Een propje fiets uit Heerenveen

'Een gat van twee tot vijf kilometer en dat gat is van ons, niet van de automobielindustrie.' Ingenieur Bart Bluemink, hoofd productontwikkeling van de voormalige schaats-, thans fietsfabriek Batavus in Heerenveen, maakt zich nog niet echt zorgen....

De rijwielindustrie is aartsconservatief en durft niks. Straks komt er uit onverwachte hoek een heel nieuw ding waarop je je handig en snel kan voortbewegen, en weggevaagd is de oude bedrijfstak. Daar moet volgens Bluemink de Nederlandse fietsenmakerij op bedacht zijn. In de auto-industrie zijn ze op tijd gaan inzien dat er nieuwe vindingen gedaan moesten worden. Betere auto's tegen lagere kosten.

Neem een ogenschijnlijk futiel detail. Het is vanzelfsprekend dat onder een personenauto vier eendere wielen zitten. Zouden achter andere wielen moeten dan voor, dan zou dat de auto duurder maken, en onhandiger. Vanzelfsprekend? Nooit van gehoord in de fietsenfabriek. Ze maken daar al honderd jaar fietsen met twee verschillende wielen. Een fiets is een onding. Er zitten veel te veel onderdelen aan en die functioneren niet naar behoren.

De branche moet zich diep schamen voor het systeem van verlichting bijvoorbeeld. Wie een fiets wil repareren ontdekt dat er verschillende maten moeren aan zitten, je hebt er een bos steeksleutels voor nodig en je haalt bij het losmaken van een wiel je knokkels open. Voor het plakken van een band worden nota bene cursussen gegeven op de Volksuniversiteit.

Voor 180 gulden leer je in vier lessen: 'banden plakken, ketting spannen en verwisselen, trappers monteren, demonteren van trapas en vooras, schoonmaken en vervangen van kogels, bijstellen en repareren van verschillende soorten remmen, zetten van spaken, afstellen van stuur en zadel, repareren van verlichting.' En dan ben je nog alleen maar de stadsfiets debaas. Voor 190 gulden kunnen we nog eens in vier lessen de toerfiets er onder krijgen.

'Deze cursus is onder meer van belang voor de lange-afstandfietser', schrijft de Amsterdamse Volksuniversiteit in het cursusprogramma 1997. We leren onder meer 'het afnemen en opzetten van de pion en het rijgen en richten van een wiel'. Onbedoeld zijn deze cursussen een schreeuwende aanklacht tegen de fietsindustrie. Wat zijn dat voor klotedingen dat je er voor op les moet?

Bluemink: 'Als een ingenieur in de auto-industrie nooit eerder een fiets zag en je zou hem er mee confronteren, zou hij verbijsterd uitroepen, hoe kan je dat bedenken. En hij zou gelijk hebben.' Bluemink is er beducht voor dat de auto-industrie vandaag of morgen 'iets bedenkt op twee wielen'. 'Dan springen ze in dat gat van twee tot vijf kilometer.'

De helft van de mensen in Nederland gebruikt voor deze korte afstand een fiets. Maar er komen korte afstanden bij die ver van huis beginnen. Reizen wordt ingewikkelder. Automobilisten kunnen steeds moeilijker dicht in de buurt van hun bestemming komen en het openbaar vervoer brengt je ook niet tot elke voordeur. Voor het afleggen van een paar kilometer ergens onderweg is een fiets ideaal. Als je hem bij je hebt. Maar meenemen op reis gaat helemaal niet. Het is een onhandelbaar stuk bagage.

Ook hier heeft de Nederlandse rijwielindustrie een vurig verlangen van de klant veronachtzaamd. Een vouwfiets die je vouwt tot een handzaam pakketje, maar die ook nog eens fietst als een trein. De fabrikanten geloofden er niet in. Ze maakten een paar lullige deelfietsen en lieten in een lagelonenland een geinig vouwertje maken waar ze een Nederlands fietsmerk op plakten, maar dat fietste als een roeiboot door een bak stroop.

Toch, ga kijken op een groot station, Utrecht bijvoorbeeld, en tel. Op een doordeweekse dag vertrekt er geen trein naar Eindhoven, Rotterdam of Amersfoort zonder tien vouwfietsen mee. Een paar stukken goedkoop verdriet, maar je ziet vooral prachtmachines. Het meest zie je de Brompton. Een dure, maar heel goeie Engelse vouwfiets, opvallend vaak eigendom van een vrouw.

Volgens Bluemink van Batavus hebben Nederlanders veel geld over voor een goeie fiets en keren ze de inferieure waar de rug toe. En dus is Batavus nu ook eindelijk het verlangen naar een goede vouwfiets serieus gaan nemen. Met sinterklaas is ie klaar, een vouwfiets die niet zo mooi vouwt als de Brompton, maar net nog even beter rijdt en die (hèhè) geen enkel onderhoud verlangt. Want ook dat mankeert aan de fiets; je moet er voor zorgen.

Alle apparaten waar mensen zich mee omringen, zijn vrij van zorg, wasmachines, televisies, klopboren en ook auto's rijden met gemak vijftigduizend kilometer zonder dat je er naar hoeft om te kijken. Niet de fiets. Je moet een splinternieuwe zelfs terugbrengen naar de fietsenmaker als je er een week op hebt gereden, want dan is hij uit elkaar gerammeld. De nieuwe vouwer van Batavus heeft dat niet, je hoeft zelfs de ketting niet te smeren, want die zit er niet op. Een schone rubber snaar die automatisch gespannen blijft, doet het werk van de fietsketting.

Maar waarom vouwt hij minder goed dan de populaire Engelse snelvouwer? Bluemink: 'Ere wie ere toekomt, ze hebben een heel slim vouwsysteem waarbij het achterwiel onder het frame klapt, dat hebben ze gepatenteerd, daar kunnen we helaas niet aankomen.' En dan grijnst hij: 'Dat patent is al bijna vijfentwintig jaar oud, volgend jaar loopt het af.'

Maar er is meer te verbeteren. Een vouwfiets kan nog lichter en kleiner. Dat moet om te voorkomen dat ze bij de Nederlandse Spoorwegen gaan zeuren als ze merken hoezeer het vouwfietsgebruik toeneemt. Ze beginnen al op te treden tegen reizigers die een Flevobike-ligfiets in twee stukken in de trein meenemen.

Ruimtewinst kan nog steeds door nog beter vouwen en proppen. De wielen bijvoorbeeld. Die zouden als twee schoteltjes in elkaar moeten kunnen passen. Fietswielen zijn al honderd jaar hetzelfde. Omdat nooit een fietsenmaker twee schoteltjes op hun kant zette en ermee over een keukentafel reed. Het wordt eens tijd.

Meer over