Een onverwacht dansje

Deze vier mannen zijn altijd samen in het café. Nummer een zegt nooit wat, zeker omdat hij zijn tong verloren heeft, nummer twee is nog nooit met de mond dicht gefotografeerd, zo'n babbelkous is het, nummer drie is gewoon een kluns, daar is iedereen het over eens, en nummer vier...

Hij is een grote man met een eeuwige baard en een kale kop en twee van de droevigste ogen die je ooit gezien hebt. En omdat de ogen de spiegels van de ziel zijn, kun je wel nagaan hoe hij zich van binnen voelt. Maar daar zegt hij nooit een woord over.

Hij heeft zoveel boeken gelezen en zoveel muziek geluisterd, dat zijn hoofd helemaal vol zit met melodietjes en citaten. Je hoeft maar op een knop te drukken of de openingsregels van De Toverberg of Honderd Jaar Eenzaamheid of de Metamorfosen van Ovidius komen er vlekkeloos uitrollen, en niet in vertaling, denk dat maar niet, maar in de taal waarin het boek geschreven is, het vinnige Duits, het gepeperde Spaans of het gezwollen Latijn. Hij weet zoveel, dat je al duizelig wordt als je eraan denkt.

Waar je ook over begint, over de elektromotor, over Diderot en d'Alembert, over de Duitse romantiek of over de chemische samenstelling van het nieuwste wapen tegen deze of gene ziekte, altijd krijg je een lange verhandeling aan je broek, doorspekt met de allerdroevigste overpeinzingen. Als je niet oppast is je hele avond bedorven, want hij springt van het ene onderwerp op het andere, al jammerend en treurend over het lot van de wereld, en voor je het weet is de stemming beneden alle peil.

Zo eentje is hij er dus ongeveer, en je moet wel van goede huize komen, om hem van zijn droevig apropos af te brengen. Het zal daarom niemand verbazen, dat de andere drie, zijn vrienden, zowat van ellende en schaamte onder de tafel gleden, toen hij op een dag met zijn onhandige lijf zomaar opeens het vrolijkste dansje begon te maken wat je ooit gezien hebt. En dit is wat hij zei ter verklaring:

Wat een drukte maken jullie toch allemaal. Kijk eens naar buiten. Het zonnetje schijnt en de vogeltjes fluiten. Geen wolkje is er aan de hemel te bespeuren. Wat er ook allemaal op de wereld gebeurt, wat er ook voor sombere gedachten aan het papier zijn toevertrouwd in de loop der eeuwen, hier hoeft tenminste niemand bang te zijn. Wij zijn immers met vrienden onder elkaar, onze glazen zijn gevuld met het heerlijkste bier.

Kom op, barkeeper, schenk ons er nog eens eentje in, op mijn rekening, vooruit! Wij zullen al die sombere gedachten eens voorgoed verdrijven. En als we zoveel gedronken hebben dat er geen borrelglaasje bier meer bij kan, dan nemen we nog een laatste, om het af te leren, en daarna nog eentje, alvast voor morgen. En als we thuis de slaap niet kunnen vatten, dan nemen we er gerust nog eentje, dat kan helemaal geen kwaad!

Peter Bekkers

Meer over