EEN ONGEVAARLIJK AMBT

GERRIT BROKX was nog niet zo lang staatssecretaris voor Volkshuisvesting in het eerste kabinet-Van Agt, toen hij een keer de vergadering van de ministerraad wilde bijwonen....

De premier dacht er anders over. Na Brokx gesignaleerd te hebben, vroeg Van Agt verbaasd wat de man in de ministerraad te zoeken had. Het antwoord van de staatssecretaris dat er volgens hem kwesties aan de orde waren die zijn verantwoordelijkheid betroffen, stelde de minister-president allerminst tevreden. 'Ja', repliceerde Van Agt, 'maar dan heb ik hier direct ook meneer De Graaf en meneer Koning zitten, collega-staatssecretarissen met eveneens welgevulde portefeuilles, en dan kom ik er niet uit. Dus ik verzoek u de vergaderzaal te verlaten.' Exit Brokx.

De tijden zijn veranderd. Premier Kok is een stuk makkelijker, zo stelt Frank de Grave vast in het decembernummer van Liberaal Reveil. In het paarse kabinet kunnen staatssecretarissen altijd bij vergaderingen van de ministerraad aanwezig zijn. Zij mogen weliswaar niet stemmen, maar dat vormt geen probleem, want er vinden toch nooit stemmingen plaats.

In Liberaal Reveil blikt De Grave, net zoals zijn drie VVD- collega's en zijn voorganger, terug op zijn ervaringen als staatssecretaris. Het vijftal bespreekt ook de eigenaardigheden van het ambt. De visies lopen nogal uiteen.

Zo vindt Gmelich Meijling het prettig dat zijn minister tot dezelfde partij behoort als hij, zodat hij niet voor waakhond hoeft te spelen. De ambtenaren op Defensie, die in het verleden wel anders gewend zijn, schijnen het ontbreken van politieke kleurverschillen aan de top eveneens erg te waarderen.

In de visie van De Grave daarentegen, is het juist een voordeel dat op het ministerie van Sociale Zaken zowel VVD als PvdA zich vertegenwoordigd weet. Doordat zij verschillende stromingen representeren, kunnen de bewindslieden beter een draagvlak creëren voor maatregelen en duidelijk maken dat hun beleid zowel sociaal-democratische als liberale elementen bevat.

De Grave wijst er wel op dat de positie van de staatssecretaris onhelder is. Staatsrechtelijk is hij ondergeschikt aan de minister, maar toch is hij politiek verantwoordelijk voor een belangrijk beleidsterrein. De spanning tussen formele regels en feitelijke verhoudingen inspireert sommige geïnterviewden tot een pleidooi voor een verandering van de status van de staatssecretaris.

Linschoten meent bijvoorbeeld dat we gewoon van de functie afmoeten. Je zou alleen ministers moeten hebben. Bewindslieden kunnen hun politieke rol slechts waarmaken als ze op voet van gelijkheid met collega's in de ministerraad kunnen opereren. Een dergelijke gelijkwaardigheid vergemakkelijkt ook het optreden in het buitenland.

De verwezenlijking van Linschotens ideetje zou evidente nadelen hebben. Zij leidt bijvoorbeeld tot een uitdijende ministerraad, tot een complexere besluitvorming binnen het kabinet en tot eem mogelijke competentiestrijd op het departement waar meer dan één minister wordt benoemd.

Linschotens opvolger toont zich een voorstander van de creatie van onderministers. Door de intensivering van de Europese samenwerking vertoeven ministers steeds vaker in het buitenland, terwijl ze tegelijkertijd verantwoording moeten afleggen in het parlement. Dat probleem zou, zegt De Grave, verkleind kunnen worden als de staatssecretaris de minister kan vervangen, in het buitenland, in de Kamer, in de ministerraad.

Het idee - promoveer de staatssecretaris tot onderminister - is al vaker verkondigd. Door de genoemde Brokx bijvoorbeeld. Door de commissie-Vonhoff, die in 1980 over de hervorming van de rijksdienst rapporteerde. En recentelijk door Jacques Wallage.

Maar ook tegen dit voorstel zijn relevante bezwaren aan te voeren, zoals ik op deze plek eerder heb mogen betogen. Zo kan de vervanging van een minister door een staatssecretaris met een andere politieke kleur de machtsverhoudingen in de ministerraad verstoren. Verder heeft de staatssecretaris een informatie-achterstand op de andere leden van de ministerraad, en beschikt hij als plaatsvervanger over minder vrijheid om te onderhandelen.

Een D66-afdeling heeft als titel voor het verkiezingsprogramma van de partij de leus Iets anders voorgesteld. Het is een curieuze suggestie, die geworteld lijkt in het hardnekkige progressieve misverstand dat vernieuwing per se verbetering betekent.

Zeker in onze stabiele, redelijk goed functionerende democratie resulteren hervormingen echter geregeld in een verslechtering. De Engelse zegswijze 'If it is not necessary to change, it is necessary not to change' blijft dan ook een waardevol uitgangspunt. Een uitgangspunt dat al gauw tot de conclusie leidt dat we de positie van de staatssecretaris - zoals zo veel dingen in dit land - maar beter ongemoeid kunnen laten.

Meer over