analyse

Een namenmonument voor 102 duizend Holocaustslachtoffers spreekt nog altijd niet vanzelf

Het Holocaust Namenmonument wordt zondag onthuld. Beeld Kees Hummel
Het Holocaust Namenmonument wordt zondag onthuld.Beeld Kees Hummel

Ooit werden de omgebrachte Joden, Roma en Sinti ‘passieve oorlogsslachtoffers’ genoemd. Voor hen was er geen plek in de Nederlandse herdenkingscultuur. Nu is alsnog een Namenmonument voor hen opgericht. Maar vanzelf ging dat niet.

Zijn medestanders en zijn tegenstanders zullen het beamen: zonder Jacques Grishaver (1942), voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, zou het Holocaust Namenmonument er niet zijn gekomen. Niet op de plek waar het zondag zal worden onthuld: aan de Weesperstraat in Amsterdam. Niet in 2021. En misschien wel nooit. Want sinds 2006, toen Grishaver zijn initiatief ontvouwde, heeft hij het hoofd moeten bieden aan actieve en passieve tegenwerking. Daarop reageerde Grishaver op zijn beurt ook niet altijd diplomatiek. Bezwaren tegen het monument wilde hij nog weleens met antisemitisme verwarren. En hij verweet de tegenstanders van het monument dat ‘ze niet elke dag tegen de namen van de Holocaustslachtoffers aan willen kijken. Tegelijkertijd leven ze wél in de huizen van die slachtoffers’. Nee, vrienden heeft Grishaver niet gemaakt met dit soort uitspraken, erkent kunsthistoricus Wim de Wagt. ‘Maar tezelfdertijd getuigen ze van een bezieling waar niemand aan kan tippen.’

De Wagt schreef een bijna 400 bladzijden tellend boek over de lange, vaak pijnlijke voorgeschiedenis van het Holocaust Namenmonument. Daaruit kan in elk geval worden opgemaakt dat een monument voor de vermoorde Joden, Roma en Sinti nooit vanzelf heeft gesproken – de omvang van het drama ten spijt. Misschien ook wel vanwége de omvang van het drama. Schrijver Elie Wiesel, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur in 1986, zei hierover: ‘De mensen om ons heen, de niet-ingewijden, weigerden te luisteren; zij die luisterden weigerden te geloven; zij die geloofden konden het niet begrijpen. (…) Wij konden het u niet uitleggen omdat u niet in staat was het te begrijpen.’

Traagheid van gevoel

Dus werd aanvankelijk vooral gezwegen over ‘de oorlog’ en over de peilloze ellende die eruit was voortgekomen. Dat was in Nederland niet anders dan in de andere landen die onder de oorlog hadden geleden, zegt De Wagt. ‘Het heeft te maken met de traagheid van het gevoel, zoals schrijver Hermann Broch het uitdrukte. Hoe groter het drama, hoe langer het duurt voordat het een plek heeft gekregen in het collectieve bewustzijn.’ De overlevenden keerden als ‘woordarme reizigers’ (Gerard Durlacher) terug in de wereld die hun vreemd geworden was.

Daar viel hun een ‘behoedzame distantie’ ten deel. ‘De kleine Shoah’: dat was de noemer waaronder historicus Isaac Lipschits de ervaringen van Joden in het naoorlogse Nederland samenbracht: overlevenden die voor de jaren waarin ze in het buitenland (veelal Polen) hadden verbleven door de fiscus werden aangeslagen, of aan wie geroofd bezit niet werd gerestitueerd. Oude, antisemitische vooroordelen die werden uitgesproken alsof er geen oorlog was geweest. Als voorbeeld van de ‘onverschilligheid en lompe onhandigheid’ van veel Nederlanders tegenover hun Joodse landgenoten, noemt De Wagt de opmerking waarmee de buurvrouw een brief van de notaris bezorgt bij een Joods gezin dat net is teruggekeerd naar Amsterdam. ‘U gaat lekker hè, met al die erfenissen?’

102 duizend namen, met hun geboorte­datum en de leeftijd bij overlijden. Voor de onbekende slachtoffers en ontbrekende namen die nog aangedragen worden, is de Duizend­namenwand gemaakt. Beeld Ramon van Flymen / ANP
102 duizend namen, met hun geboorte­datum en de leeftijd bij overlijden. Voor de onbekende slachtoffers en ontbrekende namen die nog aangedragen worden, is de Duizend­namenwand gemaakt.Beeld Ramon van Flymen / ANP

In dit klimaat konden initiatieven voor slachtoffermonumenten slecht gedijen. Aan Joodse zijde had niet iedereen daar behoefte aan. ‘Wij hebben geen herdenking nodig’, zei opperrabbijn Justus Tal in 1948. ‘Steeds iedere dag en elk uur is bij ons de herinnering aan hen die zijn heengegaan.’ En de Nederlandse overheid huldigde het standpunt dat de Nederlandse regering in ballingschap tijdens de oorlog al had betrokken: er moest geen onderscheid worden gemaakt tussen Joodse en niet-Joodse oorlogsslachtoffers – al was het maar omdat de nazi’s dat onderscheid wél hadden gemaakt.

De Joden werden ook nog eens bij de ‘passieve slachtoffers’ geschaard, de ambtelijke verzamelnaam voor ‘vervolgingsslachtoffers en door oorlogshandelingen omgekomen burgers’. De herdenkingscultuur in de eerste naoorlogse jaren was echter toegesneden op de ‘actieve slachtoffers’: ‘de militairen, zeelieden en verzetsstrijders die voor de bevrijding van ons Vaderland gevallen zijn’. Het Nationaal Monument op de Dam – onthuld in 1956 – was dan ook bedoeld als eerbetoon aan déze groep. Daarvan getuigen de beelden – vier geboeide mannen figuren – en de urnen met de aarde van fusillade- en erebegraafplaatsen uit de elf provincies die Nederland toen nog telde, en uit voormalig Nederlands-Indië. Een urn voor ‘de passieve slachtoffers’ ontbreekt echter.

Eerste naoorlogse monument

Het eerste naoorlogse monument dat refereerde aan de Holocaust was dan ook niet opgedragen aan de slachtoffers, maar aan de mensen die Joodse onderduikers hadden gehuisvest. Dit Monument van Joodse Erkentelijkheid, een initiatief van de Joodse huisarts Maurits de Hartogh, riep overigens meteen dubbelhartige gevoelens binnen en buiten de Joodse gemeenschap op. Bij de onthulling, in 1950, herinnerde burgemeester Arnold d’Ailly eraan dat ‘zeer velen’ tijdens de bezetting tekort waren geschoten. Het Nieuw Israëlietisch Weekblad stelde vast dat ‘slechts een zeer klein percentage van het Nederlandse volk ons behulpzaam is geweest en dat het ons niet aangaat het Nederlandse volk in zijn geheel hiervoor dank te brengen’.

‘Het probleem van het monument was niet eens dat er dankbaarheid mee werd getoond tegenover de helpers van Joodse onderduikers’, zegt Wim de Wagt. ‘In de beeldentuin van het Yad Vashem in Jeruzalem gebeurt tenslotte hetzelfde. Het probleem was vooral dat het dankbaarheidsmonument het éérste Joodse oorlogsmonument was. Het markeerde onbedoeld de uitzondering op de regel van wegkijken en toelaten dat ruim 102 duizend mensen werden afgevoerd.’

Inmiddels vormt de Holocaust al enige tijd de kern van de Nederlandse herdenkingscultuur. Dit betekende echter niet dat Jacques Grishaver in 2006 veel bijval oogstte met zijn plannen voor een namenmonument. De gemeente Amsterdam toonde zich in eerste instantie niet erg toeschietelijk omdat de stad met de Hollandsche Schouwburg, het Digitaal Monument, het Anne Frank Huis, het Joods Historisch Museum en het Holocaust Museum in oprichting al goed was bedeeld met verwijzingen naar de Holocaust.

‘Heb je mij over geld horen praten?’

Het initiatief van Grishaver nam echter alsnog tastbare vormen aan toen burgemeester Eberhard van der Laan er zijn steun voor uitsprak, en toen de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind zijn diensten aanbood. ‘Maar Daniel’, zou Grishaver hebben gezegd. ‘Wij kunnen jou niet betalen.’ Waarop Libeskind antwoordde: ‘Heb je mij horen praten over geld?’ Grishaver had het Wertheimpark als geëigende locatie voor het Namenmonument in gedachten, maar daartegen kwamen omwonenden – bevreesd voor een te grote aanslag op het groen – in het geweer. Het pleit werd in hun voordeel beslecht toen het ingenieursbureau Royal Haskoning oordeelde dat het beoogde monument te veel afbreuk zou doen aan het romantische karakter van het park.

Het Weesperplantsoen aan de Weesperstraat stuitte als alternatieve bouwlocatie eveneens op weerstand. Omwonenden, acterend onder de naam ‘Comité Niet Hier’, maakten bezwaar tegen de kap van 24 bomen, en wisten daarmee de uitvoering van het project lange tijd tegen te houden. Anderen hadden hun twijfels bij de omvang en de vormgeving van het Namenmonument. ‘Wat is het een primitief idee dat de omvang van de misdaad herdacht zou moeten worden in een even megalomane vormentaal’, schreef Herman Vuijsje. Anderen uitten soortgelijke kritiek.

Enkele jaren en juridische procedures later wordt het monument waarmee Libeskind Holocaustontkenners heeft willen weerspreken alsnog onthuld. De Wagt vraagt zich af tot welk gebruik het monument, nu het er eindelijk staat, zal uitnodigen. ‘Een monument met een zo duidelijke boodschap is ook heel kwetsbaar. Aanvankelijk was het de bedoeling dat het 24 uur per dag toegankelijk zou zijn voor publiek. Uiteindelijk is toch besloten het ’s nachts af te sluiten. Of dat genoeg zal zijn om de Holocaustontkenners te weren? Ik hoop het vurig, maar ik houd mijn hart vast.’

Wim de Wagt: Vijfhonderd meter namen. De Holocaust en de herinnering. Uitgeverij Boom. 29,95 euro.

Meer over