Een spoor van dood en verdrijving Britse journalisten ontrafelen het verleden van Serviers en Kroaten

DE OORLOG die midden 1991 uitbrak in wat toen nog Joegoslavië was, had het effect van een sneeuwbal. De oorlog in Slovenië, dat zich onafhankelijk had verklaard, duurde tien dagen....

Europa was op deze oorlogslawine in het geheel niet voorbereid en reageerde radeloos. Dat had minstens twee oorzaken. Ten eerste waren kort tevoren de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn verdwenen en was niet alleen Duitsland, maar ook Europa verenigd. De Koude Oorlog was voorbij en de Amerikaan Francis Fukuyama schreef zelfs over het 'einde van de geschiedenis'. Een oorlog in Europa leek ondenkbaar.

Ten tweede was Europa gewend geraakt aan het Joegoslavië van Tito. De oude, onaantastbare leider was weliswaar in 1980 gestorven, maar zijn schepping, het federale Joegoslavië, leek te kunnen overleven. Er moesten natuurlijk hervormingen plaatsvinden, zoals in de rest van Midden- en Oost-Europa. Maar met geweld exploderen?

Precies dat gebeurde in 1991. Terwijl de Oost-Europese landen met wisselend succes op weg gingen naar vrijheid en democratie, keerde in Joegoslavië de geschiedenis in alle hevigheid terug. Serviërs, Kroaten en Moslims, die vijftig jaar lang vreedzaam naast elkaar hadden geleefd, soms in dezelfde straat woonden en met elkaar waren getrouwd, begonnen elkaar te doden en te verdrijven, waarbij de Serviërs de agressor waren en ook het wreedst optraden.

Hoe was dat alles mogelijk? Waar kwam dat bloedige nationalisme vandaan? Wanneer waren de Serviërs in Kroatië en met name in de Krajina gaan wonen? Waarom was en is Kosovo, waar de bevolking voor 90 procent Albanees is, zo belangrijk voor Servië? Wat was zo bijzonder aan de Slag op het Merelveld in 1389, een slag die de Serviërs nota bene verloren, maar waaraan zij nog altijd grote mythische waarde toekennen?

Die vragen werden uiteraard ook door journalisten gesteld, vooral door degenen die ter plaatse de oorlog moesten verslaan. Onder hen bevonden zich de Britten Tim Judah, die werkte voor The Times en The Economist, en Marcus Tanner, correspondent van The Independent. Ze hebben zich na de oorlog grondig in de geschiedenis van Serviërs en Kroaten verdiept en dit heeft twee interessante boeken opgeleverd, die een verhelderend licht werpen op de vaak gruwelijke gebeurtenissen tussen 1990 en 1995.

Beiden hebben nogmaals de oorlog beschreven, maar dan als sluitstuk van een lange geschiedenis waarin Serviërs en Kroaten - vaak tegen alle verdrukking in - hun nationale identiteit hebben behouden of herontdekt, en mythen hebben geweven rond hun verleden. Door die geschiedenis loopt een spoor van dood en verdrijving. Want 'etnische zuivering' - dat vreselijke begrip dat in 1992 plotseling opdook - heeft zich niet alleen in de oorlog van de jaren negentig voorgedaan.

In beide boeken staat de nationale kwestie centraal, dat wil zeggen de vraag of alle Slavische volken op de Balkan samen moesten wonen in één staat of juist niet. Serviërs en Kroaten hebben die vraag op verschillende tijdstippen verschillend beantwoord. De idee van een Zuid-Slavische staat was evenzeer aanwezig als de idee van een Groot-Servië of een Groot-Kroatië.

Serviërs, Kroaten en Moslims wonen niet in een aaneengesloten, afgerond gebied. De geschiedenis heeft hen door elkaar geworpen, met als gevolg dat het in Servië ook altijd gaat om de Serviërs elders op de Balkan. En voor Kroatië geldt hetzelfde.

Daarbij komt dat de Serviërs voor zichzelf een bevoorrechte positie opeisen, gebaseerd op hun verleden, hun omvang en het feit dat zij in de negentiende eeuw als eerste Balkan-volk onafhankelijk werden na een geslaagde opstand tegen de Turken. Spanningen en conflicten waren tot in de jaren negentig het gevolg.

Het verleden is belangrijk om de Balkan te kunnen begrijpen. Want het verleden, schrijft Tim Judah in The Serbs - History, Myth and the Destruction of Yugoslavia, heeft geleid tot het Servische heden. Maar, benadrukt hij, de leiders in Belgrado hebben dit verleden ook misbruikt. Ze hebben het gemanipuleerd om vanuit het communisme de nationale wedergeboorte te verklaren. En, voegt hij eraan toe, de Servische bevolking liet zich graag misleiden.

Marcus Tanner maakt in Croatia - A Nation Forged in War duidelijk hoe ook de Kroaten zich steeds de vraag hebben gesteld: met of zonder de Serviërs? Hij schrijft uitvoerig over de militaire leider Josip Jelacië uit de Krajina, over Josip Strossmayer, een liberale bisschop met politieke ambities uit Slavonië, en over Ante Starcevië, de tegenstrever van de bisschop. Zij leefden allen in de vorige eeuw, toen overal in Europa het nationalisme de kop opstak. Dus ook in Servië, dat zich ontworstelde aan de heerschappij van de Turken, en in Kroatië, dat tot 1918 deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije.

Dit nationalisme heeft in Kroatië verschillende vormen aangenomen. De militair leider Jelacië trok na de revolutie van 1848 in Wenen en Boedapest met een leger van veertigduizend man naar Hongarije om de revolutionairen te verslaan. Hij ontzette vervolgens Wenen, en dit allemaal om de macht van de Habsburgse keizer te redden. Want Jelacic hoopte dat de Oostenrijkse keizer de nationale rechten van de Slavische volken zou erkennen. Het bleek ijdele hoop.

De vereniging van de Slavische volken op de Balkan in een federale staat was het doel van bisschop Strossmayer. Hij bepleitte samenwerking tussen Serviërs en Kroaten en zette zich in voor een verzoening tussen de katholieke kerk, dominant in Kroatië, en de Servisch Orthodoxe Kerk.

Samenwerking en verzoening lagen ook voor de hand, want in Kroatië woonden van oudsher ook Serviërs, ooit gevlucht voor de Turken. Zij woonden vooral in de Krajina, die een militaire buffer vormde aan de grens van het Habsburgse en het Ottomaanse rijk. Vrije boeren waren door de keizer in Wenen hier gevestigd. Zij bewerkten het land en bewaakten de grens.

Starcevië, een dichter en schrijver, keerde zich tegen de Serviërs. Hij was voorstander van een Groot-Kroatië, bestaande uit Dalmatië, Slavonië, Istrië en Slovenië; de keizer in Wenen zou koning van de staat zijn.

Tanner wijst erop dat de Serviërs in Kroatië na 1850 hun belangstelling voor samenwerking met de Kroaten begonnen te verliezen. Zij gingen zich oriënteren op de Servische staat die in en rond Belgrado was ontstaan.

Bovendien ontstond in Belgrado de Groot-Servische gedachte. Minister van Buitenlandse Zaken Ilija Garasanin stelde rond 1850 het plan Nacertanije op, dat volgens Judah een 'blauwdruk voor Groot-Servië' was. Garasanin wilde het grote Servische rijk uit de Middeleeuwen herstellen, een rijk dat in 1389 ten onder was gegaan, maar nooit uit de herinnering van de Serviërs was verdwenen. Het moest op de Balkan de sterkste en meest invloedrijke natie worden.

Garasanin was de 'vader van het moderne Servische nationalisme', schijft Judah, die meer nog dan Tanner steeds weer parallellen trekt tussen het verleden en de jaren negentig.

Nationalisme speelde ook in het culturele leven een belangrijke rol. Zo propageerde Vuk Karadzië, de dichter van Servische heldengedichten en vernieuwer van het Servisch, de idee dat niet het behoren tot de orthodoxe kerk bepalend was voor de Servische identeit, maar de taal. Met uitzondering van de Kroaten rond Zagreb en de bewoners van de eilanden voor de Adriatische kunst waren voor hem dan ook alle andere Zuid-Slaven Serviërs.

Met deze ideeën gingen de Zuid-Slaven de twintigste eeuw in en aanvankelijk won de idee van een gemeenschappelijke Servisch-Kroatische staat. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog ontstond het koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, dat later Joegoslavië werd genoemd. De vreugde over de nieuwe staat vervloog snel, toen de Kroaten bemerkten dat de Serviërs in deze eenheidsstaat krachtig de boventoon gingen voeren.

De ramp zou wellicht nog te overzien zijn geweest als het Kroatische verzet tegen Belgrado beperkt was gebleven tot de Boerenpartij, want uiteindelijk bereikten Serviërs en Kroaten na twintig jaar een akkoord over een staatshervorming. Maar dat akkoord kon Joegoslavië niet meer redden. Want in 1939 stond de Tweede Wereldoorlog voor de deur en bovendien was een extreme Kroatische nationalist opgestaan.

Ante Pavelië had in 1929 de 'Ustasa Kroatische Bevrijdingsbeweging' gesticht en onderdak gevonden in het Italië van Mussolini. Toen in 1941 Duitse en Italiaanse troepen Joegoslavië binnenvielen, keerden in hun kielzog Pavelië en de Ustasa-fascisten terug naar Kroatië. De gevolgen voor Joegoslavië waren verschrikkelijk. Servië werd bezet door de Duitsers, maar in wat nu Kroatië en Bosnië-Herzegovina is, ontstond de Onafhankelijke Staat Kroatië, afgekort NDH. Deze staat was alleen in naam onafhankelijk. In werkelijkheid was de NDH verdeeld in twee invloedssferen: een nazi-Duitse en een fascistisch Italiaanse.

Tanner en Judah beschrijven uitvoerig het schrikbewind van Pavelic . Met zijn extreem wrede strijdmacht wilde hij zowel de joden als de Serviërs uitroeien. De terreur van de Kroaten was zo erg dat de vervolgde Serviërs de Italianen smeekten hun land te bezetten.

Na de oorlog baseerde Tito zijn communistisch Joegoslavië op de idee van 'broederschap en eenheid'. Hij schiep een federale staat, bestaande uit zes republieken en twee autonome gebieden. Tanner en Judah maken duidelijk dat Tito door een politiek van geven en nemen en door de partij van nationale elementen te zuiveren het nationalisme in Servië en Kroatië wist te onderdrukken. Maar hij kon het niet uitbannen.

In de jaren tachtig, aldus Judah, 'gingen de historische demonen zich roeren' en 'begonnen de debatten van de jaren twintig en dertig opnieuw'. Bekend is waartoe dat heeft geleid.

Jan Luijten

Tim Judah: The Serbs - History, Myth and the Destruction of Yugoslavia.

Yale University Press; 349 pagina's; ¿ 69,45.

ISBN 0 300 07113 2.

Marcus Tanner: Croatia

- A Nation Forged in War.

Yale University Press; 338 pagina's; ¿ 69,45.

ISBN 0 300 06933 2.

Meer over