Een mannensport? Laat ons niet lachen

Bobsleeën voor vrouwen is vechten tegen vooroordelen. Een dag met de Nederlandse pilote Esmé Kamphuis in het machowereldje.

MARK VAN DRIEL

Esmé Kamphuis ligt op haar rug in een rommelige garage, boven op twee houten dozen. Ze staat op het punt twee stalen schijven aan een stang omhoog te drukken, een halter die bijna net zo veel weegt als zijzelf. De avond is gevallen. Een straalkacheltje probeert de ergste kou te verdrijven. De grasmaaier is buiten gezet om ruimte te creëren.

Vijf vrouwen kijken toe. De manager en fysiotherapeut staan dik ingepakt achter de bobslee van honderdduizend euro, die schuil gaat onder een rood-wit-blauwe deken. De bondcoach zit op een visserskrukje. Remsters Judith Vis (33) en Melissa Boekelman (24) staan aan weerszijden van de bobsleepilote, klaar om de halter op te vangen als de armen van Kamphuis (30) het begeven. Hun hoofden raken het plafond van de garage bijna.

'Kom op Esmé, je kunt het', schreeuwt bondscoach Nicola Minichiello boven de pompende rapmuziekb uit. Kamphuis laat een oerkreet ontsnappen en perst het gewicht omhoog. Eenmaal soepel, de tweede maal moeizaam. En de derde poging? Het gewicht stokt halverwege. Haar armen trillen. De remsters moedigen haar luidkeels aan, maar zien dat hun hulp nodig is. Ze grijpen in.

'Je zult morgen geen gevoel meer hebben in de borstkas', zegt Minichiello vergenoegd. De voormalig bobsleepilote, die vijf jaar geleden wereldkampioen werd met Groot-Brittannië, draagt een strak T-shirt over haar gespierde torso met de boodschap 'onbeschaamd sterk'. Een cadeautje van de bobsleesters aan hun strenge meesteres.

'Als ik morgen stuur als een sukkel, dan weet je de reden', zegt Kamphuis. Ze rolt kreunend van de dozen. Het is de beurt aan Vis en Boekelman. Daarna mag zij weer.

'Wat vind je van ons krachthonk', had Kamphuis (31) eerder glimlachend gevraagd, wijzend op de garage van het pension in het Duitse Winterberg. Ze heeft schik in de spartaanse omstandigheden, die een schril contrast vormen met de verwarmde kamers in het ziekenhuis waar ze 's zomers als gynaecologe werkt. Ze heeft iets meer geboorten begeleid dan afdalingen gemaakt, schat ze. Achthonderd om zeshonderd.

Kamphuis laat trots de blaren en zwarte vlekken op haar handen zien, het gevolg van het urenlange schuren van bobsleeijzers. Als het staal spiegelt is het snel, legt ze uit. En dus is zij 's avonds, na een lange dag met afdalingen, kracht- en sprinttrainingen, vaak nog een uur in de weer met het schuurpapier. Ze heeft het in handzame rechthoekjes geknipt en naar grofheid ingedeeld in de materiaalkist. Ze shopt liever in de Bouwmarkt dan in de Bijenkorf.

Het luistert nauw met de ijzers, die in dikte variëren van een halve tot een hele centimeter.

'Kijk daar', wijst ze. Een zwart krasje in het ijzer. 'Dat is een dik probleem. Dat krasje, daar kan je bijna in liggen. Er heeft een steen in de baan gelegen. Daar zij we overheen gegleden. Dat is slecht nieuws.' Ze treuzelt niet en gaat het probleem met lange, krachtige halen te lijf. Het ijzervijlsel vliegt langs haar gelakte nagels.

Op oudejaarsavond stond ze ook te schuren, bekent ze monter. Ze maakt als bobpilote misschien wel meer uren dan in het ziekenhuis. Ze wil niet anders. Ze heeft zinnen gezet op een olympische plak.

In Sotsji doen de bobsleevrouwen voor de vierde maal mee aan de Winterspelen. Maar ze moeten hun plek nog steeds bevechten. Mannen domineren de cultuur van de sport, die voor hen al olympisch is sinds 1924. Zij hebben twee kansen op olympisch goud: in de viermansbob en tweemansbob. De vrouwen dalen alleen af in de kleine slee, die ze aanduiden als tweemansbob.

'Bobslee heeft een extreem mannelijke manier van doen. Het heeft een traditionele, militaire achtergrond', zegt bondscoach Minichiello na de avondmaaltijd in het Gasthof. De Britse ex-pilote is de eerste en enige vrouwelijke hoofdcoach in het circuit sinds haar aanstelling door Nederland, twee jaar geleden. Ze nam een vrouwelijke fysiotherapeut en manager mee. Team Kamphuis bestaat daardoor volledig uit vrouwen, een unicum. Alleen in de wintermaanden springt een man bij: de Franse materiaalspecialist David Plassais verricht in deeltijd hand- en spandiensten.

Lange tijd gold bobsleeën als te gevaarlijk voor vrouwen. Alleen mannen - vonden de mannen - waren geschikt om met gevaar voor eigen leven in een open slee af te dalen door een smal ijskanaal van anderhalve kilometer lengte, met snelheden tot wel 150 kilometer per uur en het risico om te crashen in scherpe bochten.

Die gedachte leeft nog steeds. 'Women are there to be seen, not to be heard', zei de Britse bondscoach en oud-militair Tom de la Hunty vaak tegen Kamphuis en Minichiello. Met andere woorden: 'Zit stil en wees mooi.' Hij trainde beide vrouwen, eerst als bondscoach van Groot-Brittannië, later als bondscoach van Nederland.

De opmerking is volgens Minichiello typerend voor de machocultuur. 'Als vrouw moet je twee of drie keer zo hard werken. Ik heb altijd moeten vechten voor gelijke behandeling.'

Onder elkaar speelt dat niet. De vrouwen vinden elkaar soepel in hun liefde voor snelheid, gevaar en techniek. Ze maken lange dagen om de afdalingen zo kort mogelijk te laten duren. Maximaal twee keer per etmaal mag Kamphuis omlaag, met Vis of Boekelman achterin. Ze doen over 1.500 meter minder dan een minuut, tenzij ze kapseizen.

Na acht jaar als bobpilote weet Kamphuis het gevoel dat ze tijdens een afdaling ervaart treffend te omschrijven: 'Steek je hand maar eens uit het raam als je met 150 kilometer per uur over de snelweg rijdt. Die hand is mijn hoofd.'

De ervaring van Boekelman en Vis is achterin anders. Na een sprint van zo'n vier seconden, waarin ze de tweemansbob van 175 kilo vanuit stilstand in beweging moeten krijgen, zitten zij ineengevouwen in de heftig schuddende slee, zonder stoel of kussens om hun lijf te beschermen. Als ze pech hebben, stappen ze na een minuut bont en blauw uit.

Boekelman: 'Ik kan je foto's laten zien van mijn lichaam. Dan denk je: zo, die is mishandeld. Het is geen sport voor mietjes, dat zeker niet.'

Bondscoach Minichiello heeft volgens Kamphuis een frisse kijk op bobsleeën. Ze durft nieuwe dingen uit te proberen en de traditie te negeren. 'Ze doet de dingen niet omdat ze al veertig jaar zo worden gedaan.' Daardoor is het vrouwenteam anders.

Dat valt op in het startvak in Winterberg, waar tientallen sleeën op de vroege ochtend in slagorde worden opgesteld voor een training. Bonken van kerels sjouwen de slees naar een voorgeschreven plek. Ze lijken op reusachtige Michelinmannetjes. Hun spierbundels zijn bedekt door gewatteerde skikleding.

Bobbers vergelijken hun kostbare, aerodynamische slee graag met een raceauto. Maar ze gebruiken hem deze winterochtend vooral als kruiwagen. De slees liggen volgeladen met ijzers, gereedschap, helmen, koelboxen en kleding. Ze worden neergezet en vaak onbeheerd achter gelaten als de atleten hun warming-up doen. De mannen schuren hun ijzers als die op de slee zijn gemonteerd.

Bij Team Kamphuis gebeurt dat alles niet. De vrouwen gaan voorzichtig om met hun slee. 'Vrouwelijker? Zo zou je het misschien kunnen zeggen', beaamt Minichiello.

Kamphuis (1,78 meter), Vis (1,80) en Boekelman (1,76) dragen hun slee leeg van de bestelbus naar het startvak. Vervolgens moeten ze nog een paar keer heen en weer lopen om de rest van hun spullen over te brengen. Het blijft vandaag stil, maar soms worden ze vrolijk bespot door hun concurrenten. Boekelman: 'Dan hoor je ze zeggen: daar gaan ze weer hoor.'

De slee wordt, zolang hij ondersteboven stilstaat, bedekt met een zelfgemaakte vlag. De ijzers worden zo min mogelijk geslepen als ze aan de bob vastzitten, om te voorkomen dat het vijlsel in de vering valt. 'Die wordt daar niet beter van', zegt Kamphuis.

De slee blijft geen moment onbewaakt. Een lompe of kwaadwillende passant kan de slee makkelijk beschadigen. Sinds Kamphuis vorig jaar bij de WK zesde werd, zijn veel concurrenten nieuwsgierig naar haar materiaal. Ze willen het betasten en bestuderen.

De voorzichtige omgang met de slee is instinctief en beredeneerd. Elk krasje kost tijd. Minichiello heeft talloze windtunneltesten bijgewoond. Ze heeft de luchtstroom langs de bobslee zien veranderen als een vlieg 'iets' had achter gelaten op de kap. 'Het beïnvloedt de turbulentie. Als je 150 kilometer per uur gaat, telt elke kras. Als je zo hard werkt als wij doen, wil je geen tijd weggeven.'

Kamphuis: 'Elke kras is een paar honderdste van een seconde. Dit is onze Formule 1-auto. Die slee kost net zo veel als een dikke BMW. Daar flikker je ook niet van alles in. Al is het af en toe best vervelend om zes keer te moeten lopen, terwijl die andere teams het maar een keer hoeven te doen.'

Als het haar eens te veel wordt, denkt ze terug aan de WK. 'Toen zag je dat wij de minst beschadigde slee hadden. Verreweg.'

De vrouwelijke aanpak is niet per se zachtaardiger. Na de zesde plaats van vorig seizoen beseften de sleesters dat ze sneller moesten leren starten. Bij de WK kwamen ze eentiende seconde tekort voor een medaille. De start is in het bobsleeën van groot belang: elke honderste seconde tijdwinst bij de start levert aan de finish driehonderdste tijdwinst op.

De bobbers zegden hun banen op en besloten vijf maanden lang voltijd te gaan trainen op Papendal, om hun kans op een olympische plak te vergroten. Minichiello maakt van hun gewicht een onderwerp. Kamphuis moest minimaal vijf kilo zwaarder worden (streefgewicht: 76 kilo), Boekelman moest er tien kwijtraken (terug naar 80 kilo). Een vrouwenslee mag met bemanning maximaal 340 kilo wegen. Hoe dichter bij dat gewicht, hoe beter het is. Een zware slee daalt sneller.

Het zorgde aan tafel voor ongemakkelijke situaties. Kamphuis moest verplicht eten tot ze niet meer kon en niet meer wilde: 'En dan toch nog even doorproppen'. Boekelman keek hongerig toe. 'In het begin dacht ik: ga jij je toetjes eens ergens anders eten.'

Een mannelijke coach had het dieet misschien niet opgelegd, denken ze, of minder geduld gehad met de emotionele gevolgen ervan. 'Veel mannelijke coaches hebben moeite met vrouwen, omdat ze niet helemaal snappen hoe vrouwen in elkaar zitten, of weten wat ze nodig hebben', meent Kamphuis.

Dat onbegrip bestaat ook ten aanzien van het praten. Dat doen de bobsters vol overgave, veel en luid. Het gebeurt overal, tijdens de krachttraining, bij het schuren, tijdens de lunch en op de atletiekbaan.

Bij een sprinttraining, tegen het vallen van de avond, krijgt de bondscoach amper kans het drietal te wijzen op verkeerde gewoontes uit de atletiek: Kamphuis was zevenkamper, Vis hordenloper, Boekelman kogelstoter. Ze mogen niet kaatsend lopen, zoals op de tartanbaan, maar ze moeten stuwend rennen. Alleen dan kunnen ze de zware bob vooruit drukken.

Materiaalman David Plassais hoort het 'gekwek' hoofdschuddend aan. Het houdt nooit op, verzucht hij. 'Na een afdaling hoeven ze met de walkietalkie alleen de tijd door te geven. Duurt vijf minuten! Een gesprekje over spikes voor de training. Tien minuten! Als mannen het slecht doen, zeggen ze: morgen nog een kans. Als ze winnen, drinken ze bier. Bij vrouwen is het altijd emotie. Het is altijd heel goed of heel slecht.'

De vrouwen kennen zichzelf. Ze beamen dat de emoties soms te hoog oplopen. Zes vrouwen betekent zesmaal ongesteld, met alle 'hormonale schommelingen' die daar volgens gynaecologe Kamphuis bijhoren. Van Plassais gaat een kalmerende werking uit.

Vis: 'Mannen zijn lomper en botter. Dat is niet altijd wenselijk, maar soms is het wel wenselijk. Daarom ben ik blij dat hij er is. Hij kan heel goed de rust bewaren. Dat hebben we nodig.'

Plassais is ook een geliefd gespreksonderwerp als de vrouwen onder elkaar zijn in de koude garage, en ze de stemming erin proberen te houden tijdens het onvermijdelijke schuren.

Boekelman: 'David was heel chagrijnig vandaag.'

Vis: 'Nou. Hij zei: Ik wil de oranje hoes niet op de slee doen. Ik wil die ijzers niet onder slee doen. Het is shit.'

Boekelman: 'Ik zei tegen hem: hé David, ben je soms ongesteld?'

Het geschater vult de krappe garage. Een man als mikpunt van spot, het bindt.

MEDAILLEKANDIDATEN

Vrouwen, tweemansbob: Esmé Kamphuis (30) en Judith Vis (33)

undefined

Meer over