Een steile buis vol beeldschone strontvliegen

Pelléas et Mélisande door de Nationale Opera o.l.v. Antonio Pappano en Herbert Wernicke. Brussel, Muntschouwburg, tot en met 11 mei....

ROLAND DE BEER

Debussy's Pelléas et Mélisande is een opera van de gesublimeerde uitzichtloosheid. Geen personage, of het zoekt de wanhoop, en met succes. Het verval kraait victorie - in klanken van wonderschone sensualiteit. Vergeefsheid regeert - in een partituur die fijn is als spinrag.

De figuren zijn als vliegen. Broos, glanzend en fraai. Ze komen nergens vandaan, en hebben slechts de opdracht afschuw en vluchtige deernis te wekken, beeldschoon te zijn en tot stof weer te keren.

Ziedaar de - kennelijke - opvatting van Antonio Pappano, chefdirigent van de Opera van Brussel, en de regisseur en scenograaf annex lichtontwerper Herbert Wernicke, wiens nieuwe enscenering van Pelléas et Mélisande deze week in de Brusselse Muntschouwburg onder groot applaus in première ging.

Op het toneel triomfeert een esthetiek van donkerte versus licht. Allemonde, het rijk van koning Arkel, is het inwendige van een buis, bekleed met zwartblauw fluweel waarop grote strontvliegen zijn vastgeplakt, de natuurlijke metgezellen van zwartgerokte mannen als Arkel en zijn kleinzoon Golaud. De liefde heeft hier een krijtwitte kleur. Het is de kleur van Pelléas' en Mélisande's uitdossing, en het is de kleur van het einde van de tunnel - een licht dat niet wordt gehaald.

Deze Pelléas et Mélisande is, zoals te verwachten viel, een compleet andere dan de soap opera die de regisseur Peter Sellars er bij de Nederlandse Opera uit peurde (diens familiedrama in een Californische rijkemanskliniek is in mei weer te zien in Amsterdam). Het is ook een andere Pelléas dan die van André Delvaux, de Belgische cineast die in 1984 het 'drame lyrique' ensceneerde in de Brusselse Munt - en de put, de bron, de grot en allerlei andere symbolen verving door fraaie maar onontwarbare tekens van kleurig neonlicht.

De buis van Wernicke is een scenografisch waagstuk. Het is de put waarin Mélisande haar trouwring laat vallen, het is een tunnel waarin haar wantrouwige ega Golaud en diens jonge broer Pelléas afdalen naar de binnenste aardgewelven, en het is een telescoop die in de duisternis de maan dichterbij haalt. Hij loopt zo steil op dat het kruipen en strompelen de mens in deze Pelléas gemakkelijker afgaat dan het trippelen (Mélisande), ijsberen (Golaud) en voortschrijden (Arkel).

De witte cirkel aan het eind is ook een stemmingmaker. Hij licht fel op bij een insnijdend orkest-crescendo, krijgt een vaag lichtrose vlek bij het fatale slotduet van Pelléas en Mélisande - en heeft dan onbedoeld het aanzien van een zwangerschapstest met negatieve uitslag. Aan het slot, als Mélisande slap en wankel haar laatste adem uitblaast in de armen van de berouwvolle Golaud (haar baby ligt onaangeraakt aan haar voeten in de vorm van een leeg jurkje) toont de cirkel het roerloze gezicht van de stervende.

De nieuwe Brusselse Pelléas heeft, in alle soberheid, een duidelijke boodschap. Het is een hommage, vanuit een fin de siècle, aan de esthetiek van het vorige fin de siècle. Een eerbetoon aan de schoonheid van de schaduwdunne dialogen van Maeterlinck, de schrijver van het oorspronkelijke toneelstuk en het libretto. Het is ook een ode aan de eindeloze souplesse van de noten waarin die dialogen zijn vervat. Een saluut aan de prosodieën en de bedwelmende natuurevocaties, en de lichte, in duizend variaties weerkerende pijnscheuten in Debussy's partituur.

Naast de tekenen van het onomkeerbare verval (het begint al met het beeld van een neergestorte kroonluchter), is het 'drame' van de vergeefse liefde en de nog vergeefsere jaloezie niet afwezig. Maar het dringt zich ook niet op. De nadruk ligt op 'lyrique'. De stemmen van de tenor Laurence Dale (Pelléas), de sopraan Maria Bayo (Mélisande) en de bariton Monte Pederson (Golaud) zijn licht en buigzaam, met kennelijke zorg getraind in fraaie vormen van schreien.

En ze zijn perfect in balans met het orkest, dat door Pappano in toom wordt gehouden met behoud van een scherp getekend instrumentaal lijnenspel. Het scheidende en tegelijk assemblerende vermogen van Pappano, zijn aandacht voor het détail, zijn instinct voor de onderliggende muzikale harteklop, voor het geheimzinnige ritmische continuüm dat Maeterlincks willoze en paspoortloze personages in feite voortdrijft - het dwingt het grootste respect af.

Mélisande is Golaud's bruid geworden zonder te kunnen zeggen waar ze vandaan kwam. Van haar verhouding met Pelleás weet niemand of die ooit tot een aanraking heeft geleid. Mélisande is ziek maar weet niet waarom; door 'een kracht, sterker dan mijzelf'.

Wernicke zet het neer in uniforme, maar bezwerende beelden. Sterker dan de uniforme beelden die hij in Amsterdam creëerde met Bartóks Blauwbaard en Loevendies Esmée. Zijn trouvaille is de schaar waarmee Golaud zijn broer afmaakt, een gereedschap waarmee Mélisande haar lokken van scène tot scène heeft ingekort.

Dat de scène met de dolende schapen en de kleine Yniold moest sneuvelen, is een misser.

Roland de Beer

Meer over