Een slaapkamer voor meneer en mevrouw Blackie Charles Rennie Mackintosh wilde de wereld mooier maken

De beroemdste schepping van de Schotse architect en meubelontwerper Charles Rennie Mackintosh (1868-1928) is de ladderback chair, een stoel die meer bedoeld is om naar te kijken dan om op te zitten....

OP EEN kilometer of dertig ten westen van Aberdeen bevinden zich enkele van de meest fantastische gebouwen van Schotland. Het zijn er drie, drie kastelen: Castle Fraser, Craigievar Castle en Crathes Castle. Ze zijn gebouwd - of liever: in elkaar gemetseld - aan het eind van de zestiende, begin zeventiende eeuw. Gezien vanaf de buitenkant zijn het in hoofdzaak conglomeraten van muren, torens, aanbouwsels, uitspringende partijen, borstweringen, verspringende daklijsten, toevallige volumes en alles wat er verder nog met de haren is bijgesleept.

Het fascinerende zit hem in die bijna onwerkelijke combinatie: aan de ene kant lijkt elk detail volstrekt ad hoc te zijn bedacht, aan de andere kant is er een onverbiddelijke samenhang en een geheel eigen logica: als iets mogelijk is, is het ook noodzakelijk. Alles straalt onmiskenbaar een sfeer uit van: niet zeuren, geen gehannes met stijlen of voorschriften, zo doen wij dat als we een gebouw willen maken.

Zo'n dertig kilometer ten westen van Glasgow, aan de monding van de Clyde bij het dorpje Helensburgh, staat een landhuis dat in allerlei kenmerken aan die zestiende-eeuwse voorbeelden herinnert, maar dat tegelijkertijd een pioniersrol vervult in de architectuur van de twintigste eeuw. Het is ontworpen in 1904, door Charles Rennie Mackintosh, in opdracht van een uitgever uit Glasgow, W.W. Blackie. In de literatuur wordt het aangeduid als The Hill House.

De vorm, aldus Jan Hanlo, is de buitenkant van de inhoud. Dat deze stelling in het geval van Mackintosh om een wat specialistischer interpretatie vraagt, wordt duidelijk wanneer je de strenge opvattingen waaraan het exterieur van het landhuis beantwoordt, vergelijkt met het gevoel van vrijheid dat door het interieur wordt opgeroepen. Van buiten zijn de gevels bekleed met een grijze laag ruw pleisterwerk - harling in Schots Engels. De daken zijn bedekt met grijze leisteen. De volumes zijn op het eerste gezicht willekeurig aan elkaar geschakeld, onderbroken door cilindrische trapkokers, schoorstenen en raampartijen, die net als bij de sobere kastelen in het noorden in een enigszins toevallige slagorde over de muurvlakken zijn gegroepeerd.

Dat toevalskarakter verdwijnt zodra men zich verdiept in de plattegrond en in de diverse functies die achter de gevels verborgen gaan, zodra men het huis betreedt. Per vertrek blijkt dat Mackintosh in de eerste plaats een ontwerper van kamers, van ruimtes is geweest, en het is niet eens heel erg overdreven hem te beschouwen als de uitvinder van de kamer: rekening houdend met functies en specifieke eisen die aan elk vertrek werden gesteld, bibliotheek, slaapkamer, linnenkamer, varieerde hij maat en oppervlak, aankleding en lichtinval, om al deze verschillende elementen pas in een daarop volgend stadium onder te brengen in het grotere geheel. In die zin is dat ook aan het exterieur af te lezen: The Hill House is inhoud die zich binnenstebuiten heeft gekeerd in vorm.

Door deze beweging te maken, bracht Mackintosh een radicale breuk tot stand met de architectonische tradities van de negentiende eeuw, die ook in Schotland worden gekenmerkt door wat Joe Mordaunt Crook zo prachtig heeft aangeduid als the dilemma of style: wat er wordt gebouwd, een ziekenhuis, een kerk, een plantenkas, het doet er niet zoveel toe, als er maar een neo-gothische, neo-klassieke, neo-renaissancistische, desnoods een neo-Egyptische stijl in is te onderkennen. Dat uitgangspunt vormde ook het sop waarmee Mackintosh in het negentiende-eeuwse Glasgow werd overgoten, en het revolutionaire schuilt in het feit dat hij al die elkaar tegensprekende voorschriften in één klap van tafel bonjourde.

Wat Mackintosh echter vooral uitzonderlijk maakt is dat zijn architectonische opvatting hooguit lijkt op, maar bij nadere observatie nauwelijks strookt met zijn visie als meubelontwerper, de rol waarin hij het bekendst is geworden en waarin hij tot een soort cultfiguur is uitgegroeid. Oppervlakkig beschouwd bestaat er een reeks overeenkomsten: een idiosyncratische vormgeving, een ontbreken van historiserende verwijzingen, heldere constructies. Maar de parallellen houden al snel op: voor de slaapkamer van de heer en mevrouw Blackie ontwierp Mackintosh de befaamde ladderback chair, waarvan de rugleuning uit trapsporten bestaat die aan de bovenzijde, 140 centimeter boven de vloer, eindigt in het ruitjespatroon dat nog in een hele menigte andere ontwerpen terugkeert.

In de catalogue raisonnée die door Roger Billcliffe van Mackintosh's meubels is samengesteld, wordt in onheilspellende bewoordingen opgemerkt dat deze stoel niet is bedacht om erop te gaan zitten: 'The seat is too small and the joints too weak to support anyone sitting on the chair for more than a very short period.' Hier bereikt Mackintosh het omgekeerde van wat hij in dat landhuis bereikt: niet de inhoud is vorm geworden, maar de vorm inhoud. Want zie: het vlees is woord geworden.

En het geldt over de hele linie. De kamers die Mackintosh als architect bedacht, de ruimtes, werden van onder tot boven gedecoreerd, geërotiseerd en gesubjectiveerd, net zo lang totdat de dubbelzinnigheden niet alleen in de gordijnen zaten, maar letterlijk overal in het vertrek waren doorgesijpeld. Het is het tegenovergestelde van het grove pleisterwerk dat op de buitengevel werd aangebracht: de bloemmotieven, de ovulaire contouren, de geëmailleerde lampekappen, de toilettafels en schrijfbureaus met glas-in-lood, het gestencilde behangpapier - die hele invasie van totaal onpraktische aandachttrekkerij die ook weer zo geweldig leuk is dat je niet eens de moeite neemt er een bezwaar tegen te verzinnen.

Alleen al daarom is de tentoonstelling die op dit moment is te zien in de McLellan Galleries aan Sauchiehall Street in Glasgow, een slag in het gezicht van wat de twintigste eeuw - onder het mom van functionalisme - aan ellende heeft voortgebracht. Hier was iemand aan het werk die dat functionele al lang had herkend, en die tegelijkertijd de inherente beperkingen had waargenomen en het alibi voor al die ontwerpers met een gebrek aan ideeën. De meubels, de stofontwerpen, het behang, zelfs de viscouverts - je moet er niet aan denken dat je permanent door dat soort voorwerpen zou worden omringd, maar niettemin raak je diep onder de indruk van het vertrouwen dat hier is geïnvesteerd in de verbeeldingskracht.

In de paar geschriften die van Mackintosh bewaard zijn gebleven wordt op dat laatste sterk de nadruk gelegd: de fantasie die zich verzet tegen voorschrift en opleiding, tegen de gemakzucht van de navolging, tegen de voorgekauwde ontwerpcultuur van de negentiende eeuw. Het verzameld werk zoals dat thans in Glasgow is te zien

- het is niet de eerste keer er aandacht aan wordt besteed, maar niet eerder is het zo volledig gedaan -, is in alle opzichten een pleidooi voor de opvatting dat de wereld misschien niet beter is te maken maar wel mooier, en in elk geval eigenzinniger.

De manier waarop Mackintosh op dit moment door de stad Glasgow als culturele vaandeldrager wordt uitgebuit is niet vrij van hypocrisie. Het is nog maar 25 jaar geleden dat een van zijn mooiste ontwerpen, een tearoom aan Ingram Street, werd gesloopt. De beroemde Scotland Street School, in het zuiden van de stad, bevindt zich midden in een verlaten industriegebied, doorsneden door de M8 en van een verbijsterende troosteloosheid. The Art Lover's House, in Bellahouston Park, een van de belangrijke projecten die Mackintosh niet gerealiseerd kon krijgen en dat in 1990 - Glasgow Culturele Hoofdstad van Europa - werd aanbesteed, is nog altijd niet voltooid.

Zo bezien is het feit dat men ter gelegenheid van deze tentoonstelling een trein naar Mackintosh heeft genoemd, een opmerkelijke schijnbeweging.

Mackintosh is jarenlang een onderwerp geweest van zowel betrekkelijk academische haarkloverijen als van de kalender- en koffiemokkenindustrie, die het ene na het andere nep-derivaat op de markt gooiden. Dat hij nu zijn eerste uitputtende overzichtstentoonstelling heeft gekregen, is een daad van kunsthistorische rechtvaardigheid. Maar het mooist is hij waar hij nog gewoon functioneert: in de prachtige Glasgow School of Art aan Renfrew Street, waaraan nog steeds studenten worden opgeleid.

Het is niet de bedoeling dat allerlei vreemdelingen in het gebouw binnendringen, maar wie zo'n gezicht trekt van 'ik moet hier even wezen', wordt verder niet lastiggevallen. Het blijkt dat het gebouw de tand des tijds met gratie heeft weten te doorstaan, en aan de lichtval in de betonnen trappehuizen en aan de bovenlichten in de ateliers is nog te zien wat Mackintosh moet hebben bedoeld als hij de buitenwereld en de binnenwereld in elkaar over wilde laten vloeien.

Ook The Hill House is voor het publiek toegankelijk. Na de dood van de opdrachtgever, in 1953, werd het voor vierduizend pond verkocht aan een nieuwe eigenaar die niet wist dat hij een monument had verworven, en die met veel energie het oorspronkelijke behang met een laag witkalk bedekte en de open haarden verving door elektrische kachels. Vanaf 1973, toen het huis werd aangekocht door de Scottish National Trust, is het grotendeels teruggebracht in de oorspronkelijke toestand.

Een paar jaar geleden werd een bezoeker, een architectuurstudent uit Japan, die kennelijk door Mackintosh geheel uit zijn doen was geraakt, aangetroffen onder de douche. Je kunt daar alleen maar begrip voor hebben, zoals je ook niets anders dan treurigheid kunt voelen bij de gedachte dat in Mackintosh' prachtige witte slaapkamer vermoedelijk nooit meer de liefde zal worden bedreven.

McLellan Galleries, Glasgow: Charles Rennie Mackintosh. Tot en met 29 september.

Wendy Kaplan (red.): Charles Rennie Mackintosh. Abbeville Press, £ 19,99 (ing.), £ 39,95 (geb.).

Meer over