EEN STAD OM TE HATEN EN LIEF TE HEBBEN

Edinburgh, verscheurde stad. Schots van geografie, Europees van ziel. En ook nog in zichzelf gespleten. Het zuiden is oud, het noorden is al twee eeuwen nieuw en zal dat altijd blijven....

Een mooie stad?

'Edinburgh betaalt wreed voor de hoge zetel in een van de beroerdste klimaten onder de hemel. Ze is kwetsbaar voor alle winden die om haar woeden, voor de regen die haar doordrenkt, ze wordt begraven in de koude zeemist uit het oosten en bedolven onder de sneeuw als die zuidwaarts aankomt uit de heuvels van de Highlands.'

Woorden van een noorderling, die zou sterven op een eiland in de Stille Zuidzee.

Slenter door Princes Street en kijk naar de majestueuze Castle Rock met daaraan vastgeplakt de oude stad; kijk over het niemandsland van de Mound, waar ooit het water van Nor' Loch stroomde en waar nu de Academy en de Gallery bemiddelen tussen heden en verleden. Of kijk naar het gotische monument voor de schrijver Walter Scott, dat zich een eindje verderop koestert in de zon. Luister even niet naar de taal van de mensen om je heen en vergeet dat de auto's aan de verkeerde kant rijden.

Je zou in midden-Europa kunnen zijn, of wellicht in het oude hart van Frankrijk. In dit land lijkt deze stad niet op haar plaats. Want dit is een land van robuuste, nuchtere steden, gebouwd rond fabrieken. Steden voor doeners, niet voor denkers; steden waar schoonheid niet telde; steden, hard als de arbeiders die ze bevolkten.

Edinburgh, verscheurde stad. Schots van geografie, Europees van ziel. Stad van vroege Europeanen, van David Hume, verlicht filosoof, Adam Smith, verlicht econoom.

En ook nog in zichzelf gespleten. Het zuiden is oud, het noorden is al twee eeuwen nieuw en zal dat altijd blijven. De twee zijn in alles verschillend, maar kunnen niet zonder elkaar. Zonder de nieuwe, was de oude stad een stam zonder takken; zonder de oude, zou de nieuwe wortelloos verwelken tot niet meer dan een curiosum.

Dit is de stad van Robert Louis Stevenson, auteur van Treasure Island, The Master of Ballantrae en Weir of Hermiston. De stad die hij haatte en liefhad en die hem het diepste wezen van de gespletenheid leerde, zonder welke kennis hij nooit Dr Jekyll and Mr Hyde had kunnen schrijven.

Veel steden, schreef Stevenson, hebben bewonderaars. Maar alleen Venetië telt minnaars in haar gevolg. Stevenson werd geboren in Edinburgh en woonde er bijna drie decennia, maar beminde haar niet. Wellicht omdat hij de gespleten stad zag toen ze nog jong was, en nog niet klaar voor de liefde. Of omdat de gespletenheid de overgave in de weg stond.

En zeker had het ontbreken van liefde met het weer van doen, het verschrikkelijke Schotse weer, dat de ziekelijke jongeman letterlijk naar het leven stond. 'Voor iedereen die van beschutting houdt, en van de zegeningen van de zon, voor wie donker weer haat en het eeuwigdurende vooroverhellen tegen stormwinden, is er moeilijk een vijandiger en kwellender woonplaats te vinden', schreef hij.

Stevenson zelf was er zo een, en hij had het over zichzelf, toen hij schreef over degenen die 'verlangen naar het Elders van de verbeelding, waar alle moeilijkheden geacht worden te verdwijnen'. Hij reisde naar het Elders van Samoa, en stierf er.

Nu, bijna anderhalve eeuw later en geholpen door een vriendelijke winterzon, is Edinburgh misschien wel de enige stad van Groot-Brittannië die verliefdheid oproept. Londen kun je bewonderen, maar een stad voor passie is het niet. En in de meeste andere steden van Groot-Brittannië overschaduwt de lelijkheid wat aan charme nog rest.

Robert Louis Stevenson werd in 1850 geboren in Edinburgh, woonde er onafgebroken 29 jaar, en overleed in 1894 op Samoa, zonder sneeuw, mist, regen en wind, maar vol weemoed naar de stad die hij nimmer kon vergeten en die hij op zijn 28ste had beschreven in de Edinburgh Picturesque Notes, een boek waarin de hater liefheeft en de beul rouwt. Want Stevenson was, in de diepe en onverbrekelijke band die hij onderhield met Edinburgh, even gespleten als zijn stad zelf.

Hij stond vaak op de North Bridge, tussen de twee werelden van zijn stad, 'op de brug die de Nieuwe Stad verbindt met de Oude, - die winderige plaats, of hoogaltaar in deze noordelijke tempel van de winden -' en keek naar de treinen die verdwenen in de tunnel, 'op reis naar helderder luchten. Gelukkig de passagier die het stof van Edinburgh van zich afschudt, en die voor het laatst de oostenwind tussen de schoorstenen heeft horen gieren!'

Wie nu op de brug in Stevensons schaduw gaat staan, nog steeds hoog boven de treinen die vanuit Waverley Station de stad verlaten of binnenkomen, staat nog altijd op de slagader tussen de twee Edinburghen. Naar het noorden ligt het nieuwe Edinburgh, dat dateert uit het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, maar dat nog steeds New Town heet. Ten zuiden van de brug ligt Old Edinburgh, de middeleeuwse wirwar van straten tussen Castle Rock en Holyrood Palace.

Halverwege de achttiende eeuw keken de burgers van Edinburgh naar het noorden uit over de Bearford's Parks. In Edinburgh woonden vijftigduizend mensen op een oppervlakte van 55 hectare, en de stad stond bekend als een van de volste en smerigste van Europa.

Op een plattegrond uit die tijd ziet Edinburgh eruit als een visgraat; van de kop, Castle Rock, via Highstreet en Canongate - de Royal Mile met de talloze zijstraten - naar de staart, Holyrood Palace. Het ziet er niet alleen uit als een vis, zeiden de bewoners, het stinkt er ook zo.

In die tijd was George Drummond de Lord Provost, burgemeester, van Edinburgh. In 1752 zette hij in 7500 woorden een voorstel op papier voor uitbreiding van de stad, om een einde te maken aan overbevolking, ziekten en misdaad. Tien jaar later, toen ter voorbereiding van de plannen de North Bridge al was gebouwd, schreef hij een wedstrijd uit, voor een plan voor een New Town, aan de andere kant van Nor' Loch.

Er kwamen zes inzendingen binnen, en in 1766 werd het plan van James Craig, een 23-jarige koopmanszoon, als het beste uitgeroepen. Craig kreeg een gouden medaille en het ereburgerschap van de stad en was instant beroemd - tot op de dag van vandaag. Zijn plan voor de nieuwe wijk was een simpel rooster van drie evenwijdig lopende hoofdstraten en twee smallere straten, verbonden door drie zijstraten. De hoofdstraten liepen aan beide zijden uit op een plein.

En zo ligt het er nog steeds, in al zijn neo-klassieke grandeur, als een levend monument voor de burgerlijke architectuur: Princes Street, George Street en Queen Street, de drie hoofdstraten. Daartussenin Rose Street en Thistle Street. De zijstraten Castle Street, Fredrick Street en Hanover Street, en de twee pleinen, Charlotte Square en St. Andrew Square.

In die wijk, in het huis Heriot Row nummer 17, kwam in 1857 een zevenjarig jongetje wonen, Robert Lewis Balfour Stevenson - die pas later Lewis in Louis zou veranderen. Zijn vader, een ingenieur, hoopte dat het extra zonlicht dat door de grote ramen van het moderne huis binnenkwam, de zwakke gezondheid van het jongetje zou verbeteren.

Het jongetje ging even verderop op school, in Fredrick Street, en werd een ontdekker van zijn stad. Vooral van de oude stad, de Grassmarket en de Lawnmarket, Canongate en de graven van Greyfriars Kirk. Van het broeierige Edinburgh van de samenzweerders en verraders, de stad van de godsdienstfanaten en brandstapels. Het andere Edinburgh, dat weinig gemeen had met de meetkundige precisie van de New Town - 'dat tochtige parallellogram', die 'wildernis van vierkant gehakte steen'.

De jonge Stevenson trad in de voetsporen van Sir Walter Scott en Robert Burns, al even grote romantici als hij zelf. En net als hij auteurs die de gespletenheid hadden gevoeld van hun vaderstad, omdat ze ook in de New Town hadden gewoond.

De tweedeling, tussen de rijke Anglo-Scots van de New Town en de armen aan de overkant, tussen de organische gegroeide chaos van de middeleeuwen en de strakke planning van een nieuwe tijd, tussen romantiek en Verlichting, verstarring en vooruitgang. De scheiding tussen de kronkelingen van het gevoel en de strakke lijnen van de ratio.

Princes Street, klaar in 1805, stond in de vorige eeuw bekend als de mooiste straat ter wereld. De zuidzijde is onbebouwd, zodat de bewoners van de New Town, al flanerend, vrij uitzicht hadden op de oude stad, het getto van armoe en ziekten waaruit ze waren ontsnapt.

Na de eerste fase van het New Town volgden er meer; alle burgers die het zich konden veroorloven, verlieten de Oude Stad en waagden zich naar de overkant. Om aan de vraag te kunnen voldoen, werd tussen 1800 en 1820 verder uitgebreid naar het noorden, met onder meer Heriot Row, Northumberland Street en Abercromby Place. Tussen 1824 en 1827 volgde een uitbreiding naar het noordwesten.

Daar verrees onder meer Moray Place, het prachtige twaalfzijdige plein, de grandest of the circuses, waar de bezoeker van 2000 nog ademloos van bewondering rondloopt en denkt: mooi.

Mooi? Jawel, althans 'voor de simpelen van geest, die alles mooi noemen als zij er zelf maar behagen in scheppen, is de New Town van Edinburgh niet alleen vrolijk en fris, maar in hoge mate pittoresk'. In Stevensons tijd onderging de nieuwbouw van de New Town het lot van bijna alle moderne architectuur en werd hevig bekritiseerd. 'De meest geroemde deskundigen hebben deze wijk gekozen als het beste voorbeeld van wat afkeurenswaardig is in de architectuur.'

Maar soms, als de zon scheen, geschiedde een wonder. 'Als zachte lucht uit de heuvels van het binnenland komt, militaire muziek dapper opklinkt uit de parken, de vlaggen wapperen van de paleizen aan Princes Street - dan zie ik in de stad iets glorieus.'

Dan is Edinburghs New Town 'bijna te mooi om waar te zijn'. Dan is zijn stad, schreef Stevenson - en de verbazing tussen de regels is na 120 jaar nog steeds voelbaar - 'wat Parijs zou moeten zijn.' Een lichte, dragelijke, Europese stad.

Kijk naar Calton Hill en zijn krankzinnige monumenten. Het Nationale Monument, klassieke tempelruïne zonder ooit tempel te zijn geweest; de omgekeerde telescoop, het monument voor Nelson; de Old Observatory; de gedenktekens voor David Hume, voor de Schotse gevallenen in de Amerikaanse burgeroorlog, voor Abraham Lincoln; het Monument voor de Martelaren.

'Half een hoofdstad, half een dorp, leidt de hele stad een dubbelbestaan; ze heeft lange dromen van het een, en korte flitsen van het ander; zoals de koning van de Zwarte Eilanden, is ze half levend en half een gemarmerd monument.' Schreef Stevenson. Het Athene van het noorden, noemden ze Edinburgh in de vorige eeuw.

Straks, wanneer het nieuwe parlement klaar is en prinses Anne misschien wel als nieuwe Queen of Scots naar het noorden trekt, weer helemaal een hoofdstad.

Edinburgh, stad die haar zonen in ballingschap dwingt. Maar ook al reizen ze naar de andere kant van de wereld, naar eilanden die in niets op Edinburgh lijken, nooit zullen ze Auld Reekie kunnen vergeten. 'De stad verovert een plaats in het hart van mensen; waar ze ook gaan, ze vinden er nooit een stad van dezelfde distinctie; waar ze ook gaan, ze zullen trots blijven op hun oude thuis.'

Mooiste stad van Groot-Brittannië, gespletenheid gewikkeld in elegantie, als een zijden doek om het hoofd van een schizofrene, maar beeldschone vrouw.

Meer over