Een plas olie, één land en twee systemen

Paul Brill

Frappante voorpagina van de Financial Times afgelopen dinsdag. Meest in het oog springend element: een foto van de onafzienbare menigte demonstranten in Hongkong, protesterend tegen de beperkingen die de regering in Peking wil opleggen aan de verkiezingen in de stad. Daarboven een verwijzing naar een column van Gideon Rachman met de tekst: 'China's grootste uitdaging sinds Tiananmen.' Ernaast de eigenlijke opening van de krant: het nieuws dat de Verenigde Staten nu praktisch evenveel aardolie produceren als Saoedi-Arabië en dat de Amerikanen zich vermoedelijk al volgende maand de grootste olieproducent ter wereld mogen noemen.

De vraag dringt zich op: wat is het belangrijkste nieuws? De confrontatie in Hongkong of de potentiële kentering in het krachtenveld van olieleveranciers?

Een half jaar geleden zou ik niet lang hebben geaarzeld over het antwoord: de opmars van de VS op de energiemarkt. Deze trend die natuurlijk al langer gaande is sluit immers aan bij de geopolitieke koersverlegging waarover de afgelopen twee jaar zo veel te doen is. De afnemende Amerikaanse affiniteit met Europa. De veel besproken pivot to Asia. En bovenal: een dalende belangstelling voor de conflicten in het Midden-Oosten, niet in de laatste plaats omdat de VS, anders dan Europa, nog maar in geringe mate afhankelijk zijn van de olieleveranties uit de immer turbulente regio.

Maar nu de VS eens te meer zijn overgegaan tot militaire actie in het Midden-Oosten, weet ik het niet zo zeker. Want al zijn de oliebelangen niet meer wat ze geweest zijn, de regio blijft wel een testcase voor het vermogen van Amerika om als leidende mogendheid de mondiale orde nog enigszins naar zijn hand te zetten. En er is natuurlijk Israël, waarvan het lot zo nauw vergroeid is geraakt met dat van de VS zelf, alle wrijvingen ten spijt.

Kortom: de VS kunnen wel weg willen uit het Midden-Oosten, maar het Midden-Oosten gaat niet weg uit de VS. Een tamelijk vreugdeloze vaststelling. Want na het maakbaarheidsgeloof van George W. Bush, die de invasie van Irak uitriep tot de proloog van een nieuw, democratisch tijdperk in de regio, overheerst ook in Washington het besef dat Amerikaanse bemoeienis weliswaar onmisbaar is om aan destructieve krachten een half toe te roepen, maar dat er geen handboek bestaat voor harmonie en stabiliteit. Of zoals columnist Aaron David Miller onlangs schreef: er zijn geen oplossingen voor de problemen in het Midden-Oosten, alleen uitkomsten. En de Amerikanen kunnen slechts de ambitie hebben om die uitkomsten enigszins naar hun zin te modelleren.

Dus misschien komt het belangrijkste nieuws van dit moment toch uit Hongkong. Niet dat heel China daar nu ineens op een kruispunt staat. De kans dat de studenten, die de voorhoede van de protestbeweging vormen, aan het langste eind trekken, is klein. Twee jaar geleden vertelde een Britse hoogleraar die in Hongkong doceert, me al hoe zeer hij verrast was door de onafhankelijke, democratische inborst van zijn studente, maar ook door hun naïviteit over de machtsverhoudingen.

De ironische paradox is dat die naïviteit deels ook hun succes verklaart. Waren ze een hecht georganiseerde beweging met een omlijnde strategie en tastbare buitenlandse steun, dan zouden ze een veel groter gevaar vormen en zou Peking ongetwijfeld in een eerder stadium hard hebben ingegrepen.

Dat laat onverlet dat de Chinese machthebbers in een lastig parket zitten en dat de aanpak die ze nu kiezen, nog geruime tijd op hen zal afstralen. Hoewel het relatieve economische gewicht van Hongkong, afgemeten aan het bruto binnenlands product, is afgenomen door de groei van de rest van China, is de stad nog steeds van cruciaal belang voor de Chinese economie. Als kapitaalmarkt en als vestigingsplaats voor buitenlandse investeerders, die zich gedekt weten door het beproefde rechtssysteem van de vroegere Britse kolonie. Straffe repressie door Peking kan serieuze financieel-economische schade aanrichten en zou een schril signaal sturen naar de buurlanden en naar de inwoners van Taiwan, dat andere 'buitengewest' waar Peking graag de Chinese vlag ziet wapperen. Die weten dan weer wat de belofte van 'één land, twee systemen' werkelijk waard is.

In eerste instantie denk je: een soort democratisch laboratorium toestaan in Hongkong is toch niet zo'n gewaagde keuze, waarmee Xi Jinping niettemin internationaal veel eer zou inleggen. Maar in tweede instantie besef je: het zou door veel Chinezen kunnen worden opgevat als een lichtend voorbeeld en daar is de partijtop in Beijing natuurlijk als de dood voor.

Paul Brill is buitenlandcommentator van de Volkskrant
Reageren? p.brill@volkskrant.nl

Meer over