) zijn zojuist verschenen dichtbundel Bij de gratie van de dichtspier, en telkens weer wordt hij daar bijzonder vrolijk van....

Hij heeft reden voor zijn goedgemutstheid. De bundel betekent een comeback. Meer dan twintig jaar geleden publiceerde Van Teylingen drie bundels poëzie. Dat was voordat hij de Bhagavad-gita ontdekte en toetrad tot de Krishna-tempel, die hij na zes jaar weer verliet omdat hij zich niet kon verenigen met de sektarische neigingen van die gemeenschap. Nu heeft hij thuis zijn eigen altaartje.

De nieuwe verzen, gegrepen uit het leven van de domineeszoon die na een periode van hardnekkig atheïsme een nieuw geloof vond en van zijn goeroe de naam Hayeshvar Das kreeg, bestaan alle uit driemaal vier regels. Soms hebben ze een strak hamerend ritme, en doen ze denken aan de blijmoedige dominee-dichters uit de vorige eeuw, maar een volgend moment is er van enig rijmschema geen spoor. Sarásvati, de 'godin der poëzie', komt de dank toe voor het mirakel dat Van Teylingen in de zomer van 1995 andermaal zijn dichtspier spande.

In de afgelopen jaren manifesteerde hij zich wel als prozaïst - vorig jaar verscheen de verhalenbundel De huilspiraal en de roman De grote verschuiving van de aardas in 1998 - en als herdichter van de oorspronkelijke Sanskriet-verzen van het Bhâgavata Purâna: Het spel van Krishna heten die twee vuistdikke werken, waarvoor hij rijkelijk subsidie kreeg van de minister, terwijl ze tot zijn spijt nauwelijks lezers vonden.

'Ik kan nog jarenlang cadeautjes geven', zegt hij maar, en overhandigt het bezoek prompt beide delen, die in volle dozen op de gang staan. De transcendente teksten op zijn kleine boekenplank zijn de enige die hij leest en herleest. Hij ziet ze als zijn moestuin. Ze voeden hem. Zijn Nederlandse collega's volgt hij niet. Het grootste deel van de literatuur is in zijn ogen een gevaarlijk moeras met lonkende flora.

Ik hoor hier even weinig thuis

Als in een yoghurtfles een muis.

Toen hij in de eerste klas van de lagere School-met-den-Bijbel zat, hoorde hij op zekere dag de bovenmeester blij en luid een vroom versje voordragen. Kleine Henk schaamde zich dood, want het was van zijn hand.

Had ik dáárvoor mijn kinderrijm

In bed aan Moe soms toevertrouwd

Dat het door Va, de dominee,

Meteen naar Meester werd gesjouwd?

Van Teylingen: 'Al heel jong was ik atheïst, maar toch probeerde ik het goed te hebben met mijn ouders. Ik lag in mijn bed in de pastorie van IJmuiden-Oost, en rijmde in vier christelijke regels een dankbaar versje over Jezus. Trots liet ik het aan mijn moeder horen. Ze haalde mijn vader erbij, en die schreef het op. De volgende dag hoorde ik het op school terug: zo schonden mijn ouders het auteursrecht. Voor mij een aanleiding om thuis meer in mijzelf te kruipen, wat niet moeilijk was met zo'n steile dominee als vader.

'Op mijn 15de was Havank mijn held. In zijn stijl heb ik toen, met een verwijzing naar mijn achternaam, een Havant geschreven. 't Ging over een klein scheepje dat moeite had om door te storm te komen bij een kust waar het werd opgewacht door louche types.

'Daarna kwamen de gedichten. Rond mijn 25ste kon ik er een paar publiceren in het tijdschrift De Gids. Ik weet nog dat ik de redacteur en dichter Ed Hoornik aan de deur kreeg, hij stond onderaan de trap. 'Meneer van Teylingen! Dichter van de dood', riep hij heel blij. Hoornik was toen een gerespecteerd man. Hij vulde het hele kamertje waar ik toen in woonde. Ad den Besten heeft er daarna voor gezorgd dat mijn eerste bundel De baron fietst rond in 1966 bij uitgeverij Holland verscheen.'

Van Teylingen publiceerde vroeger sonnetten en haiku's. Zojuist heeft hij een bundel liefdesgedichten geschreven, Het ploffend hart, en een hele nieuwe sonnettenbundel waarvan hij het manuscript toont: De jongste dag. Die gaat over 't Schinkel, het kerkhof annex stadstuintje. De dood is een van zijn favoriete onderwerpen. Ed Hoornik had geen ongelijk.

Negeer het nare sterflawaai

Het zwaar gehik en gaar gekrijs,

Galm allemaal een psalm voor mij

En vort ben ik naar 't Paradijs.

'Het beroerde met mij is dat ik zelf niet geloof dat ik deze gedichten heb gemaakt. Ik voel me een tuit, die dienstbaar is aan de pot. Ook al slijp en schaaf ik aan teksten, ik heb het gevoel dat ik slijp en schaaf aan mezelf, opdat ik een goed medium word voor het doorkomen van wat er in mij woelt. Dan kun je zeggen: je schrijft toch over dingen die je hebt meegemaakt? Dan zeg ik weer: maar hoe is het gekomen dat ik deze dingen moest meemaken?'

Toch dient de muze ook wel eens te worden teruggefloten. In een van de verzen trommelt ze de dichter uit bed, die bibberend in zijn ondergoed een komma in een streepje moet veranderen. Terug in bed, aarzelt hij. En huiverend van eigen kracht zet hij dan het kommaatje weer op zijn plaats.

'Jawel, het instrument moet onderhouden worden. Denk aan die opzetstukjes voor slagroomspuiten. Als je in die zak knijpt, krijg je een rechte slagroomdrol, of eentje met opstaande randjes. Je kunt er allerlei mooie vormen mee maken. Ik ben een opzetstukje, dat zichzelf herstelt als de vorm niet naar wens is. Ik polijst mijn eigen ontvankelijkheid.'

Doch ik ben slechts Hendrik Versjens,

Vaal van 't vele vellen vullen.

Zowel in zijn romans als in zijn gedichten laat Van Teylingen de verheven strevingen van de ik-figuur botsen op de barre en banale menselijkheid. Die frictie zorgt voor humor, een betrekkelijke zeldzaamheid bij een verstokte gelovige. 'Zodra ik een typetje ga uitbeelden dat overal boven staat, zou mijn werk ongenietbaar worden. Lichtheid is mijn banier. Iets van mijn mentale lichtheid wil ik doorgeven. Veel literatuur draait om seks, drugs en drinken. Dat zijn geen verheffende energieën.'

Mijn lijf is er voor iedereen

Die om een deel te springen zit:

Darm voor oom Harm, been voor Ireen,

Snor voor Igor, gebit voor Tjit.

Lijkt hij op zijn vader? 'Steeds meer, ja. Soms maak ik onwillekeurig een gebaar precies als hij kon doen. Hoe langer zijn dood achter me ligt, hoe meer ik me met hem verbonden voel. Ik scheer me met zijn kwast, die ik heb geërfd. Hij was een man van God. Een wonderlijke figuur, absoluut ongeschikt voor de levenspraktijk. Stofzuigen deed hij niet, ramen lappen evenmin, strijken niet eens, zelfs geen keteltje water opzetten. Hij gebruikte zijn handen uitsluitend om de radio aan te zetten, en de bladzijden te keren van de Bijbel, en allerlei dogmatische en hermeneutische geschriften. Zo iemand.

'Daar heb ik me vroeger erg tegen afgezet. Wat een huisvrouw kan, kan ik inmiddels ook. Strijken, koken. Ik heb zelfs een tafel gemaakt, die heel stevig op zijn poten stond.

'Later heb ik me met mijn vader verzoend. Misschien dat hij, vanuit het plekje waar hij nu is, mij kan waarnemen, en dat hij dan denkt: Het gaat die jongen goed. Had ik niet gedacht, maar het gaat toch goed met hem.'

Stel toch dat Vader als mijn zoon

Wedergeboren bij ons woont,

Dan, als de dood voor mij straks komt,

Heeft hij zijn scheerkwast mooi weer om.

Hendrik van Teylingen: Bij de gratie van de dichtspier.

De Bezige Bij; 92 pagina's; ¿ 36,50.

ISBN 90 234 4761 1.

Meer over