Een speurtocht als boeiende dwaaltocht

DE WOORDEN waarmee Huizinga in zijn Erasmus de lezers, want die maken de geschiedenis, gelijk geeft, zijn bekend: 'Wanneer van al de werken van Erasmus in de wereldliteratuur met de Moria (de Lof der Zotheid) slechts de Colloquia waarlijk levend zijn gebleven, dan is die keuze der geschiedenis juist geweest.'...

In de Colloquia, die in 1522 verschenen - een jaar later verscheen al een vermeerderde druk - is opgenomen het Convivium religiosum, de geestelijke maaltijd, een der langere samenspraken, maar toch vrij beknopt: elfhonderd regels. In samenvattende studies en biografische werken wordt deze Samenspraak altijd teruggebracht tot de verwoording van het christelijk-humanistische ideaal, tot de synthese die Erasmus gevonden heeft in zijn liefde voor de klassieke oudheid en het christendom. Het christendom annexeert de antieke schrijvers niet, maar herkent in de besten van hen aan het christendom gelijkwaardige geesten. En de deelnemers aan het gesprek citeren uitspraken - van Cato, van Socrates - die zij christelijk van geest en voorbeeldig achten. Het is mooi, maar ook van een naïviteit die een nieuwe geest soms meebrengt.

Het is curieus dat we zulke passages in een boek zo vol van in de tijd aanstootgevende spot - onmiddellijk ernstig nemen. Hoe ernstig of satirisch is een uitspraak als deze in het Convivium: 'Maar niets weerhoudt mij er vaak van de heilige ziel van Vergilius of Horatius de zaligheid toe te wensen.' Wordt de spreker, die toch lijkt te overdrijven, bespot of kunnen we zijn opvatting als instemmend met Erasmus' geest beschouwen? Zijn aanvallers zouden een uitlating als deze met veel venijn hebben kunnen gebruiken. Over de aanroep van een der gasten 'Heilige Socrates, bid voor ons', kan hetzelfde worden gezegd. Cornelis Augustijn, die in zijn biografie een mooi hoofdstuk over de Colloquia schrijft, noemt deze en een andere uitspraak 'uiting van de lichtvoetige ernst die Erasmus eigen is'. Zo moet het zijn. Misschien kan men eraan toevoegen dat de tegenstanders, onder wie Luther, de ernst in de spot en de lichtheid niet hebben onderkend. Wie tegen een schrijver is, leest alles wat hij zegt, altijd eenzijdig, naar het gelijk van zijn verontwaardiging toe.

De maaltijd als gelegenheid tot samenspraak is conventie. Erasmus noemt de maaltijd 'religieus' (de benaming 'sacrum convivium' voor de eucharistische maaltijd kende hij natuurlijk). De titel kan iets tweeslachtigs hebben: de aaltijd - een sobere overigens - gaat samen met het geestelijke, een gesprek over geestelijke zaken. Als het lichaam wordt gevoed, mag de geest niet te kort komen, is over de kloosterlijke tafellezing gezegd. Het gesprek lijkt er een voortzetting van. De gasten komen bijeen in het huis van een zekere Eusebius. Het is een landhuis - ook dat is conventie - dat door Erasmus beschreven wordt. Ook in het huis ontbreekt de tweeslachtigheid niet: het heeft zowel kloosterlijke als wereldse trekken. Noem het een 'tussenhuis'. Zoals de maaltijd een 'tussenmaaltijd' is. En de tekst, in zijn luchthartige ernst, een tussentekst. In het huis komen - in de schilderingen bijvoorbeeld - klassieke en christelijke tradities samen. Het is een huis van twee werelden, die als eenheid worden beleefd, zoals in het gesprek de verbondenheid van christendom en klassieke schrijvers zichtbaar wordt. Het huis wil duidelijk een huis van de geest zijn.

H ET HUIS is symbool van de ziel. En ook dat is, naar ik meen, een oude traditie en niet alleen een Jungiaanse symboliek. Het is niet moeilijk het huis uit 'de geestelijke maaltijd' als de ziel van Erasmus te zien: de tweeëenheid van zijn geest wordt in het huis en in de onderdelen ervan heel goed zichtbaar. Eusebius laat de gasten tot zijn huis en daarmee tot zijn geest toe. En hij spreekt met gelijkgestemden, als Augustinus in Cassisiacum, maar ook als de Grieken aan hun symposia. Het gaat niet alleen om de geest van de geest, maar ook om de inhoud. Erasmus was een van de meest belezen mensen van zijn tijd. In zijn geest kwam heel verschillende kennis samen. Het gaat niet alleen om kennis, maar, als ik het zo mag noemen 'kennis van kennis', dat wil zeggen, van de in de traditie gegroeide vaak symbolische betekenis van de kennisonderdelen: figuren, begrippen. Er lijkt weinig in het geestesleven dat niet van zijn letterlijke betekenis is weggegroeid, naar het soms meerduidige karakter van het symbool toe. Misschien dat juist dat gegroeide symbolische karakter de verzoening van klassieke wereld en christendom - over de middeleeuwse wereld heen, die overigens heel wat had overgesymboliseerd - mogelijk maakte.

Wie Erasmus voor een kamergeleerde houdt, vergeet niet alleen dat hij een groot reiziger, maar ook dat hij een scherp waarnemer was van het dagelijkse leven. Een realist in zekere zin. (Er zijn in de Colloquia herinneringen aan de Canterbury Tales). Welk een schitterend portretschrijver toont hij zich niet in zijn beroemde brief aan Ulrich von Hutten, wie hij Thomas More voor de geest roept. Hij moet, als vele grote geesten, ook een uitstekend geheugen hebben gehad, niet alleen voor wat hij had gelezen, maar ook voor wat hij had gezien en gehoord. En gehaat! Maar de realist nam niets waar, zonder er terstond de betekenis van de onderkennen. Het geziene of gehoorde werd representatief en daardoor licht symbolisch. (Zonder die lichte symboliek van de representativiteit schrijft men trouwens geen satiren). Dat hij in sommige opzichten als de geestesvader van de emblematiek kan worden gezien, is begrijpelijk: aan een realistische tekening wordt door de tekst symbolische betekenis gegeven. (Wie zijn huis reinigt, blijkt zijn ziel schoon te maken!). Voor zijn realisme in schijn is ook Convivium religiosum karakteristiek.

De interpretatie van het huis en de duiding van met name de schilderingen erin zijn onderwerp van de studie Niet alleen, waarop Lucy L.E. Schlüter aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde. De ondertitel van de dissertatie luidt: 'Een kunsthistorisch-ethische plaatsbepaling van tuin en huis in het Convivium religiosum van Erasmus. Wat die bijwoordelijke bepaling 'kunsthistorisch' bij 'ethisch' moet betekenen, begrijp ik na lezing van het boek niet. De studie is zowel een kunsthistorische als een ethische plaatsbepaling en juist het eerste maakt de charme van het boek uit. De geschreven schilderingen worden als schilderingen ernstig genomen, reëel en voor het huis geldt hetzelfde. Tegelijk worden zij in hun betekenis en dat is ook hun moraal geduid en daarmee gesitueerd. De eenzijdigheid van de ondertitel doet geen recht aan de tweeëenheid van het Convivium en dat is ook die van echtheid en symbool. De auteur weigert juist aanvankelijk in het zuiver fictieve en daardoor puur toegepaste karakter van het huis te geloven. Zij onderzoekt een aantal huizen, die alle min of meer een rol in Erasmus' leven en geestesleven hebben gespeeld. En dat gedeelte van haar studie is zeer prikkelend. Ze zouden bijna alle als model in aanmerking kunnen komen. Te vermoeden is dat ze alle aan de geest (en de structuur) van het huis hebben bijgedragen, zoals dat ook met klassieke of in de renaissance gangbare landhuizen het geval kan zijn geweest.

Het mooie is, dat het kunsthistorisch onderzoek, en dat is een onderzoek van een bepaalde werkelijkheid, juist de eigenheid en daarmee de betekenisvolheid van het huis in het Convivium laat zien. Wie het huis binnengaat, ziet vele vertrouwde onderdelen tegelijk - het huis en zijn interieur zenden heel veel signalen uit in vele richtingen - maar ze blijken hun eigen ordening te hebben. Het is een intertekstueel, interarchitecturaal, interpicturaal huis, alleen te bouwen en te versieren door een overvolle geest als die van Erasmus. Het is het huis van zijn geest. Alles wat hij kende en waarvan hij de betekenis kende, lijkt erin samen te komen, vormt een dubbelhuis, dat ook een tussenhuis is in deze zin: tussen reëel en symbolisch in en daardoor voortdurend bijna herkenbaar. En dus bedrieglijk!

De onderdelen van huis en tuin, de schilderingen worden nauwkeurig bekeken. En dan begint een dubbel onderzoek: naar de oorsprong en - vaak - naar het vervolg, naar Erasmus' schatplichtigheid en naar de schatplichtigheid van lateren aan Erasmus. Natuurlijk moet de auteur bij het beschrijven van de oorsprong - en dat is ook een beschrijving van Erasmus' kennis - nogal veel met vermoedens werken. 'Hij zal' en 'hij moet' zijn veel voorkomende wendingen. Verwijzingen bijvoorbeeld naar bepaalde motieven in de schilderkunst, die in de schilderingen in het huis en in de gaanderijen erom heen zichtbaar zijn, zijn voor de kunsthistoricus aantoonbaar, nu. Maar een verwijzing is geen bewijs van oorsprong, eens. Het is wonderbaarlijk bijna wat de auteur aan context zichtbaar maakt. Waar die het werk van Erasmus zelf betreft - sommige van zijn Adagia bieden rijke mogelijkheden, is hij overtuigend. Erasmus blijkt zo veel plezier in sommige van zijn eigen ideeën te hebben gehad, dat hij ze herhaalde. Waar een bredere context wordt beschreven, is het soms moeilijk de kennis van Erasmus en die van de auteur uit elkaar te houden, ook voor de auteur zelf. In dat kleine hoofd van de grote man lijkt ook alle wetenschap van latere tijd te zijn gevaren! Tenslotte dreig je als lezer nogal eens in alle mogelijkheden te verdrinken. En dan moet hij zichzelf redden, want een reddende en dat is een ordenende hand van de auteur wordt niet uitgestoken.

IK HEB lang niet een zo overvol boek gelezen. Steeds worden nieuwe gegevens of mogelijkheden gepresenteerd en alles wat de auteur later nog te binnen schiet, krijgen we in zeer uitvoerige voetnoten te lezen. De overvloed werkt stimulerend, want de onderdelen ervan zijn vaak heel boeiend. Hij werkt echter ook verwarrend, juist doordat vaak strakke ordening ontbreekt. Lijkt te ontbreken misschien. Want ik wil dit voorzichtige voorbehoud maken: de auteur lijkt te schrijven voor de goede verstaander, die het hele terrein van haar onderzoek en kennis beheerst. Dat kan verklaren waarom zij nogal eens redeneringen of stellingen niet voltooit. De rest weet de kenner wel. En anders Erasmus.

De hoofdvraagstelling is die naar de betekenis, naar het traditionele of eigen karakter van de schilderingen. En natuurlijk naar de kunsttheoretische opvattingen van Erasmus die er mogelijk achter liggen. Er blijkt in de schilderingen heel veel traditie aanwezig, in de opvattingen trouwens ook. Traditie betekent voor de schilderingen ook: een symbolische traditie. Huis en tuin samen hebben veel karaktertrekken van het paradijs en bijna alle schilderingen lijken, al is het indirect, naar de gelukzalige christelijke staat van leven te verwijzen. Het huis is het huis van de christelijke geest, waarin men samen - niet alleen, want de mens hoort niet alleen te zijn - dat ideale christelijk leven bespreekt en beleeft, en aan dat leven voortdurend wordt herinnerd door huis, tuin en aankleding. Christen-humanisten onder elkaar, de bijbel open, maar alle klassieke schrijvers in de bibliotheek. De geest van het christendom en die van de vrije kunsten samen. Een huis als de geest van Erasmus. Dat is het mooiste aan het boek: Erasmus wordt in de duiding van die betrekkelijk kleine tekst van hem in al zijn geestelijke volheid en rijkdom zichtbaar, als een man van alle tijden ook: de oudheid, de middeleeuwen en zijn nieuwe tijd zijn in verbondenheid in hem aanwezig, de toekomst niet minder, want al wordt de invloed van zijn geest (en van de geest van dit kleine geschrift) mijn inziens soms overdreven en lijkt de beschrijving ervan soms niet meer dan een inval, stimulerend is het wel te zien hoe Erasmus ineens het middelpunt van een hele geschiedenis en 1522 een centraal jaar wordt.

Het meest inspirerend vond ik aan deze studie wat ze niet beoogt. Ze geeft een prachtige beschrijving van wat fictie is, want de auteur begint al haar uitgebreide onderzoekingen in de werkelijkheid, om steeds te ontdekken, dat de werkelijkheid het verhaal en de onderdelen ervan niet dekt. Huis, tuin, schilderingen, bibliotheek, ze lijken allemaal hun voorbeelden te hebben. We krijgen ze allemaal te lezen en er is veel voor gestudeerd en gekeken om ze aan het licht te brengen. Alles lijkt te lijken. Maar niets past ten slotte. Het huis blijkt een eigen werkelijkheid. De speurtocht van het boek is daarom ten dele een dwaaltocht. Maar wel een boeiende. Ze maakte hem niet alleen, want samen met een al of niet denkbeeldige Erasmus.

Lucy L.E. Schlüter, Niet alleen. Een kunsthistorisch-ethische plaatsbepaling van tuin en huis in het Convivium religiosum van Erasmus; Amsterdam University Press; prijs ¿ 55.

Meer over