Een schrijver laat zich niet misbruiken

Terwijl NAVO-bommen op Servië vallen klinkt het verwijt dat Nederlandse schrijvers zich niet laten horen. Graa Boomsma verwerpt die rol van literaire leider of gidsende goeroe en wijst op auteurs die zich voor geen enkel nationalisme laten misbruiken....

NOVEMBER 1995. De Oostenrijkse schrijver schrok wakker in hotel Tourist in Novi Sad, hoofdstad van de Vojvodina. Ontwaakte hij uit een visionaire droom over een NAVO-bombardement dat drieënhalf jaar later een stadsbrug over de Donau zou verwoesten? Of was hij zo vervuld van zijn missie een 'duurzame toerist' te zijn die opbokste tegen het westerse mediageweld dat de Serviërs op de Balkan demoniseerde dat zijn nacht droomloos was?

De schrijver sprak onder het scheren tegen zijn badkamerspiegel: 'Niemand kent Servië. Ik moet beelden maken van een verscherpte, bijna kristallen werkelijkheid. Dat komt niet door de oorlog maar veeleer door een zich kennelijk Europa-wijd uitgestoten wetend geheel, groot volk, de Serviërs, de dit onrechtvaardig vindt. Het woord 'volk' is elders misschien wel terecht doodverklaard, maar hier is het anders.'

De schrijver verliet zijn hotel en ging op zoek naar de Servische leefwereld. Hij wilde kleine bijzonderheden waarnemen die duurzamer bleken dan de hoofdfeiten. Op de markt van Novi Sad kocht hij Morawa- en Drinasigaretten. Daarna liep hij en boekhandel binnen en zag een paddestoelengids liggen. De sigaretten en de gids nam hij later mee naar de Parijse voorstad Chaville, waar hij al sinds jaar en dag woonde. Daar schreef hij Eine Winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina, dat onder de titel Gerechtigheid voor Servië in een Duitse krant werd gepubliceerd. En hij zette eronder: Peter Handke.

Drie maanden eerder liep er en andere schrijver, Aleksandar Tisma, zoon van een Hongaars-joodse moeder en een Servische koopman en net als balling in Frankrijk teruggekeerd, over de markt in Novi Sad. Zijn verschijning wekte onrust en agressie op. Hij kon niet rustig een pakje sigaretten kopen of een mooi paddestoelengidsje in de boekhandel bestuderen. Een paar marktkooplui begonnen te schreeuwen: 'Spion van Tudjman! Verrader! Vuile jood!' Iemand had hem vast herkend van de Franse televisie en 'ontmaskerd' als Kroatenvriend en 'dus' anti-Servisch. Geen ruimte voor relativering. Dwars door het steeds luidere geschreeuw van de marktkooplui hen zei hij tegen zijn gezelschap dat de volkeren in de Vojvodina zich al sinds mensenheugenis hebben vermengd en een historische mélange vormen: Serviërs, Kroaten, Slovenen, Hongaren. Etnische zuiverheid? Een mythe, een nationalistische leugen.

Maar de schreeuwers onderbraken hem en wilden weten waar hij in de Tweede Wereldoorlog zat. In Boedapest? Aha, de Hongaren waren Hitler-aanhangers. 'Collaborateur!' De meute drong op, iemand maakte een snijgebaar met zijn hand langs zijn keel. Toen de schrijver met zijn metgezel wegliep vlogen de abrikozen hen om de oren.

Aan deze botsende scènes in Novi Sad moest ik denken - Handke zag de essentie over het hoofd in zijn speurtocht naar het 'volkseigene' - tijdens het lezen van 'De pen zwijgt' (de Volkskrant, 16 april) van Chris Keulemans en Henk van Renssen. In hun ergerlijke, snel bij elkaar gebelde krantestuk wijzen ze met een beschuldigende vinger naar de Nederlandse schrijvers en roepen hen als ware schoolmeesters op 'het klassieke engagement' weer te omhelzen. Met andere woorden: hoe betrokken en bewogen zijn wij, hoe onbewogen zijn jullie, zwijgende Hollandse schrijvers die slechts staren naar hun eigen achtertuintje. Jullie zouden je moeten mengen in het koor van meningenverkondigers, standpuntenvertolkers, opinieleiders en analysemakers. Kijk naar naar Duitsland en Frankrijk, daar is het 'intellectuele debat' traditie: Finkelkraut, Debray, Handke, Enzensberger, Grass, zij weren zich tenminste in de discussie over Kosovo, NAVO-bommen, etnische schoonmaak, exodus, massamoord en Milosovic.

Maar wat willen Keulemans en Van Renssen eigenlijk met hun betuttelende stuk? Dat schrijvers zich op hun verzoek gaan bedienen van dezelfde soort retoriek als politici en partijdige persbureaus? Wat voor beeld hebben ze van auteurs? Moeten het weer wijze literaire leiders, gidsende goeroes of heilige hogepriesters worden? Sartre spelen in de zandbak van de wereldpolitiek? Hebben hun opvattingen meer waarde en gewicht hebben dan die van de bakker? De meningen rijzen dagelijks als bakmix uit de krantenkolommen.

Wat moet ik bijvoorbeeld met Handkes dubieuze gejongleer met het Servische 'volkseigene'? Met het van weke clichés doordrenkte liedje 'Staakt het vuren' van Freek de Jonge en Herman van Veen, echo van een wereldvreemd pacifisme en een superieur Hollands moralisme? En wat te denken van Alain Finkelkrauts Comment peut-on être Croate? Dat is een pamflettistisch betoog dat angstwekkend goed spoort met de etnische hysterie op de Balkan.

Liever ga ik te rade bij schrijvers als Dubravka Ugresic, Miroslav Krleza, Danilo Kis, György Konrád, Ivo Andric, Mirko Kovac of Ismail Kadare. Wat blijft er over als de cultuur een verzameling leugens is geworden en je als nationaliteit 'geen' invult (Ugresic)? Wat moet je met Finkelkraut als Krleza al in 1935 de 'kleinburgerlijke liefde voor Kroatië' heeft afgedaan als provocerend, onecht en wartaal? De oorlog, schrijft Krleza, heeft dezelfde uitwerking op de menselijke domheid als een onweersbui op paddestoelen: 'Ze rijst als een spookbeeld uit het niets op, overal om ons heen.'

De schrijver laat zich door geen enkele vorm van nationalisme misbruiken. Hij bedrijft geen politiek maar antipolitiek. 'Antipolitiek is verwondering', schreef Konrád in 1982 als anticommunist die weigerde het kapitalisme te omhelzen. Non serviam. Geen concessie aan de terreur van de geschiedvervalsing. Het enige vaderland van de schrijver is zijn taal (Kis). Zijn boek is zijn enige identiteitsbewijs.

De schrijvers die ik noemde zijn ballingen die door de manipulators van taal en trots van hun identiteit zijn beroofd. In hun literaire taal hervinden ze hun legitimiteit, die Tisma in zijn roman Argwaan en vertrouwen (1983) zo beschrijft: 'De wereld is immers zelf een lege ruimte, woestenij, kou, verlatenheid, onbegrip, niet geaccepteerd zijn, nergens je eigen gootje hebben. Vandaar die kunstmatige gootjes, die woorden die stuk voor stuk naar de wortels boren, naar het verleden, naar gewoonten en gebruiken, naar intimiteit.'

Zo verweren de romans van Tisma zich tegen de bandieten van de etnische zuivering en creëren ze een nieuwe culturele ruimte, het duurzaamste engagement. Er bestaat geen ander literair alfabet, of er nu abrikozen langs je oren vliegen of bommen op je stad vallen.

Meer over