Een mensvriendelijke multinational

Meer en meer bedrijven committeren zich aan goede omstandigheden bij hun fabrieken en die van onderaannemers. Ze moeten wel. ‘Misstanden worden zichtbaarder door de opkomst van moderne media.’..

Door Elsbeth Stoker

Vorige week zat Henk van der Kolk, voorzitter van FNV Bondgenoten, een beetje sceptisch in het vliegtuig. Hij was onderweg naar Londen. Zijn verwachtingen van de bijeenkomst die hij daar ging bezoeken, waren niet hooggespannen. Het zou eens zo’n gevalletje van mooie woorden, weinig daden kunnen worden, dacht hij.

Nog geen 24 uur later, in het vliegtuig terug naar huis, moest hij concluderen dat hij het verkeerd had ingeschat. Wat hem betreft hadden hij en zijn collega’s van de IUF, de internationale koepel van vakbonden in de voedingsindustrie, zojuist een historische bijeenkomst gehad bij Unilever.

Hoewel Unilever – dat wereldwijd werk biedt aan ruim 250 duizend werknemers en flexkrachten – laat weten dat de samenwerking zich nog in een te vroeg stadium bevindt om uitlatingen in de media te doen, is FNV Bondgenoten verheugd. Voor het eerst in zijn 75-jarig bestaan toont de top van Unilever zich bereid om op structurele basis met de internationale vakbeweging om de tafel te gaan zitten.

Twee keer per jaar komen ze bijeen. Niet om over ‘de wissewasjes’ van lokale cao-conflicten te praten, maar om misstanden in de fabrieken van Unilever en zijn onderaannemers op te lossen. Denk aan kinderarbeid, misbruik van flexwerkers en het verbod op vakbondsactiviteiten. Deze aanpak is niet nieuw, onder meer Coca-Cola en Danone gingen Unilever voor. Maar volgens Van der Kolk is Unilever wel een van de weinige Nederlandse multinationals die deze stap heeft gezet.

Veel bedrijven vinden de afspraken tussen bonden en werknemers een lokale kwestie. De vakbeweging vindt echter dat de basisrechten van de arbeiders de landsgrenzen overstijgt, aldus Ron Oswald van de IUF. ‘Steeds meer bedrijven opereren immers internationaal en besteden steeds meer werk uit.’

Ook Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Tilburg, noemt deze transnationale overeenkomsten een belangrijke ontwikkeling. ‘Er is op dit gebied nog een vacuüm’, zegt hij. ‘Er zijn wel internationale handelsverdragen waarin is afgesproken dat bedrijven verantwoordelijk zijn voor goede arbeidsomstandigheden. Maar als ze die negeren, zijn er geen harde sancties.’

Toch constateren Wilthagen en zijn collega Frank Hendriks, hoogleraar vergelijkende bestuurskunde, dat steeds meer bedrijven zichzelf committeren aan goede omstandigheden bij hun fabrieken en die van hun onderaannemers. Uit recent onderzoek van Hendriks, dat hij uitvoerde in opdracht van de Europese Commissie, blijkt dat zo’n tweehonderd Europese multinationals afspraken hebben gemaakt met vakbonden of ondernemingsraden over de fundamentele rechten van hun werknemers.

De vraag blijft echter wat de afspraken waard zijn, zegt hij. ‘Kun je deze bedrijven voor de rechter slepen als ze zich niet aan hun eigen regels houden? Dat is vaak nog een juridisch grijs gebied.’

Wat Wilthagen betreft kan het haast niet anders dan dat bedrijven zich verantwoordelijker gaan voelen voor hun medewerkers. ‘Misstanden in de keten worden steeds zichtbaarder door de opkomst van moderne media.’

Zo kwam de stap van Unilever niet spontaan. De IUF heeft twee jaar lang campagne gevoerd om aandacht te vragen voor de problemen in een Pakistaanse fabriek waar Lipton-thee werd verpakt. Vorig jaar mei diende de IUF een klacht in bij de Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over uitbuiting. Van de 700 mensen die bij de Lipton-fabriek werkten, hadden er volgens de bonden 22 een vast contract. De rest was uitzendkracht. Zij werkten er soms al jaren, maar konden op elk moment worden ontslagen en verdienden veel minder dan de Unilever-norm.

Inmiddels hebben, na bemiddeling van de OESO, ruim 200 werknemers wel een vast contract gekregen en stelt Unilever zich garant voor de goede en tijdige uitbetaling. Oswald: ‘We geloven dat het veel meer effect heeft als de top van het bedrijf het lokale management aanspreekt.’

Hoewel Van der Kolk beseft dat het contact met Unilever zich in de beginfase bevindt, heeft hij nog wel meer onderwerpen op zijn lijst die de landsgrenzen overstijgen. Zoals de opkomst van flexwerk en de topsalarissen, zegt hij. ‘Dat is voor later. We moeten eerst maar eens afwachten of ze het echt menen.’

Een dezer dagen hoopt hij daar het eerste bewijs van te krijgen. Unilever heeft beloofd helderheid te geven over een Indiase fabriek, waar volgens de bonden een onafhankelijke bond door het lokale management wordt geweerd.

Van der Kolk: ‘Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Maar die zwaluw vliegt er nu mooi wel.’

Meer over