Een parapsychologisch probleem

Rosemary Brown (1916-2001) kreeg muziek door van componisten uit het hiernamaals. Vooral Franz Liszt kwam vaak bij haar op de thee....

Roland de Beer

Johann Sebastian Bach (1685-1750) is sterk geïnteresseerd in popmuziek van de jaren 1970. De ritmiek vindt hij ‘fascinerend’. Hij is wel streng, je zult hem nooit zien lachen.

De componist Claude Debussy (1862-1918) is na 1918 begonnen met schilderen. Beethoven (1770-1827) heeft gelukkig geen last meer van doofheid. Jammer genoeg spreekt hij gebrekkig Engels. Schubert (1797-1828) heeft eindelijk zijn Onvoltooide Symfonie voltooid en werkt nu (misschien heeft hij het stuk al af) aan een grote opera over het leven na de dood. Titel: nog onbekend. Hij gebruikt er tamelijk vreemde harmonieën voor.

Ziedaar de bevindingen van Rosemary Brown, huisvrouw en medium in Londen. Ze is in 2001, 85 jaar oud, overgestapt naar gene zijde, waar ze nu in het gezelschap verkeert van de componisten die zij eerder ontving in haar eenvoudige woning in de buitenwijk Balham. Dat gebeurde het meest in de jaren zestig en zeventig, toen Rosemary Brown (1916-2001) bijna dagelijks bezoek had van Franz Liszt. Deze sympathieke componist heeft iets voor een ander over, zo blijkt uit Browns memoires, getiteld Unfinished Symphonies – in Nederland anno 1970 uitgebracht onder de titel ‘Componisten schrijven voort’.

Al tijdens zijn aardse leven (1811-1886) sprak Liszt vloeiend zijn talen en zette hij zich in voor het werk van collega’s. Zo ook bij zijn speciale vriendin Rosemary Brown. Hij leidde Frédéric Chopin en Hector Berlioz en andere gestorven vrienden en collega’s naar haar piano en theetafel, zorgde ervoor dat ze nieuwe composities aan haar konden dicteren of voorzingen, en paste op dat daarbij niemand voor zijn beurt ging.

Zonder rimpelingen ging dit niet. De ongeduldige Beethoven was voor Brown soms nauwelijks te volgen. Hij bleek dan aan drie of vier stukken tegelijk te werken. Serge Rachmaninov (1873-1943) gaf haar met een uitgestreken gezicht de gruwelijkste vingeroefeningen op, vlak voor ze in het Londense Savoy Hotel werd ontboden bij de (toen nog levende) dirigent en componist Leonard Bernstein.

Het heeft Brown niet verhinderd nieuwe inhoud te geven aan het begrip opus postuum. In 1970, halverwege haar carrière als doorgeefster van muziek uit het hiernamaals, had ze naar eigen zeggen al meer dan vierhonderd composities van Chopin, Schumann, Grieg en andere overledenen op papier gezet. Veel te veel voor de langspeelplaat die Philips in dat jaar uitbracht. Evengoed bood die elpee zeventien premières, waaronder acht uit de transcendente koker van Franz Liszt. Gespeeld door de pianist Peter Katin, en ingeleid met hoesteksten van bekende hoogleraren als de Utrechtse parapsycholoog Tenhaeff en de Britse muziekhistoricus Tovey.

Sir Donald Francis Tovey, een befaamd Beethovenexpert, stierf overigens al dertig jaar voor deze Philipsplaat uitkwam. Ook hij hoorde tot Browns theevisite – hoewel minder trouw dan Liszt, die met Rosemary mee boodschappen ging doen. Liszt zorgde dat ze niet méér kruidenierswaren in haar karretje deed dan ze kon afrekenen, en wees haar bij de fruitafdeling de goedkoopste bananen aan.

* * In de zaal van het Makershuis Oost, een broedplaats voor theater en muziek in Tilburg, wordt gerepeteerd voor Mrs. Brown/Muziek uit het hiernamaals. Tekst en regie: Jacq Palinckx. Muziek: Franz Liszt-via-Rosemary Brown, Franz Liszt uit zijn vroegere leven, en Jacq Palinckx. Er staat een legertje componistenbustes op een dressoir. De danser en acteur Hendrik Lebon (Franz Liszt) draagt een speelgoedpiano binnen en een tafel met theeservies. Op de tv links vooraan begint een filmdocumentaire. Gemaakt en uitgezonden door de NOS in 1976; nu in verkorte vorm te zien in Palinckx’ nieuwe muziektheaterstuk.

Omroepster, onzichtbaar: ‘Vast staat, dat niemand tot op de dag van vandaag dit verschijnsel heeft kunnen verklaren.’

Prof. Dr. W.H.C. Tenhaeff (witte baard, krakende stem): ‘Ik heb onderzoek ingesteld naar haar persoonlijkheidsstructuur. Het wees uit dat zij een volkomen normale vrouw is, niet hysterisch. Men kan zich er niet zomaar van af maken. Het is in ieder geval een parapsychologisch probleem.’

Het tv-beeld gaat over in ruis. Een vrouw van rond de 50 scharrelt naar voren. Het is Mieke Klomp, een actrice die in uiterlijk en motoriek als twee druppels water op Rosemary Brown lijkt, ook zonder grime of Engelse hoedjes. ‘Dus ik ben niet zomaar een probleem’, zegt ze. ‘Ik ben een parapsychologisch probleem.’

* * ‘De gelijkenis van Mieke Klomp’, zegt Jacq Palinckx bij de koffie, ‘was de kiem van deze voorstelling. Plus het feit dat ik op de rommelmarkt plotseling Rosemary’s boekje tegenkwam. Toen begon het allemaal weer te leven.’

Mieke Klomp: ‘Ik probeer haar niet als een idioot neer te zetten, maar puur, naturel. Naïef maar integer. Het is een vreemde vrouw. Geheimzinnig, maar ook doodgewoon.’ Palinckx: ‘Niet Char-achtig zweverig of commercieel doortrapt zoals Uri Geller.’

Rosemary Brown was de dochter van een elektricien. Het gezin woonde boven een dansschooltje. Ballet was Rosemary’s passie, maar haar vader wilde dat ze een baan nam bij het postkantoor. Later werd ze keukenhulp. Haar enige muzikale vorming, zo zou Rosemary altijd volhouden, bestond uit een paar jaar pianoles.

In 1961, het ergste jaar uit haar leven, overleed haar moeder en toen haar echtgenoot (ze zag ze spoedig weer voor zich verschijnen, ‘mooier en gezonder’). Kort na de dood van moeder stond een helderziende voor de deur, ‘gestuurd door moeder’ met het verzoek: ‘Kom naar mevrouw Hosgoods séances.’ Rosemary sloot zich aan bij het spiritistisch genootschap van Balham en kreeg na enige tijd een speciale taak. Het orgelspel.

Brown bakte er niets van, volgens haar eigen memoires, maar merkte na een tijd dat het beter ging. Haar vingers werden ‘gestuurd’ door een man van wie ze als meisje al een glimp had opgevangen. Liszt. Diens uitstekende contacten in de muziekwereld van daarginder bezorgden haar stijgende faam onder Londense spiritisten. Sir George Trevelyan, invloedrijk in de New Age-beweging, richtte met het muzikale echtpaar Firth en een zekere majoor MacManaway een fonds op dat Brown in staat stelde haar baan als keukenhulp op te zeggen, en zich te concentreren op astrale oeuvres.

* * Repetitie in het Makershuis Oost. Mrs. Brown/Muziek uit het hiernamaals, scène 2: Yvonne van de Pol (viool) en Jacqeline Hamelink (cello) vertolken een Bagatelle voor piano van Beethoven-via-Brown, voor strijkers bewerkt door Palinckx. Liszt danst naar een videocamera en manipuleert beelden van Beethoven, Chopin en Debussy. Muziekfragmenten verdringen elkaar in hoog tempo.

Rosemary (Mieke Klomp): ‘En toen kwam de BBC.’ Liszt (Hendrik Lebon): ‘Doen! Zo’n kans krijgen we nooit meer!’ Rosemary: ‘Ze zullen me belachelijk maken. Ze vinden me een oplichter. Ze vinden de composities slecht.’

Liszt: ‘Wat? Wat denken ze wel.’

* * De BBC kreeg in 1969 lucht van Browns waarnemingen, riep haar naar de studio en onderwierp haar, zoals Brown in haar memoires opmerkt, aan een ‘derdegraads onderzoek’ – met eindeloze ‘vragen die niets weerlegden of bewezen’. ‘Gelukkig waren er mensen die er wél in geloofden, zodat ik niet helemaal alleen stond.’

Twee programmamakers zochten haar thuis op. Brown zorgde voor thee. ‘En daar verscheen Liszt, met een zelfverzekerd lachje om zijn lippen.’ De componist dicteerde iets ‘afschuwelijk moeilijks’, in een toonsoort met zes kruisen en met verschillende maatsoorten in de linker- en rechterhand. Brown schreef het op maar kon het niet spelen. Een van de programmamakers wel. ‘Ik geloof dat dit erg goed is, mevrouw Brown.’

Het was dit werkje, een ‘Grübelei, geïnspireerd door Liszt, 3 juni 1969’ dat Humphrey Searle deed omgaan, de Britse musicoloog en Lisztexpert die zijn naam en de nummering schonk aan de catalogus van Liszts complete oeuvre. Searle was een vijfkwartsmaat rechts en een drietweede maat links weliswaar nog nooit tegengekomen bij Liszt, maar erkende dat de ‘experimentele opzet’ volkomen bij Liszts late oeuvre paste.

De vooraanstaande Britse muziekuitgeverij Novello begon Browns astrale pianominiaturen af te drukken. Novello werd niet gehinderd door slaptes in de thema’s en harmonieën van ooit erkende meesters, vreemde opvulnoten in Beethovenloopjes en ijzingwekkende beginnersfouten in de kwinten en octaven van een ‘Longing, inspired by Schumann’. Wel werd de uitgeverij aangemoedigd door typische Chopin-trekjes in een ‘Nocturne, inspired by Chopin’ en andere markante, links en rechts optredende stijlovereenkomsten. En door de interesse van Britse media, het Amerikaanse Time Magazine, de Johnny Carsonshow, de Nederlandse platenmaatschappij Philips en de presentator Willem Duys.

Aan Carson onderwees Brown dat men in het hiernamaals geen seks heeft. Steeds inniger bevriend met Chopin, keek Brown intussen thuis met Frédéric naar tv, en kreeg ze van hem de waarschuwing dat haar bad begon over te lopen.

Overtuigd waren de Engelse componist Richard Rodney Bennett (‘Ik schrijf óók wel eens beroerde stukken’) en de pianisten Hepzibah Menuhin, Tamas Vasary en John Lill. Andre Previn, chef van het London Symphony Orchestra, vond dat Liszt en Beethoven hun postume werk ‘beter op de plank hadden kunnen laten liggen’, maar Leonard Bernstein viel voor Browns Rachmaninov.

In Nederland constateerde de NRC-criticus Hans Reichenfeld een ‘ongunstig klimaat voor creativiteit in het hiernamaals’, en vroeg de muziekessayist Konrad Boehmer zich af waarom Brown nooit eens bezoek kreeg van genieën als Palestrina of Schönberg. Musici van het Radio Filharmonisch orkest, dat voor de grote NOS-uitzending in 1976 een door Brown doorgegeven Elfde Symfonie van Beethoven uitvoerde, vonden dit een ‘schandelijk gebeuren’. De dirigent (David Porcelijn) vond achteraf dat het ‘maar wat dobberde’.

Jacq Palinckx: ‘Ik herinner me een theoloog die in die NOS-avond van 1976 zat. Die zei: ‘Ik zou wel willen dat Beethoven daarboven beter werk maakte, maar misschien kan hij dat niet, nu hij in volledig gelukkige staat is.’ Ze hebben natuurlijk geen Weltschmerz meer.’

‘Die muziek’, zegt Palinckx, ‘de ene keer is het mooi, de andere keer lelijk. Maar aldoor opmerkelijk. En ze heeft het toch maar op papier gekregen, echt pittig.’

* * Mrs. Brown/Muziek uit het hiernamaals, scène 3: Liszt helpt Rosemary aan een prijsje in de voetbaltoto, waarschuwt haar voor brand in huis en helpt het vuur te blussen. Liszt: ‘De hel, die maken we zelf.’

* * Scène 5: Rosemary, ten prooi gevallen aan eenzaamheid, memoreert haar armoede, ziektes en bijnadood-ervaringen. ‘Waarom ik? Waarom ik, Franz?’ (Onthechte strijkersklanken, vrij naar Liszts Lugubre gondola. Doek).

Palinckx gelooft niet in geesten. ‘Rosemary Brown is een hedendaags mysterie. Dat is de reden van deze voorstelling.’ Wel ontving hij adviezen van een Antwerps medium, Isabelle Duchêne. ‘Zij kreeg lucht van onze plannen en zocht contact. Heel nuttig, ze bracht documentatie mee. En een geluidsopname van een medium dat praatte met de stem van Chopin.’

Klomp: ‘Ik had het leuk gevonden als Rosemary Brown zich aan mij had laten zien. Jammer. Duchêne heeft haar wel zien staan, in november bij een voorproefje met publiek. Achter de muzikanten. Volgens Duchêne had zij er alle vertrouwen in. Ik hoor het graag, dat soort dingen. Verder weet ik niet zo goed wat ik ermee moet.’

Aan Duchêne de vraag waar al die 950 andere stukken van Brown zich bevinden (bestaan ze wel?), en hoe het komt dat Brown zo op de hoogte was van Berlioz’ Shakespeare-interesses, en dat Liszt in Browns memoires zo vaardig Jean-Paul Sartre parafraseert (‘De hel, die maken we zelf’). Was het tóch allemaal een snuggere opzet van, pakweg, de Engelse componist Richard Rodney Bennett?

Stem van Isabelle Duchêne (op de telefoonbeantwoorder): ‘Ik ben na 14 april weer bereikbaar.’

Meer over