Een spiegel voor de droom van Stockhausen

De eerste tekst is van Lucianus en stamt uit de tweede eeuw na Christus. Hij beweert dat de dans veel bijdraagt tot de intellectuele en morele vorming....

ARIEJAN KORTEWEG

Laat ik meteen toevoegen dat het beeld van één pagina per tien jaar gechargeerd is. De revolutionaire Franse choreograaf en dwarsligger Jean-Georges Noverre is de op een na oudste contribuant en die schreef zijn 'Twaalfde brief over de dans', waarin hij al zijn collega's naar de mesthoop verwijst, in 1760. (De geschiedenis heeft hem overigens gelijk gegegeven; in tegenstelling tot zijn tijdgenoten is Noverre niet in de vergetelheid geraakt.)

Dat brengt ons op één pagina per jaar. Ook daarmee blijft Het dansende lichaam een hachelijke onderneming. In elke andere kunstdiscipline zou het hovaardig zijn een reeks klassieke teksten te bundelen in een boek met de omvang van een pocket. Maar als het om dans gaat wordt dat nog voor mogelijk gehouden.

Is er zo weinig over dans beweerd wat de tand des tijds heeft doorstaan? Of heeft de samensteller van deze bundel, door wat voor omstandigheden dan ook daartoe gedwongen, wel zeer strenge selectiecriteria gehanteerd?

Vermoedelijk is Het dansende lichaam ontstaan op het snijpunt van deze beide afwegingen. Zeker, dans is de minst geboekstaafde van alle kunsten. Omdat dans vluchtig is, en - wie weet - omdat dansliefhebbers van oudsher geen schrijvers zijn. Toch is er oneindig veel meer over geschreven dan op grond van deze bundel geconcludeerd zou kunnen worden.

Het dansende lichaam is samengesteld door de jonge Vlaamse criticus en dramaturg Johan Reyniers (1968). Hij gaf zijn selectie de ondertitel 'klassieke teksten over (hedendaagse) dans' mee. Teksten dus die nog van betekenis zijn voor de dans die nu op de podia te zien is.

Reyniers noemt de bundel zelfs 'een soort van derde oog, een boek waardoor we minder onschuldig, meer gewapend naar een voorstelling zullen kunnen kijken.' Een dubieuze aanbeveling, want bij het kijken naar dans komt elke bewapening mij voor als ballast. Wat is er mooier dan de onschuldige blik, te kijken zonder meteen te interpreteren, zonder voorkennis die allerlei mogelijkheden al op voorhand uitsluit?

'Door het geringe aanbod in ons taalgebied kan men geneigd zijn dit boek als het boek rond hedendaagse dans te gaan beschouwen', schrijft de samensteller in zijn voorwoord. Hij hoeft zich geen zorgen te maken. Daarvoor is zijn selectie te willekeurig. Maar ook al geeft hij zijn eclecticisme volmondig toe, dat vrijwaart zijn keuze niet van kritiek.

Een deel van de teksten behoort tot het standaardrepertoire dat ook in buitenlandse bundels steeds opduikt. Wat dat betreft heeft Reyniers nuttig werk gedaan, want vaak waren die teksten niet of moeilijk in vertaling verkrijgbaar. Ik herinner me 'Over het marionettentheater' van Heinrich von Kleist in een theatertijdschrift te hebben gelezen, maar ben blij het nu onder handbereik te hebben.

Datzelfde geldt voor de vertalingen van Stéphane Mallarmé en Paul Valéry, wiens 'Filosofie van de dans' tot de meest lucide teksten behoort die ooit over dans geschreven zijn. Even klassiek is de lezing 'Dansers, gebouwen, en mensen op straat' van de Newyorkse danscriticus Edwin Denby (afkomstig uit Dance Writings, antiquarisch vaak voor niet veel meer dan tien gulden te krijgen). Al is het alleen maar omdat hij zijn gehoor van jonge dansers aanraadt om niet naar hem te luisteren maar naar buiten te gaan en de zintuigen aan het werk te zetten.

Met de accenten die de bloemlezer zelf plaatst heb ik meer moeite. Zo is het vreemd het gedachtengoed van Merce Cunningham aan bod te laten komen middels twee fragmenten uit een interview met een Franse journaliste, terwijl over en met hem zo veel behartigenswaardigs is geschreven. Andere teksten, als die van Isadora Duncan, Anna Kisselgoff, Cécile Bon en F.J.J. Buytendijk, zijn eerder curieus dan klassiek.

Mede daardoor zijn de bijdragen sterk wisselend in gewicht en toegankelijkheid. Het Nederlandstalige aandeel, waarmee deze bundel zich van buitenlandse had kunnen onderscheiden, is met een tekst van J.W.F. Werumeus Buning en een gedicht van Martinus Nijhoff erg karig uitgevallen.

Verre van klassiek, maar daarom niet minder intrigerend zijn wel de beide naar de toekomst verwijzende bijdragen. De al eerder genoemde Susan Foster vraagt zich af - in overigens nogal hoogdravende bewoordingen - of de technologische ontwikkelingen nog wel ruimte zullen laten aan podiumdans.

Hoogst merkwaardig is het vraaggesprek met moleculair bioloog David Soll. Ten behoeve van zijn onderzoek naar de vormverandering van cellen heeft hij apparatuur ontwikkeld die ook in de dans kan woren toegepast: met behulp van computer, videocamera en synthesizer kunnen bewegingen met niet meer dan een kwart seconde vertraging in klanken worden omgezet, waarbij zelfs bepaalde instrumenten aan bewegingsfragmenten kunnen worden gekoppeld.

De toekomstmuziek die Soll schetst is verbazingwekkend. Hij stelt voor een groep dansers een letterlijke interpretatie van een compositie te laten maken, bijvoorbeeld van Bartók. Vervolgens verwijdert men die muziek, en wordt met behulp van de apparatuur op basis van de dans een nieuwe partituur gegenereerd. Aan de hand daarvan, zegt Soll, kunnen we ontleden hoe de dansers met Bartók zijn omgegaan. De droom van Stockhausen, die muziek heeft gecomponeerd waarbij elk instrument correspondeert met een lichaamsdeel, krijgt hier een wetenschappelijk verantwoord spiegelbeeld.

Als er een volgende editie van Het dansende lichaam komt - en waarom niet, een reader hoort voortdurend aan de eisen van de tijd te worden aangepast - hoop ik dat er meer van dergelijke inspirerende bijdragen worden gekozen. Dan raad ik de samensteller aan tegelijk de teksten nog eens kritisch op vlaamsigheden te (laten) nalezen. Geen pagina in deze uitgave is daarvan verschoond gebleven.

Johan Reyniers (red.): Het dansende lichaam. Klassieke teksten over (hedendaagse) dans.

Kritak/Klapstuk, Fl. 34,50.

Meer over