Een palingvisser heeft liever troebel water

De palingvangst is verboden, tot verdriet van de Volendamse vissers. De broers Schilder zijn met tegenzin uitgeweken naar de snoekbaars....

‘Ik heb drie zoons. Vissers, alle drie. Maar ik had beter drie criminelen op de wereld kunnen zetten. Zo moeilijk heeft de visser het’, verzucht moeder Schilder aan de telefoon. Haar zoons zijn het Markermeer op, de hele dag. Ze vangen snoekbaars. Met tegenzin: dit is het palingseizoen, maar er is een vangstverbod afgekondigd. Drie maanden lang mag er niet op paling worden gevist. Wat de gevolgen van het verbod zijn? ‘Ga gerust eens met ze mee. Vertrek morgenochtend om vijf uur, uit de Volendamse haven.’

Die dinsdagochtend, donker, mistig. Vroeg. De VD64, het schip van de gebroeders Schilder, bromt de haven uit. Blindelings het donker in, ware het niet dat de radar aan staat. Jacco (40), Patrick (39) en Ger (38) Schilder drinken koffie op de brug. Vader Gerrit Schilder (67) vaart ook nog iedere dag mee uit. Als het niet te hard waait tenminste, want hij heeft geen goede zeebenen meer. ‘Ik word ouwer en strammer.’ Verder is Dik Kwakman (72) aangemonsterd. ‘Een dagje eruit’, zegt hij. Zijn hele leven is hij visser geweest, en nog kan hij geen afscheid nemen van het vak.

De dag is jong, maar slaperig zijn de mannen aan boord niet. Zodra het vangstverbod op paling ter sprake komt, trekken ze fel van leer. Geen goed woord hebben ze er voor over. Ze zijn boos, deze vissers. Op de regering, op de biologen, en op iedereen die niet hard werkt.

‘Dit is de ergste maatregel tot nu toe’, meent Patrick. ‘Vissers staan huilend op de dijk. Wij kunnen nog op snoekbaars vissen. Maar de meeste palingvissers hebben hun netten en vergunning voor snoekbaars verkocht. Ze zitten werkloos aan de kant. En dat terwijl juist dit de beste tijd is om paling te vangen.’

Helder
De lage palingstand in het IJsselmeer is niet de schuld van de beroepsvissers, daarvan zijn de broers overtuigd. ‘Vroeger kon je van hier naar Lelystad lopen over de vis’, zegt Patrick. ‘Hoe ken dat nou dat de vis weg is?’ vraagt hij. ‘Ik weet het wel!’ Het komt door het heldere water, de aalscholvers, en door de obstakels, zoals sluizen en gemalen, die de volwassen schieralen belemmeren in hun tocht naar zee. Niet door overbevissing.

‘We vissen hier al 2500 jaar’, zegt Patrick. ‘Pas de laatste twintig jaar is de palingstand gekelderd. Als je wilt weten hoe dat komt, moet je kijken wat er bij is gekomen. De uitgangen van het IJsselmeer zijn geblokkeerd. Palingen worden stuk gemalen teruggevonden: ze kunnen niet naar zee om zich voort te planten.’

Ook is het water helderder geworden. Dat heeft Gerrit met zijn eigen ogen zien gebeuren. ‘In onze netten zitten nu veel meer planten. Die groeien beter in schoner water.’ Een aal is juist beter af in troebel water.

En verder zijn er meer aalscholvers. Vader Gerrit weet nog wel dat hij als klein jochie met z’n vader mee uit vissen ging. ‘Zagen we een aalscholver een paling opschrokken, dan zei mijn vader: kijk eens, wat mooi, dat is de natuur. Maar nu komen de aalscholvers met z’n honderdduizenden tegelijk. Dat is niet leuk meer.’

De mannen trekken hun gele pakken aan, hun laarzen en plastic handschoenen. Ze nemen hun vaste plaatsen in, een sigaret in de mondhoek. Patrick bedient de machine die de netten uit het water licht. Twee jaar terug nog maar gebeurde dat met de hand. Maar Gers rug was doormidden van dat zware werk, zegt hij. Vandaar deze machine. Gerrit, Ger en Dik zitten op plastic stoelen aan de andere kant van de machine. Ze vangen de vissen op. Snoekbaarzen, roodbaarzen, voorns.

De biologen, die de aalscholver in bescherming nemen, worden aan boord van de VD64 uitgemaakt voor rotte vis. ‘Biologen zijn criminelen’, zegt Patrick. ‘Eén heeft er gezegd: ik rust niet voor de laatste visser uit het IJsselmeer is verdwenen.’

Recreatie
Zijn vader is verbitterd. ‘Dit meertje is voor recreatie, voor sportvissers, voor de natuur, maar niet voor ons.’

Patrick: ‘Vroeger was het IJsselmeer van de visserman. Toen wisten we niet eens waar Den Haag lag.’

‘Nu willen ze ons weg hebben’, zegt Ger. ‘Daarom zitten ze ons op zo veel mogelijk manieren dwars. Met allerlei regels en verboden. Die geen zin hebben, maar de regering luistert niet naar ons. In 1989 zei de minister: als jullie nu niet vissen, dan verdienen jullie over een paar jaar geld als water. Nou, mooi niet. Het is alleen maar minder geworden.’ ’

‘Wit!’ roept Gerrit als er een snoekbaars binnen vliegt. ‘Met wit komt het geld binnen’, zegt Dik Kwakman. ‘Verder zeggen we nooit veel tijdens het werk.’ De vissen worden hardhandig uit de netten getrokken. Met een boog worden ze in de plastic bakken gegooid. Sommige staken de doodsstrijd meteen, andere blijven kronkelen om uit de bak te springen. De schubben, het bloed en het IJsselmeerwater vliegen in het rond.

Vorig jaar, toen de broers ook al inkomsten misliepen doordat ze geen paling mochten vangen, kregen ze een tegemoetkoming van duizend euro. Patrick: ‘Duizend euro. Met z’n drieën. Nou, stik d’r in.’

Niet voor niets is de vloot van Volendam sterk uitgedund, zegt hij. ‘Toen ik begon, waren er dertig schepen. Nu nog zes. Alle andere zijn weggeraakt van ellende. Ook wij hebben een groot deel van het bedrijf ingeleverd. We hadden 130 fuiken, nu nog maar 70. En alle vissers klussen in de winter bij, vaak in de bouw.’

Het vangstverbod kon voor sommige bedrijven wel eens de doodsteek betekenen. Patrick: ‘Drie maanden niet vissen, dat red je niet als je niet op snoekbaars kunt overstappen. Bovendien: het verbod gold vanaf 1 september, maar in de praktijk duurt het langer. Wij hebben op 4 augustus de eerste fuiken eruit gehaald.’

De egaal donkere lucht krijgt olieachtige kleuren aan de horizon. De zon komt op, en geeft de lucht langzaam pastelkleuren. De zon glinstert op het water, en de VD64 is de enige boot in de wijde omtrek. Jacco leidt het net naar de machine die het oprolt voor de volgende keer. ‘Want je kunt niets zeker weten, en alles gaat voorbij, maar ik geloof... in jou en mij’, zingt hij met de radio mee.

De ene na de andere snoekbaars valt met een klap in de bak. ‘Dit vangstverbod is niet goed’, zegt Patrick, terwijl hij de boot langs de netten stuurt. ‘We springen allemaal op de schubvis, zoals de snoekbaars. Normaal stappen we daar pas in december op over. Nu kunnen die vissen niet groeien en niet paaien.’

‘Er staan iedere dag 3940 netten te water’, rekent Gerrit snel uit. ‘Het IJsselmeer lijkt groot, maar is een sloot. We hebben het hier zo leeg.’

Patrick: ‘Dan begint voor ons de ellende. Maar we hebben geen keus. We moeten nu wel op snoekbaars vissen, anders zijn we brodeloos. Ze zullen hun eigen nog wel voor hun kop slaan, daar in Den Haag.’

Het vangstverbod is voor de sector rampzalig, voor de handel rampzalig en voor de schubvisstand rampzalig, vinden de broers. ‘Als we drie maanden niet vissen, dan moet er meer paling komen, maar is er geen andere manier om de palingstand te verbeteren? Wij denken van wel’, zegt Patrick. De vissers hebben het voorstel gedaan om de vis over de dijk te zetten. ‘Dan kan ie zich gaan voortplanten in de Sargassozee, zonder dat ie onderweg wordt vermalen. En wij kunnen het bedrag vergoed krijgen dat we daadwerkelijk mislopen, in plaats van een schrale duizend euro.’

De Tweede Kamercommissie die erover zou besluiten, had bijna met het voorstel ingestemd. Op het laatste moment veranderde men van mening. Waarom? ‘Omdat wij het water af moeten!’ herhaalt Ger.

Overlevingsbak
En dat terwijl de vissers van goede wil zijn. ‘We willen eigenlijk hetzelfde als Den Haag: een goede palingstand’, vertelt Patrick. ‘Daarom denken we mee over duurzame visvangst.’ In de winter, als het schip op de kant ligt, zijn ze bezig met innovatie. ‘We hebben een uitvinding gedaan. Een overlevingsbak, waardoor de bijvangst van palingfuiken levend weer van boord gaat.’

‘Einde verhaal’, zegt Dik Kwakman. De vis is binnen voor vandaag. ‘We zijn dik tevreden. Negenhonderd pond.’ De VD64 vaart terug. Vlak voordat de boot de haven indraait, wijst Ger op een stapel lange palen op de dijk. Daar worden de palingfuiken aan opgehangen. ‘Die palen neerzetten, dat is pas zwaar werk. Als je dat een tbs’er laat doen, dan doet hij nooit meer wat.’ Patrick: ‘Als iemand op de dijk ons bezig zou zien met die palen, zou hij zeggen: die zijn daar gek. Al die palen de grond in, en dat voor een paar maanden.’

Werken van ‘s ochtends vijf uur tot 's avonds half negen, steeds opboksen tegen de maatregelen van hogerhand: waarom vissen ze eigenlijk nog, als het leven van de visserman zo zuur is? Eén reden is dat hun bedrijf financieel gezond is, zegt Ger. Ze keren zichzelf het minimumloon uit, maar ‘er gaat ook wel eens een kissie aan de andere kant’. Ze leven goed, zeggen de broers. Als ze ‘s winters in de bouw werken als metselaar of stukadoor, gaan ze trillend naar hun werk. ‘Dan mis je dit hè’, zegt Patrick. ‘De vrijheid. Hier zijn we één met de natuur. We maken zelf uit wat we doen.’

Bovendien: de familie Schilder vist sinds de zestiende eeuw. Patrick kocht op zijn zeventiende zijn eerste eigen schip. ‘Ik was toen nog de jongste eigen baas van Nederland. Toen ik 19 was, kocht ik een huis. Als je er 25 jaar mee bezig bent, dan stop je er niet zomaar mee.’ Maar zijn zoon mag niet vissen. ‘Dat wil ik ‘m niet aan doen. Er zijn zo veel regeltjes. Het wordt ons zo moeilijk gemaakt.’

‘Ik stop er niet mee. Nooit niet’, zegt Ger. ‘Zelfs toen ik, vanwege mijn rug, in een rolstoel zat, kwam ik nog op de boot.’ Zijn zoon, zeven jaar oud nu, is vastbesloten: hij wil op de grote boot, net als zijn vader. Ger: ‘Ik zeg: de vis raakt op.’ Zegt hij: ‘Maar dan kan er wel weer vis wezen.’

Meer over