Een spel wordt pijnlijk ernst

IN HET decembernummer van The New York Review of Books ('Holiday Issue') schrijft J.M. Coetzee over 'Embers and five other books by Sándor Márai'....

Het is, om een aantal redenen, een interessant stuk van de Zuid-Afrikaan Coetzee, die we alleen al om zijn prachtige roman Disgrace bewonderen.

Waarom schrijft hij over Márai?

De aanleiding is de publicatie van Embers door de bekende New Yorkse uitgever Knopf. Coetzee voegt er een aantal andere boeken van Márai aan toe, want hij hoeft zich door zijn kennis van het Duits niet te beperken, en ontsluit zo een groot deel van Márais oeuvre voor de lezers van The New York Review of Books.

Kennelijk is de belangstelling in Europa voor dit werk naar Amerika overgewaaid, want Knopf is van plan ook The Rebels en Conversations in Bolzano te publiceren.

Voor Coetzee is het de vraag wat hier aan de hand is. Hij weet dat sinds de publicatie van Glut in Duitsland (toen Marcel Reich-Ranicki in 1998 het boek op de tv tot een absoluut meesterwerk uitriep) het lezen van Márai haast een rage is geworden. Niet alleen in Duitsland, ook in Frankrijk en Italië, waar al veel eerder nieuwe vertalingen het licht zagen, en in Nederland.

In zijn stuk schrijft Coetzee mild waarderend over Márai, die hij ten slotte toch slechts de titulatuur van een 'minor, rather old-fashioned fiction writer' waardig keurt. Het is, zoals gebruikelijk bij Coetzee, een doorwrocht en helder artikel, maar niet helemaal geslaagd als het erom gaat te peilen wat er in Europa gaande is.

Nu is dat ook moeilijk, zeker voor een sterk Angelsaksisch georiënteerde Zuid-Afrikaanse schrijver en letterkundige, maar ook vanwege de kwestie zelf. Hoe kun je überhaupt verklaren dat ineens honderdduizenden mensen in Europa een volkomen vergeten Hongaarse schrijver gaan lezen? Is het een hype, in gang gezet door de autoriteit van Reich-Ranicki? De wereldliteratuur heeft tegenwoordig veel weg van een flipperkast.

Er is meer aan de hand. De eerste vraag die je moet stellen, is: zijn het goede boeken die we tot nu toe van Márai onder ogen hebben gekregen. Dat is ook de vraag die Coetzee stelt, en daarbij stuit hij op twee problemen, die hij weliswaar onderkent, maar mijns inziens onvoldoende uitwerkt.

Het eerste probleem betreft het onvolledige inzicht in het oeuvre. Het begon met één boek, Glut, maar daarna kwam telkens meer te voorschijn. Het betekent dat je je oordeel over het werk steeds moet bijstellen. Bij elk nieuw boek word je in je oorspronkelijke oordeel bevestigd dan wel teleurgesteld.

Coetzee leest Duits (en Nederlands) en hoefde zich daarom niet tot Embers te beperken, maar wel tot wat in het Duits nu van Márai beschikbaar is. Dat is al heel wat, maar nog lang niet alles (het wachten is op een beschouwer die het Hongaars machtig is, en al die boeken al jarenlang heeft kunnen lezen; vreemd dat zo iemand niet opduikt).

Een tweede probleem in de beschouwing van Coetzee is het feit dat hij Embers las in een Engelse vertaling van een Duitse vertaling. Dat kan natuurlijk niet. Coetzee weet het als geen ander, hij noemt het zelfs weinig 'professional' van Knopf, maar wekt niettemin de indruk dat hij de 'clumsiness' van Márai's stijl de schrijver zelf verwijt, terwijl het vermoedelijk de Engelse vertaling is.

Zulke dingen liggen subtiel.

Ik heb Márai tot nu toe in het Duits gelezen en heb absoluut geen klagen over zijn stijl, integendeel. De rustige verteltrant, de kalme opbouw van de sfeer, zo bepalend voor het mijmerende karakter van in elk geval Gloed, hoor ik terug in woordkeus, zinsbouw, toon.

De vraag of we met een 'minor, rather old-fashioned fiction writer' te maken hebben - voorzover die vraag er al toe doet - valt weer wat beter te beantwoorden, nu ik een derde roman van Márai heb gelezen, het boek dat in Amerika The Rebels zal gaan heten. In het Duits heet het Die jungen Rebellen. Het verscheen voor het eerst in 1930 bij de Hongaarse uitgever Pantheon onder de titel A zendülök.

In deze roman vertelt Márai, toen dertig jaar oud, over een groepje gymnasiasten in een kleine provinciestad, die op het punt staan de school te verlaten en het volle leven in te gaan. In 1918, de tijd waarin het verhaal speelt, behoort ook de oorlog nog net tot het volle leven. De jongens kunnen ervoor kiezen daaraan als militair deel te nemen. Het hangt ze niet als doem boven het hoofd. Het is óók een manier om te ontsnappen aan het burgerlijke bestaan dat hen bedreigt, en waartegen ze zich verzetten.

Rebellen dus.

De manier waarop die rebellie zich uit, laat zich niet zo gemakkelijk in eigen woorden navertellen - hoewel ouderen onder ons, die nog met één been in de tijd staan waaraan pas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw een einde kwam, er veel van zullen begrijpen. Ik wil maar zeggen dat Márai gemakkelijk een afstand in tijd van zo'n vijftig jaar overbrugt, wat wellicht enigszins aan de gang van de geschiedenis te danken is, maar toch het meest aan zijn verteltalent, zijn oog, zijn intense belangstelling, die hem in staat stellen de jonge intellectuelen van zo dichtbij te laten zien dat we mee hun huizen, cafés en geheime plaatsen van samenkomst betreden en leren inzien wat dat verzet van ze inhoudt: de druk van de verandering in hun leven die onafwendbaar is, perst het uiterste uit hun gevoelsleven, dat vol angst, haat en liefde zit (ook ten opzichte van elkaar). Het moet in een drama eindigen.

Dat doet het ook, laat ik het maar meteen verklappen, hoewel ik niet wil onthullen hoe Márai dit drama met drie of vier aangrijpende scènewisselingen intensiveert. Degenen die Gloed en De erfenis van Eszter hebben gelezen, weten dat een eigenaardigheid van Márai's manier van vertellen schuilt in de toneelmatige setting die hij weet te scheppen. Filmisch, ouderwets filmisch zou je ook kunnen zeggen. Daarvan zijn in dit boek de voorbeelden legio. De meest aangrijpende scène speelt zich tegen het eind af, als een oudere, vadsige, ongrijpbare acteur, die zich bij de jongens heeft aangesloten, in hun schuilplaats (de Arabeske geheten) een toneelstuk met ze opvoert. Hoogtepunt is het moment dat de acteur een van de jongens - door zijn vriend Ábel bewonderd vanwege zijn schoonheid - omarmt en kust, een toneelkus, die zo lang duurt dat wat als een spel begon voor de anderen transformeert in kennelijk pijnlijke ernst.

Het is een van de vele voorbeelden waarmee Márai laat zien hoe het (waanwijze) spel van de jonge intellectuelen botst op het cynisme van de volwassenen.

Verraad, bedrog, leugen - het is ook in dit boek weer het thema van Márai, en opnieuw betoont hij zich een meester in het evoceren van de sfeer die daarmee is verbonden. Elk nieuw boek van Márai dat ik lees, versterkt de indruk dat ik een bijzondere schrijver heb ontdekt. Vergelijk hem eens met grote Nederlanders in die tijd: Bordewijk, Vestdijk, Van Schendel. Ze halen het niet bij Márai, die misschien door zijn persoonlijke lotgevallen buiten de Europese canon is gebleven, of door de taal waarin hij schreef, of door het feit dat die canon heel erg door het spectaculaire modernistische werk van Proust en Joyce is bepaald.

En inderdaad, Márai is geen Proust (hoewel hij een schrijver van herinneringen is) en geen Joyce (hoewel hij de sfeer van het oude Hongarije even knap heeft weten te treffen als Joyce die van Dublin). Márai is een schrijver om van te houden, een poëtisch verteller, die met kleine gebaren een verzonken wereld oproept, die sommigen van ons nog dierbaar zal zijn, het verzonken Midden-Europa met zijn kleine, bijna autonome steden, zijn gezeten burgerij en ambachtslieden, zijn rangen en standen, zijn jiddische atmosfeer. Bijna door Stalin en Hitler vernietigd, maar na de val van de Muur springlevend, op weg naar het nieuwe Europa, dat een soort Amerika zal zijn.

En zie, daar heb je Sándor Márai die ons vertelt hoe mooi het was en hoe verschrikkelijk.

Nostalgie?

Ongetwijfeld, maar dan een nostalgie die in de loop van de tijd veranderd is in een hartverscheurend heimwee.

Meer over