Een lichtbaken nader bekeken

IN DE proclamatie die het Nederlandse kabinet op de ochtend van 10 mei 1940 door koningin Wilhelmina aan haar volk liet voorlezen, werd de kort tevoren begonnen Duitse inval veroordeeld als een 'voorbeeldloze schending van de goede trouw en aantasting van wat tussen beschaafde staten behoorlijk is'....

Jan Blokker

Dat had meteen iets raars. Voorbeeldloos? In de vijftien voorafgaande maanden waren Tsjechoslowakije, Polen, Denemarken en Noorwegen zonder enige beschaafde waarschuwing vooraf al door de Wehrmacht overlopen, dus voorbeelden genoeg, zou je zeggen. Maar blijkbaar waren ze aan minister-president De Geer, de regeringsleider die de verontwaardigde tekst voor dag en dauw had neergeschreven, niet besteed - of waarschijnlijker: hij kende ze wel, maar hij vond wat nu ineens ook Nederland overkwam onvergelijkbaar veel erger. Z'n verbijstering was groter dan z'n realiteitszin. Hij zou later ook bekennen dat hij zich op dat moment 'als lamgeslagen' had gevoeld: machteloze premier van een land dat hij ooit 'een lichtbaken in een duistere wereld' had genoemd.

'Op de confrontatie met een meedogenloos regime als dat van het nationaal-socialisme was men daarom, ingekapseld in de dikke vacht van die argeloze zelfgenoegzaamheid, slecht voorbereid, zowel in politiek als in mentaal opzicht.'

Aldus de Utrechtse historicus H.W. von der Dunk, die zich in de loop der jaren als weinig anderen heeft beziggehouden met de wijze waarop de Nederlandse samenleving het trauma van de Duitse bezetting ('het uur van Nederlands politieke en mentale ontgroening', noemt hij het ook ergens) heeft beleefd, en in een moeizaam en langdurig verwerkingsproces intussen misschien eindelijk de baas is geworden.

In de talloze artikelen waarin het thema direct of zijdelings werd aangesneden, varieerde zijn toon tussen erbarmen en irritatie, wat je allebei vormen van een zekere neerbuigendheid kunt noemen. Dat kan aan z'n karakter liggen - hij doet zich voor als een ijdel auteur, die zich altijd met een zekere schoolmeesterachtigheid op z'n gelijk laat voorstaan - maar het kan ook te maken hebben met een bewuste keuze voor het buitenstaandersperspectief: het kan nooit kwaad naar de medemens te kijken alsof hij van een andere planeet komt.

Die kijkrichting is consequent gekozen in zijn nieuwe bundel 'historische beschouwingen', die Mensen, machten, mogelijkheden heet en waarin de Tweede Wereldoorlog, en meer speciaal de totalitaire machten van de vorige eeuw, nog altijd een hoofdrol spelen. Geen wonder waarschijnlijk bij iemand die in De verdwijnende hemel nog maar zo kort geleden duizend bladzijden wijdde aan de cultuur van de Europese twintigste eeuw.

Tot de langere opstellen in het boek behoort een zeer uitvoerige 'afrekening' met het geschiedwerk van Lou de Jong. Daar komt het hierboven geciteerde zinnetje over de dikke vacht van argeloze zelfgenoegzaamheid in voor (de afdeling erbarmen), maar er wordt ook (de afdeling irritatie) in uitgehaald tegen de krampachtige manier waarop men meteen na 1945 het 'trauma' als het ware wilde laten bijzetten in een rijksmonument: 'Een integraal nationaal geschiedbeeld was onmisbaar voor de nationale eenheid, en niets leende zich daarvoor beter dan de ramp die Nederland zojuist had getroffen.'

Op Von der Dunks weinig vleiende eindoordeel over de betekenis van De Jong als historicus ('hij blijft kroniekschrijver, rapporteur en getuige, hij voegt echter niets wezenlijks toe aan ons inzicht in dat hele drama') valt weinig af te dingen. Je moet alleen vaststellen dat hij er wat laat mee komt - tien jaar nadat het magnum opus met 29 banden in ieders boekenkast definitief is bijgezet. En afgezien van een reactie op de eerste paar delen kan ik me niet herinneren dat Von der Dunk zijn vakbroeder gedurende het wordingsproces hinderlijk heeft gevolgd.

De afstraffing achteraf is hard, maar overwegend terzake. Dus jammer dat de afstraffer zijn betoog zo nu en dan heeft aangelengd met vileinigheden die misschien wel op waarheid berusten, maar waarvan de waarheid niet wordt onderbouwd. Waar zijn de bewijzen voor de suggestie dat De Jong welbewust zichzelf als (enige) auteur van het grote geschiedwerk naar voren heeft gemanipuleerd, of dat hij afgunstig was op de bijval voor Pressers Ondergang, of dat hij er stelselmatig voor zorgde dat zijn medewerkers en assistenten in zijn schaduw bleven?

De kwaadsappigheid beperkt zich in de bundel niet tot Lou de Jong en diens verkoopsuccessen. In het op zichzelf behartenswaardige openingsopstel over macht, schijnmacht en onmacht van de historicus krijgt collega Fasseur een jaloers veegje uit de pan in het zinnetje: 'Wie in Nederland een boek over Wilhelmina schrijft kan meer publiciteit verwachten dan bij een boek over raadspensionaris Heinsius.'

In datzelfde artikel windt Von der Dunk zich nog eens buitensporig op over Daniel Goldhagen, en lanceert hij het uit de lucht gegrepen verwijt dat in Nederland 'toonaangevende bladen' gefixeerd zijn op wat in het buitenland furore maakt en dat 'veel recensenten zich een getrouwe echo betonen van de New York Times, The Times, Le Monde en Die Zeit'.

Curieuze verongelijktheden van dit type dreigen het leesplezier nogal eens te vergallen - als je terugbladert in eerdere bundels van de toch alleszins gerenommeerde emeritus-hoogleraar (Elke tijd is overgangstijd, Twee buren twee culturen) krijg je de indruk dat hij er vroeger minder last van had. En ook minder van de neiging tot een zweverig soort wijsgerigheid trouwens, die bijvoorbeeld een beschouwing over mensbeelden in de (ban van de) geschiedenis lelijk verstoren.

Godzijdank blijft er van een paar heldere, ouderwetse opstellen te genieten - zolang het maar om concrete, historische onderwerpen gaat en de dagsluitersdivagaties buiten boord blijven, staat Von der Dunk nog altijd z'n mannetje.

En dan mogen hem een paar feitelijke stordigheden (Ter Braak verkoos niet op de dag dat de Duitsers binnenvielen, maar pas op 14 mei 1940 de vrijwillige dood; niet Alec Guinness maar Peter O'Toole speelde Lawrence of Arabia), malle stijlbloempjes (Rudolf Hess' geloof in eigen mogelijkheden 'liet hem keer op keer in zijn gestoei met de slangenkuil van de nazi-bureaucratie bakzeil halen') en het overmatig gebruik van uitroeptekens van harte vergeven worden.

Als scherpzinnig waarnemer van een samenleving die zich in 1940 nog een lichtbaken in een duistere wereld waande, kan hij ons nog veel leren.

Meer over