Eén opdracht: hoe hou ik mijn atletes heel

Nadine Broersen, Dafne Schippers, Anouk Vetter en Nadine Visser zijn dit weekeinde actief in Götzis, Oostenrijk, elk jaar een weekeinde lang het walhalla van de meerkamp.

Aan tafel verschijnt wereldkampioene Nadine Broersen, met een stuk fruit voor haar coach. Zij ook al. Ze is de derde meerkampster uit de trainingsgroep van Ronald Vetter die na de lunch op sportcentrum Papendal komt aanzetten met een appeltje, een mandarijn of een banaan.

Vetter (58) lacht: 'Ze beseffen dat ze goed voor de trainer moeten zorgen. Als de trainer niet fit is, hebben zij er last van. Het is allemaal eigenbelang.'

Misschien hebben ze het zorgzame gedrag van de goedgeluimde bondscoach afgekeken. Gezond blijven, niets kapot maken: hij hamert er elke dag op. Eén zorg verlaat hem nooit. Hoe kan hij voorkomen dat zijn atletes geblesseerd raken?

Vetter kan geen tak van sport bedenken waarin het lichaam meer te verduren krijgt dan de meerkamp. Sinds zijn aanstelling als bondscoach, in 2006, hebben vier van zijn pupillen EK- of WK-medailles veroverd. Maar Karin Ruckstuhl en Jolanda Keizer moesten hun loopbaan ook tegen hun zin afbreken vanwege chronische blessures. En voor Remona Fransen lijkt het afscheid nabij. Ze heeft steeds nieuwe klachten.

De kwetsbaarheid is de fraai gebouwde atleten niet aan te zien tijdens de voorbereiding op de meerkamp van Götzis, dit weekeinde in Oostenrijk. Ze lijken weggelopen uit een fitnessmagazine. Brede schouders, platte buiken, krachtige billen en afgetekende beenspieren. De huid staat strak gespannen om de bundels.

Vooral Broersen oogt superfit tijdens het hoogspringen in de hal. Als Vetter even niet oplet, legt ze de lat stiekem op 1.85 meter. Met een korte aanloop, een dribbel en drie volledige passen, zweeft ze soepel over de lat. In Götzis is ze, met haar Nederlandse concurrent Dafne Schippers, een van de favorieten voor de overwinning. Daar sprong ze vorig jaar 1.84, met een veel langere en snellere aanloop.

undefined

Piekbelasting

'Dit had ik niet gewild', zegt Vetter over de hoge sprong. Hij klinkt bezorgd. 'Morgen is haar belangrijkste training. Dus ze moet niet vandaag alles uit de kast halen met het risico dat ze morgen een pijntje heeft.'

Vetter probeert zijn atleten op te leiden tot trainers. Hij wil dat ze snappen wat hun lichaam te verduren heeft. Dat luistert nauw. Het sleutelwoord is piekbelasting. 'Zwemmen kan je driemaal daags doen. Er is geen piekbelasting. Wielrennen hetzelfde; je kan de hele dag wel op een fiets zitten. Schaatsen? Amper piekbelasting. Turnen? Wel piek, maar daar heb je een verende ondergrond.'

In de meerkamp moet het lijf extreme klappen verwerken. Bij het sprinten en springen kaatsen de ledematen tegen de keiharde ondergrond, met een kracht die vele malen hoger is dan het eigen lichaamsgewicht. Botten, pezen en spieren krijgen steeds een optater.

'Het is bij het sprinten niet zo dat je je been neerzet en weer optilt. Nee, je gooit je been naar beneden en hij stuitert omhoog. Je doet net alsof je lichaam een keihard opgepompte basketbal is. Als je erover nadenkt is dat waanzin. Je zou je kind van atletiek moeten afhalen.'

Vetter ziet de meerkamp als een fascinerende puzzel. Wat kan het lichaam aan? Welk onderdeel kan hij wanneer en hoe vaak trainen, opdat de pezen en spieren sterker worden? En wanneer kan het lichaam de spierschade niet meer compenseren en verzwakt het juist?

'Iedereen kan een goede training geven. Maar doe er eens tien op een rij. Zorg dat die atleet na tien trainingen nog fit en sprankelend is. Je kunt honderd dingen trainen, maar het gaat erom dat je zegt: die 95 gaan we niet doen.'

De bondscoach heeft zijn atleten alle dagen tot zijn beschikking sinds NOC*NSF acht jaar geleden geld beschikbaar stelde voor een voltijds meerkampprogramma. Ze hebben een kamer op Papendal, zodat ze tweemaal per dag kunnen trainen en tussendoor kunnen rusten. Dankzij de atletiekhal hoeven ze nooit een training over te slaan wegens slecht weer. Een sportarts en fysiotherapeut zijn nabij. Zij zorgen ervoor dat pijntjes worden behandeld voordat de schade te ernstig is.

Per week trainen zijn atleten negenmaal: tweemaal op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag, en op zondag doen ze een lichte looptraining. Woensdag en zaterdag zijn verplichte rustdagen. In dat tijdsbestek komen bij de vrouwen zeven onderdelen aan bod: 100 meter horden, kogelstoten, hoogspringen, 200 meter, verspringen, speerwerpen en 800 meter. Naast de techniektrainingen doen ze kracht- en conditietraining.

Sommige onderdelen zijn zo belastend dat ze niet vaker dan eenmaal per week aan bod kunnen komen. Ver- en hoogspringen bijvoorbeeld, of speerwerpen. Sommige combinaties passen in een training, zoals hoogspringen en kogelstoten. Andere combinaties zijn uitgesloten, zoals ver en hoog. 'Ik vind dat je gearresteerd mag worden als je dat doet. Dat is kijken hoe snel je een atleet kapot krijgt.'

Vetter schrijft steeds een trainingsprogramma voor drie weken. Vaak herziet hij zijn eerste versie. 'Ik maak het bijna altijd makkelijker, nooit moeilijker. Ik laat ze minder doen.'

Hij heeft geleerd van zijn fouten. Vooral aan Karin Ruckstuhl denkt hij nog vaak. Haar meerkamptalent leverde hem acht jaar geleden zijn baan als bondscoach op. Zij bewees met zilveren en bronzen medailles dat Nederlandse vrouwen op de vijf- en zevenkamp kunnen meedoen om de prijzen, als ze zich tenminste met een fulltimecoach aan de discipline wijden. Maar na vier succesvolle jaren weigerde haar lichaam dienst.

Vetter: 'Als ik het met Karin mocht overdoen, en dat zou ik heel graag willen, dan zou ik een aantal dingen beter kunnen doen.'

Hij liet Ruckstuhl te hard werken, beseft hij nu. Zijn trainingen waren lang niet zo zwaar als de schema's die hij vroeger bestudeerde, tijdens zijn opleidingen tot sportdocent en atletiekcoach. 'Dat was in de tijd dat in het buitenland iedereen verboden middelen gebruikte. Overal waar ze Russisch spraken en in Amerika waarschijnlijk ook. Die trainingen slaan nergens op. Veel te zwaar.'

Toch ging het mis met Ruckstuhl. Hij was nog onvoldoende doordrongen van een belangrijk hedendaags topsportadagium: minder is meer. Het lichaam blijkt met minder trainingsuren dan vroeger noodzakelijk werd geacht ook topprestaties te kunnen leveren, mits slim wordt getraind en serieus wordt uitgerust. Dat kan zelfs betere resultaten opleveren dan de combinatie van lange trainingsdagen en doping.

Ruckstuhl kon nog onvoldoende profiteren van dat inzicht. Vetter hield zich nog niet zo secuur aan een ritme van twee dagen trainen en een dag rusten. En hij liet haar in het krachthonk oefeningen doen met gewichten die achteraf funest bleken. Zij had, zonder dat hij het wist, in haar jeugd een rugwervelschijf beschadigd bij het hinkstapverspringen.

'Je bent zo sterk als je zwakste schakel. Ze stond soms met 170 kilo in haar nek kniebuigingen te doen. Nadine Broersen is knoertsterk, maar ze mag nooit meer tillen dan 130 kilo. Ze heeft geen last van haar rug, maar ik neem het risico niet meer. Nadine profiteert van de ervaring die ik heb opgedaan met Karin.'

Het grootste talent van Broersen is volgens Vetter haar belastbaarheid. Ze hoeft haast nooit een training over te slaan. Dat is van onschatbare waarde, meent hij. Ze is elk jaar heel gestaag vooruitgegaan, met als voorlopig hoogtepunt de onvoorziene wereldtitel vijfkamp bij de WK indoor in maart.

Die wereldtitel, de eerste voor Nederland op de meerkamp, maakte indruk. Broersen zat luttele dagen na haar overwinning al in een galajurk aan een diner op paleis Noordeinde als speciale gast tussen de koning en IOC-lid Camiel Eurlings.

undefined

Laatbloeiers

Vetter had de ontwikkeling van Broersen (24) niet voorzien toen hij haar drie jaar geleden overnam van Bart Bennema, de collega die Dafne Schippers begeleidt. De Brabantse had geen schik meer in atletiek. 'Ze vond zichzelf slecht. Ze wilde stoppen. Maar wij passen goed bij elkaar. Zij heeft een abonnement op een chagrijnige kop, net als ik.'

Onder Vetter bloeide Broersen op. Ze bleek, naast belastbaar, ook gemotiveerd. Dat is op de meerkamp misschien wel belangrijker om aan de wereldtop te komen dan natuurlijke aanleg, meent de bondcoach. De wereldtoppers zijn in hun jeugd zelden supertalenten geweest. Het zijn vaak laatbloeiers. Broersen deed haar eerste meerkamp pas op haar 18de, net als wereldrecordhouder tienkamp Ashton Eaton.

Die late start heeft een voordeel, meent Vetter. 'Ik denk dat je deze sport maar kort kunt volhouden. Geen tien jaar. Ik denk dat zes jaar het maximum is. Het is te belastend. Als je vroeg begint met serieus trainen, ben je dus ook snel klaar.'

Vetter verwacht dat Broersen het volhoudt tot de Zomerspelen van Rio de Janeiro, over twee jaar. De hoop is dat ze daar kan meedoen om de medailles. Het is vermoedelijk haar enige kans op olympisch succes, aangezien ze in 2016 al in haar zevende jaar als meerkampster is.

Haar mogelijke afscheid hoeft voor Vetter geen probleem te zijn. Een opvolgster heeft zich al aangediend: zijn 21-jarige dochter Anouk. Zij behoort tot zijn trainingsgroep en debuteert vandaag in Götzis. Ze staat te boek als een groot talent.

Vooral speerwerpen en kogelstoten gaan haar gemakkelijk af, ondanks haar ranke lijf. Dat is geen toeval. Haar vader begon zijn trainersloopbaan als werpspecialist. Hij coachte haar moeder bij het speerwerpen naar de tweede plaats op nationale ranglijst aller tijden.

Vetter: 'De vraag is wat haar lichaam doet. Ik heb van Anouk expres een laatbloeier gemaakt. Ik merkte toen ze 12, 13 was al dat ze soms spiertjes verrekte. Ze heeft snel pijntjes. Dat is haar zwakke plek. Maar ze kan veel. Ze is op sommige onderdelen al beter dan Nadine.'

undefined

Meer over