Een poppenkast voor de goden

Erasmus schreef de mens een vrije wil toe, en toonde zich daarmee een moderner mens dan de geloofsvernieuwer Luther, die het bestaan van de vrije wil ontkende....

door Aleid Truijens

WAT ZOUDEN ze van elkaar vinden, Desiderius Erasmus en Arnon Grunberg, als de Grote Poppenspeler ergens, in een gebied waar tijd niet bestaat, een ontmoeting zou arrangeren?

Ze zouden elkaar een tijdlang met grote reserve bekijken, deze twee magere, ironische mannen, de één een katholieke bastaardzoon van een Goudse chirurgijnsdochter en een priester uit Rotterdam, geboren in 1467 (of 1466, of 1469, daar zijn de geleerden nog niet uit), en de ander een Amsterdamse zoon van joodse ouders, geboren in 1971. De klassieken, de Bijbel en het antisemitisme zouden - op verzoek van Grunberg - als gespreksonderwerp even buiten beschouwing blijven, de multiculturele samenleving - op verzoek van Erasmus - eveneens, maar de Tweede Wereldoorlog, de massale vernietiging van de joden onder het berustend oog van de moederkerk, daar zou de christelijke pacifist met antisemitische trekken die Erasmus was, van schrikken. Maar had hij in venijnige satires in zijn tijd al niet gezegd dat die pausen van Rome niet deugden? En had ook hij niet een boerse, Duitse fanatiekeling, Luther, met volle inzet bestreden?

Na een tijdje zouden ze ontdekken dat ze veel gemeen hadden. Hun afkeer van de middelbare school, wellicht, met zijn kinderachtige regeltjes en angst voor individualiteit. Ze zouden elkaar vertellen over hun jeugd, een joodse zoon die alles moest goedmaken, en het 'hoerenjong' dat op z'n dertiende zijn ouders verloor, opgroeide in pleeggezinnen en verschrikkelijk geleerd moest worden om te bewijzen dat hij iets waard was. Misschien zou Grunberg het eens zijn met zijn uitspraak dat mensen meer liefde koesterden voor hun honden en paarden dan voor hun kinderen. Ze zouden elkaar vinden in hun voorliefde voor de Angelsaksische wereld, voor humoristische, intelligente kunstenaars. En in hun afkeer van het kleinburgerlijke, stijve Nederland. Beiden hadden dat te kleine landje, zodra de gelegenheid zich voordeed, als een haas verlaten. In New York, bij Grunberg, daar zou Erasmus ook wel willen wonen. Hij zou er, verzot op moderne communicatiemiddelen, de hele dag zitten e-mailen met zijn vrienden. Vriendschap, ook al iets waar ze beiden talent voor hadden.

En ten slotte, enkele flessen bourgogne later, zouden ze het hebben over hun enige ware bestemming, het schrijverschap. Geen gezeur aan hun kop, maar rustig schrijven, dat was wat ze wilden. Nooit worden ingelijfd bij een school of een stroming. Al lieten ze zich graag afleiden door 'baantjes' - zo kwamen ze nog eens onder de mensen en de mens, die arme drommel, was hun beider lievelingsonderwerp. En allebei waren ze dol op wat in Grunbergs tijd 'journalistiek' zou heten: columns, polemieken, literair steek- en schimmenspel. Voor de duvel niet bang, zij tweeën.

Het zou nog laat worden, daar op het Eiland der Gelukzaligen. Erasmus zou zijn jonge vriend vertellen waarom hij in 1996 besloten had van de sokkel te stappen waarop hij al drieënhalve eeuw stond, in brons. Niet omdat de Duitsers zijn geboortehuis hadden gebombardeerd. Nee, omdat die Rotterdammers ijdel een brug, een universiteit en een gymnasium naar hem hadden vernoemd, maar al die jaren, net als de rest van Nederland, geen blik in zijn werk wierpen en verzuimden het behoorlijk uit te geven. Intussen hadden ze hem wel tot boegbeeld gemaakt van hun zogenaamde tolerantie, hun vrijheidsdrift en hun veelgeprezen overlegmodel. Daarom had hij de benen willen nemen. Maar de Rotterdammers nagelden hem - vergeef hun, zij weten niet wat ze doen, had hij nog gemompeld - weer stevig aan zijn sokkel.

Grunberg zou grijnzen en Erasmus ten afscheid een vers exemplaar van De Mensheid zij geprezen, zijn door hem geïnspireerde 'Lof der Zotheid', in handen drukken, waarop Erasmus - buiten het papier even verlegen als hij - zou blozen van postume trots.

Niet dat Grunberg zich, als het gaat om de inhoud van zijn Lof der Zotheid 2001 veel aan de denkbeelden van zijn voorganger gelegen laat liggen. Integendeel. Waar Erasmus zijn verdwaasde tijdgenoten beschimpt en aanklaagt, neemt Grunberg het in De Mensheid zij geprezen op voor de miskende, valselijk van wandaden beschuldigde mens. Hij laat een morsige advocaat - 'Ik ben weleens voor satan uitgemaakt, en voor de duivel' - uit zijn vochtige kelder kruipen om nog één keer een pleitrede te houden voor een cliënt die niemand wil verdedigen. 'Als je de mens omlaag trapt, lijk je al snel een genie', zegt hij. Híj verdedigt de mens pro Deo: 'Hoewel het in deze tijd bijna een misdaad is om het hardop uit te spreken, durf ik het hier te zeggen: ik geloof in de mens. Ik geloof in jullie.'

Het is een mooie, listige omkeringstruc: tegenover de vrome humanist Erasmus die een zottin de paradoxale 'lofrede' op de dwaasheid van de mens liet houden, stelt Grunberg - een, ja wat?, een postpostmodernist, een nihilist, een schrijver die van God los is? - een zonderling die de mens in bescherming neemt tegen de 'krom lopende azijnpissers'.

Erasmus schreef de eerste versie van Lof der zotheid, een paradoxale lofrede op de dwaasheid van de mens, in 1509, 25 jaar voor hij zijn beroemde traktaat tegen Luther, Over de vrije wil, zou schrijven. Die vrije wil van de mens, dat was het enige punt waarop hij met Luther van mening verschilde. Net als hij meende Erasmus dat ware vroomheid geen rangen en standen kende, ook hij walgde van de broedertwisten en het geweld dat de kerk verscheurde. Ook Erasmus wilde terug naar de 'zuivere', oorspronkelijke bijbelteksten en hij vertaalde opnieuw de Bijbel en het werk van de kerkvaders. Hij deed dat niet alleen om religieuze redenen - zoals Luther die in de oerteksten de enige goddelijke Waarheid las - Erasmus, filoloog, stelde ook wetenschappelijk belang in de echte teksten. Anders dan Luther meende hij dat de mens een vrije wil had en zelf verantwoordelijk was voor zijn daden. Daarmee was Erasmus, die niet definitief afstand wilde nemen van zijn kerk en daarmee ogenschijnlijk in de Middeleeuwen bleef hangen, eigenlijk een moderner mens dan de geloofsvernieuwer Luther.

Het grappige is dat in Grunbergs pleit rede de vrije wil weer op stal wordt gezet. 'Wat heeft mijn cliënt kunnen kiezen?', hoont de advocaat. 'Niet zijn ouders, niet de kleur van zijn haren of die van zijn ogen, niet de grootte van zijn voeten, niet zijn moedertaal en niet zijn leraren.' Nee, de mens is verre van volmaakt. Maar hij mag soms een meeloper zijn, een wellusteling, en er zijn in de geschiedenis 'een paar practical jokes uit de hand gelopen', schuld draagt hij niet. Hij is immers een marionet, luidt zijn verdediging. Een marionet in een wereld die 'niets is dan een poppenkast voor verveelde goden'. En, zegt de advocaat, 'in plaats van de poppenspeler te beschuldigen wanneer de marionet zich misdraagt, wordt de marionet aangeklaagd'.

Waren bij Luther alle mensen schuldig tenzij het tegendeel werd bewezen, in de pleitrede van Grunbergs advocaat zijn ze per definitie onschuldig. Maar: even wilsonbekwaam. Erasmus zou ongelovig zijn hoofd geschud hebben bij zoveel onzin. Na vijf eeuwen te zijn opgekrabbeld naar het licht, tuimelt de mens weer terug in zijn kerker.

Maar hij zou het ook leuk gevonden hebben dat Grunberg hem in toon en stijl zo meesterlijk parodieert, en zijn retorische trucs weer met zwier gebruikt. Zoals hij voor het schrijven van zijn 'niemendalletje' - hij logeerde bij zijn vriend Thomas More, hij had zijn serieuze boeken niet bij zich en zijn nierstenen speelden op - zich had laten inspireren door de Lof van de vlieg van de Griekse schrijver Lucianus, zo bracht hij Grunberg in de stemming voor dít tussendoortje, een gelegenheidswerk.

De Zotheid, de onbetrouwbare verteller in Erasmus' Lof der Zotheid, zet haar betoog kracht bij met citaten van grote schrijvers, klassieke en christelijke, die haar een dienst hebben bewezen. In de 'rechtszaak' over de mens, bij Grunberg, zijn er ook getuigen, maar het zijn die van de aanklager.

Op het oog zijn ze heel betrouwbaar, dat moet de advocaat toegeven. Het zijn immers grote schrijvers en filmers uit wier werk de aanklager citeert: Kurt Vonnegut, Vladimir Nabokov, de gebroeders De Goncourt, W.F. Hermans, Stanley Kubrick en Francis Ford Coppola. Nee, de minsten niet, deze 'Nobelletjes' en op het oog lijken ze hun tragische held, de mens, te verdedigen. Zij vertellen 'over zijn onoplosbare eenzaamheid, zijn hallucinaties, zijn verschrikkelijke jeugd, zijn destructieve karakter, zijn slapeloosheid, zijn neuroses, kortom alles wat als verzachtende omstandigheid had kunnen dienen'. Maar de moderne kunstenaars laten hun held uiteindelijk allemaal vallen, ook volgens hen draagt hij schuld.

Net als Erasmus is Grunberg, achter zijn doordravende verteller, zo ongrijpbaar als een aal. Wat Lof der Zotheid na vijf eeuwen nog fris houdt, is behalve de springerige stijl en de bijtende grappen, de dubbelzinnigheid ervan. Het is geen simpele 'spotsermoen', zoals ze in de late Middeleeuwen vaak geschreven werden, of een ironische lofrede, waarbij lof als kritiek moet worden opgevat en andersom. De lezer heeft het niet makkelijk. Soms moet hij de lof die de Zotheid preekt voor inhalige lieden, ijdele politici en scherpslijpende scholastici ombuigen tot spot, maar vaak lijkt Erasmus zelf aan het woord, ernstig onder het mom van satire.

Sprekend over de geleerde theologen zegt de verteller: 'Zelfs ík moet er soms om lachen dat ze zichzelf pas een echte theoloog vinden als ze koeterwaalsen en de taal maximaal radbraken, en zo brabbelen dat alleen een brabbelaar ze kan begrijpen en dat dan 'diepgang' noemen, die het vulgus niet begrijpt. Ze beweren namelijk dat het niet strookt met de waardigheid van de heilige schrift als ze gedwongen worden om grammaticale regels te gehoorzamen. Vreemd, zo'n hoge positie voor theologen dat alleen zij gebrekkig mogen praten - wat ze overigens met veel arbeiders gemeen hebben.' Hier is het duidelijk Erasmus die spreekt, de zottin is zijn schaamlap.

Ook bij Grunberg weet je het niet altijd. Hij laat zijn advocaat betogen dat oorlogen geen bewijs zijn voor de slechtheid van de mens, ze zijn onafwendbaar, 'een frisse wind': 'Oorlog is een massale flirt met dood en vernietiging om de liefde voor het leven te bevestigen. Er valt veel goeds en moois en nuttigs in een oorlog te ontdekken. En net als de voorjaarsschoonmaak ruimt het lekker op. Een feest van liefde kun je het noemen, liefde voor het begin en voor het einde, voor het leven en de dood, de wraak en het bloed.' Dat zegt de satanische advocaat, jawel. Maar wat vindt Grunberg ervan? En zo zijn er meer stoere, gratis theorietjes, waarmee het betoog sluitend wordt gemaakt, en slome humanisten en pacifisten in hun hemd worden gezet.

IN ÉÉN ervan, de theorie dat de mens pijn ruilt voor genot, herkennen we de onversneden Grunberg. De advocaat vertelt over een schelmenstreek van Gargantua, personage uit het werk van Erasmus' tijdgenoot Rabelais. Gargantua veegde zijn billen inventief af met een 'maartse kater'. 'Van alle voorwerpen die hij gebruikte is de maartse kater uiteraard het toppunt van schoonheid en genot, omdat dit voorwerp gekruid was met de peperbus van de pech, zonder welke ware schoonheid niet kan bestaan. De klauwen van die kater die de huid tussen anus en ballen openhaalde, dat was de pech.'

Amechtig zoeken naar genot, dat onderweg gekruid wordt met pech, dat is wat alle eenzame personages in alle romans van Grunberg doen. Het maakt hem tot de kampioen van de wanhoop. Zoals het tenslotte ook wanhoop is die door alle ernst en flauwekul van Erasmus' Lof der Zotheid heen schemert. Hij stond alleen.

Erasmus en Grunberg naderen elkaar vooral in de nieuwste vertaling van de Lof der zotheid, die van Harm-Jan van Dam. Het is een voorbeeldige vertaling. Misschien heel 'vrij' en te weinig letterlijk - dat moet de kenner maar beoordelen - maar wel een die Erasmus, veel meer dan in de vertalingen van J.M. Vermeer-Pardoen uit 1992, en de vorig jaar verschenen, prachtig uitgegeven vertaling door Petty Bange, naar ons toehaalt. Ineens sta je oog in oog met de bevlogen, ongeduldige man die hij geweest moet zijn: een schrijver die tijdens zijn vakantie uit de losse pols een amusant boekje schreef, een boekje dat echter met hem op de loop ging, omdat zijn woede niet te stuiten viel. Harm-Jan van Dam geeft hem terug in een taal van ons, en je gelooft graag dat hij de toon benadert die Erasmus bedoeld moet hebben.

Een voorbeeld. In hoofdstuk 59 beschimpt Erasmus de geweldige weelde en hofhouding van de pausen. Eigenlijk moeten pausen bidden en vasten, en meer van die akelige dingen, vindt de Zotheid, en die hofhouding wegsturen. En dan vervolgt hij, in de vertaling van Petty Bange: 'Maar dan moeten we ook niet vergeten dat al die schrijvers, kopiisten, notarissen, advocaten, lobbyisten, secretarissen, al die ezeldrijvers, paardenknechten, wisselaars, koppelaars (ik had er haast nog iets stouts aan toegevoegd, maar ik ben bang dat dat te grof is voor sommige oren), kortom, die hele troep lieden die de Romeinse stoel tot last is (o, dat zeg ik fout, ik bedoel eer bewijst) dan tot hongerlijden gedoemd zou zijn.' Dat klinkt niet slecht.

Maar dan deze passage bij Harm-Jan van Dam: 'En dan moeten we niet over het hoofd zien dat een enorme hoeveelheid klerken, kopiisten, notarissen, advocaten, aanklagers, secretarissen, ezelwassers, stalknechten, bankiers en pooiers (ik had er haast nog een vuiler soort mensen aan toegevoegd, maar ik wil uw oren graag verschonen), kortom een enorme mensenmassa die voor de Heilige Stoel een last is (foutje: ik wou zeggen lust), het brood uit de mond gestoten zou worden.'

Deze vertaling is niet alleen iets korter, maar leest ook een stuk prettiger. De woordkeus is beter: 'klerken' werken er bij de paus, geen schrijvers, zijn bedrijf heet de Heilige stoel, niet de Romeinse, wij noemen een 'wisselaar' een bankier en een 'koppelaar' een pooier. 'Iets stouts' klinkt te meisjesachtig voor Erasmus, net als 'o, dat zeg ik fout'. Ja, Erasmus had nu, net als Grunberg, vast 'foutje' gezegd.

Maar een zestiende-eeuwse Grunberg was hij niet. Het is verleidelijk om in die valkuil van een hedendaagse interpretatie te tuimelen. Erasmus was geen zorgeloze spotter. Wat hij schreef kon hem zijn kop kosten, zoals hij het hoofd had zien rollen van zijn vriend Thomas More, martelaar voor het katholicisme dat Erasmus zo venijnig aanvalt. Het is een wonder dat zijn Lof pas na zijn dood op de Index werd gezet.

Grunberg schrijft in een tijd waarin alle literatuur marginaal is, en ieder boek naar keuze als dwaze ernst of diep gemeende krankzinnigheid kan worden opgevat, zonder enig risico voor schrijver of lezer. Hij mag zijn verteller een jongensdroom laten beleven van oorlog, lust en geweld - de lezer lacht of haalt zijn schouders op. Erasmus moest zijn boek tot vervelens toe uitleggen aan de machthebbers, hij moest zich verzekeren van vrienden die hem verdedigden en hij had het mombakkes van de Zotheid nodig om zijn onschuld te bewijzen. Zijn leven was flink gekruid door de 'peperbus van de pech'. Ziekte, haat, vervolging, het hield niet op. Erasmus was niet voortdurend op reis, omdat hij zo'n ruimdenkende kosmopoliet was, hij had op den duur in elke stad vijanden.

Maar er is ook een andere kant. De advocaat in Grunbergs loflied weet dat zijn cliënt droomt van catharsis, van een louterende ervaring die in één veeg zijn pijn wegstrijkt. Seks brengt die ca tharsis niet, geld veroorzaakt slechts honger naar meer en de triomf van de haat is kortstondig.

Erasmus kende de loutering wel. Op het eind van zijn pronkrede bezingt hij de ware Dwaasheid, de dwaasheid van het kruis. De God van Erasmus stuurde Zijn Zoon naar de aarde om hem kinderachtige wonderen te laten verrichten en mallotig aan het kruis te gaan hangen. Zo effende hij voor zijn allervroomste volgelingen de weg naar de gelukzalige dwaasheid, de extase waarin alle ongeluk is opgeheven. Die staat van genade gunde Erasmus zijn beste lezers, maar wij hebben het nakijken.

Meer over