Een menselijke trein wandelt over het spoor

Opnieuw is er een trein uit Pristina gearriveerd. De tweede in twee dagen. Hij heeft zijn lading in Kacanik gelost....

In het niemandsland tussen Kacanik en Blace, tussen Servië en Macedonië, zijn al die mensen uit de rails het veld in gestroomd en daar zitten ze donderdagmiddag nog: gevangen tussen een rivier en een weg, met in hun rug een land in oorlog en voor zich een haag van politie.

Servië jaagt ze weg en Macedonië wil ze niet. De inhoud van allebei de treinen zit donderdag bijeen. Vijf-, tienduizend, misschien ook meer, op een laaggelegen weiland aan het spoor. Ze staan, de meesten zitten, en veel mensen liggen ook - ze zijn moe, niet van de korte reis maar van de spanning, de angst en het lange wachten.

Suleyman Macastena zat in de tweede trein - de trein die om vijf uur 's ochtens Pristina verliet. Sinds acht uur donderdagochtend zitten hij en zestien andere familieleden op een deken in het veld.

Hij vertelt hoe woensdagavond de politie ook naar hun wijk Dragodan gekomen is. Ze kwamen met wapens, maar schoten niet. Ze riepen alleen dat iedereen zijn huis uit moest en dat in het station een trein klaarstond. Niemand durfde de oproep te weerstaan en thuis te blijven. Iedereen vertrok, en liet zijn huis achter - klaar om te worden leeggeroofd of in brand gestoken.

Dat was althans wat volgens Suleyman en andere vluchtelingen uit zijn wijk gebeurde: 'Ze laadden alles in vrachtwagens. Ik heb het met eigen ogen gezien.' In een lange rij liepen zij de heuvel af, waarop Dragodan is gebouwd, naar het station beneden.

'Daar stond de trein. Ik heb nog nooit zo'n lange trein gezien', zegt Suleyman. En desondanks was de trein te kort om alle mensen te bevatten die uit Dragodan en andere delen van de hoofdstad naar het station waren gedreven.

Al hun papieren werden ze afgenomen, en ze vonden ook het geld dat Suleyman in zijn sokken verborgen had. Bang is hij niet geweest, ook al is hij zestien, groot genoeg om een 'terrorist' te kunnen zijn en potentieel slachtoffer van moordcommando's. Kennelijk was nu het enige doel van de Serviërs zoveel mogelijk Albanezen zo snel mogelijk Kosovo uit te zetten.

'Wij werden de trein in geduwd. Het was stampvol. We stonden met twintig man in een cabine, konden er niet uit, en ook de ramen konden niet open. Het was bloedheet.'

Grote plastic zakken vol broden worden aangevoerd, een menselijke keten voert flessen drinkwater aan, getapt bij een tankwagen aan de grens. Vier mannen dragen een oude vrouw in een deken in tegenovergestelde richting, naar een geïmproviseerde eerstehulppost. Alleen zij mogen het weiland verlaten. Alle anderen moeten beneden blijven.

De hulppost ligt hoog boven het weiland bij de grensovergang op de asfaltweg van Kacanik naar Blace, of van Pristina naar Skopje. Voor de Macedonische slagboom dromt een dichte groep van een paar honderd mensen samen. Een groep die in de loop van een eindeloos lange ochtend langzaam kleiner zal worden. De Macedonische douane laat de Albanezen door, maar één voor één, uiterst langzaam. Ze mogen het land niet vrij meer in, ze worden voorbij de grens verzameld in een bus die ze verder transporteert. Als een bus vertrekt begint het wachten op een volgende.

De wachttijd bij deze grensovergang tussen Kosovo en Macedonië bedraagt drie dagen, op zijn minst. De Albanezen wachten. De paar honderd die nu vooraan staan zijn maar een kleine voorhoede van een stroom die zich tweehonderd meter verder ophoopt, aan de andere kant van het niemandsland.

Niemand weet hoeveel mensen daar nog staan. De weg maakt een bocht en verdwijnt uit het zicht, maar tot de bocht moeten het er met het blote oog geschat al duizenden zijn. Vrijwel uitsluitend inwoners van Pristina, allemaal vertrokken binnen de vijftien of dertig minuten die de politie ze heeft gegund. Niemand neemt het risico te blijven.

'Pristina zal gauw leeg zijn', zegt Suleyman. 'Er is nog maar één wijk waar nu nog mensen wonen.'

Zal echt iedereen Pristina verlaten? 'Ik denk het wel', zegt ook Agran Haxhosag.

Haxhosag, een Albanese medewerker van de VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr in Pristina, staat al met beide benen in Macedonië. Hij was op tijd, maandag al, vertrokken zegt hij. 'Ik heb niet gewacht tot de politie op mijn deur kwam kloppen. Toen ik hoorde dat zij in de wijk naast de onze de mensen uit hun huizen joegen ben ik vertrokken. Zodoende was ik een van de eersten. Net op tijd, want de zelfde dag hebben ze ook mijn buurt, Ulpijane, ontruimd.

'Drie dagen en drie nachten heb ik erover gedaan om deze grens over te komen. Ik ben het laatste stuk te voet gegaan, dat ging sneller.

'Maar nu wacht ik op mijn vader en mijn zus. Die zitten nog in mijn auto, daarachter', gebaart hij. Maar het zal nu niet lang meer duren hoopt hij: 'Ze zijn al in niemandsland. Misschien komen ze er vandaag al door.'

Meer over