Een stad uit het niets

Hierom gaat het: 'Twee dagen na de preek in de Lastage, op 23 augustus, verschenen kooplieden op de beurs in de Warmoesstraat, die de verblufte Amsterdammers stukjes marmer en albast toonden....

De Lastage was een wervenbuurt, in het oosten van Amsterdam, buiten de stadswallen. De preek werd gehouden door Jan Arentsz., een mandenmaker uit Alkmaar, de eerste offici calvinistische predikant in Holland. Met de brokstukken van de nu bijna verleden katholieke middeleeuwen staan de kooplui op de beurs. Iets meer dan een maand later zou ook in Amsterdam de beeldenstorm uitbreken: in de kerk van de minderbroeders en die van de kartuizers gingen de beelden en ramen eraan.

Een tijdperk komt met geweld aan zijn einde; twaalf jaar later zal Amsterdam officieel van geloof veranderen. Het was als bijna laatste stad trouw gebleven aan de koning van Spanje, diens landvoogd en de katholieke kerk. De Alteratie heet de omwenteling. Het gelijk, sterker: Gods zegen, voor de verdrijving van de roomse leer, was onmiddellijk zichtbaar. Dit schrijft de historicus nu: 'Een van de merkwaardigste gevolgen van de Alteratie was dat deze onmiddellijk leidde tot een grote toestroom van kooplieden en een ongekende opbloei van handel en nijverheid.'

Een Augustijn, Wouter Jacobsz., beschrijft het met bittere woorden in zijn dagboek. Hij krijgt bijna de laatste woorden vanuit de oude tijd. De historicus voegt er nog aan toe: 'Inderdaad werd Amsterdams Gouden Eeuw gebouwd op de puinhopen van de middeleeuwse Kerk, onder het krachtige bestuur van de vijanden van de ''sincere katholieke partij''.'

Dat is het einde van het eerste deel van Geschiedenis van Amsterdam - Een stad uit het niets, tot 1578. Waar het om gaat is natuurlijk de schitterende zin over de marmeren en albasten brokstukken. De mededeling komt uit de gedenkschriften van een zekere Laurens Jacobsz. Reael. Binnen de context krijgt ze grote betekenis. Het hele slot van het laatste hoofdstuk, dat geschreven werd door Henk van Nierop, is een klein meesterstukje van geschiedschrijving: betekenisvolle vertelling, die in geen enkel opzicht nadrukkelijk is. Tekens zijn haast natuurlijk voortekens.

Van Nierop is hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef twee hoofdstukken voor dit eerste deel, behalve het slothoofdstuk een heel goed stuk over de rumoerige Amsterdamse geschiedenis van die eerste hervormers, de Wederdopers. In totaal elf historici, allen Amsterdams van opleiding, hebben aan dit deel - het eerste van de vier (in vijf banden) - meegewerkt. De economisch historicus H. Brugmans nam nog alleen de hele geschiedenis voor zijn rekening, op bewonderenswaardige wijze overigens. Zoals Ter Winkel als laatste alleen een literatuurgeschiedenis schreef. De macht van het weten wordt nu als overmacht gedeeld.

Eindverantwoordelijke voor het eerste deel is Marijke Carasso-Kok, die in 1975 een heel mooie beknopte geschiedenis van Amsterdam publiceerde. Zij nam twee uitvoerige hoofdstukken voor haar rekening, die beide beantwoorden aan de beoogde opzet: de geschiedenis beschrijven in relatie tot de reacties van de Amsterdamse bevolking op wat haar overkwam. Het is zonder meer een grote vondst de bevolkingssamenstelling van Amsterdam te beschrijven in een precieze weergave van de jaarlijkse grote Sacramentsprocessie, waarin met het sacrament de hele stad voorbijtrok.

Opdeling leidt altijd tot verschillen. Een eindredactie kan daar weinig aan verhelpen. De geschiedenis - de opzet en uitvoering van het eerste deel kunnen het bewijzen - wil voor een ruim publiek zijn. Voor die lezers is een stadsgeschiedenis bijna ideaal: het verhaal komt van dichtbij, de plaats van handeling heeft bekende trekken en namen, individuele geschiedenissen kunnen gemakkelijk een illustratieve plaats krijgen. Ook de mensen komen van heel dichtbij, te meer daar zij burgers en geen vorsten, hoge geestelijken of magistraten zijn. De geschiedenis van die burgers (dat is ook in veel opzichten de geschiedenis van de stad) wordt geordend, op zich al een vorm van betekenisgeving, en beschreven.

Maar bij een geschiedenis die met niets begint - zie de ondertitel - is dat onmogelijk. Dat dit deel, in de eerste helft, dan ook bijdragen heeft die het best als 'studies' kunnen worden omschreven, was haast onvermijdelijk. Over de ontginning van het oudste veen en het zichtbaar worden van eerste levensvormen, over de gang naar autonomie, over de economische ontwikkeling tussen 1200 en 1578 kan alleen door specialisten voor specialisten worden geschreven. Het verhaal moet uitblijven. Misschien ook wel hierdoor: de auteur is strikt gebonden aan tijd en onderwerp. De ene schrijver van de grote geschiedenis kan over de grenzen van een hoofdstuk heenkijken, zal dat ook doen. Hij heeft het geheel in zijn hoofd.

Men kan zeggen dat dit deel van de geschiedenis van Amsterdam vrij traag op gang komt. Met de beschrijving van het bestuur van de middeleeuwse stad door Cornelis L. Verkerk in het hoofdstuk 'De goede lieden van het gerecht' begint het verhaal enige gang te krijgen. Samen met en misschien ook wel gepireerd door Marijke Carasso-Kok schreef Verkerk het erop volgende hoofdstuk over de politieke en sociale geschiedenis tot de zestiende eeuw. Daar begint echt het betekenisvol beschrijven, dat zijn hoogtepunten bereikt in een tweede bijdrage van Marijke Carasso-Kok, over de eer van God en het aanzien van de stad, en de twee bijdragen van Henk van Nierop. De kracht van beide auteurs is dat zij de grote lijn en het detail kunnen combineren. Hun kracht is ook hun toon, die van het vertellen zonder concessies. Bas de Melkert, die over burgers en devotie tussen 1340 en 1520 schrijft, heeft die toon ook, al begint zijn bijdrage als een jongensboek, in een soort Floris- of Fulco-proza.

Het is veelzeggend dat de economische ontwikkeling van bijna vierhonderd jaar - en dat is vooral het verhaal van handel en scheepvaart - zesenveertig pagina's krijgt. De grote nadruk in dit deel over het middeleeuwse Amsterdam valt op het religieuze en dat is het katholieke en culturele. De geschiedenis van de stad lijkt samen te vallen met de geloofsgeschiedenis ervan. Amsterdam lijkt ook hierdoor overmatig rooms - een bijna heilige stad! - doordat vergelijkingen uitblijven. De stad was met haar kerken en kloosters niet veel anders dan veel andere steden. En de macht van de kloosters - ze hadden veel bezittingen - was groter dan de geest ervan.

Maar van het mede door het gezamenlijk geloof gevoede solidariteitsgevoel van de burgers - ze vormen in veel opzichten een echte gemeenschap - krijgt men een uitstekende indruk. Wellicht het allermooiste is Van Nierops beschrijving van het gedoogbeleid van de roomse overheid tegenover de reformatie. De vinger werd gegeven, maar de hand werd tenslotte afgehakt, zoals het altijd gaat met wat tolerantie heet.

De verhalen worden onderbroken door vol geustreerde pagina's die details en hun betekenis helder laten zien. Hoogtepunt zijn de vier bladzijden over 'leven na de dood', want boven het Jeruzalem dat de wederdopers in Amsterdam zagen, strekte zich het hemels Jeruzalem uit, waarheen ieder, van burgemeester tot graanhandelaar, van non tot bedelaar, op weg was. De maatschappelijke ongelijkheid is altijd afgetroefd door geestelijke gelijkheid! De kijker komt in dit historische leesboek weinig tekort. Het illustratiemateriaal is overvloedig en prachtig gekozen.

Wat men ook onthoudt: mensen. De volijverige priester Gijsbert Dou, de autoritaire kerkbouwer Willem Eggert, de arme pastoor Jacob Buyck van de Oude Kerk, een der eerste vluchtelingen: hij week uit naar Emmerich, waar hij weer pastoor werd, enfin zeer velen uit de tijd die op de laatste bladzijde kantelt. De Gouden Eeeuw gaat beginnen. Ook de lezer is er klaar voor, te weten voor de delen 2a en 2b, die dit najaar uitkomen.

Meer over